De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
VOORMEZELE - PROOSDIJ
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent, die dateert van omstreeks 1640, is de Proosdij van Voormezele te zien.
Pas vanaf 1667 werd dit de Abdij van Voormezele.
Voormezele was vroeger een zelfstandige gemeente, maar is sinds 1971 een deelgemeente van de stad Ieper in de huidige provincie West-Vlaanderen.
In de oudste vermelding (961) wordt de plaats ”Formesela” genoemd.
De heerlijkheid Voormezele had aanzienlijke inkomsten en was een leen afhankelijk van de zaal van Ieper, met lage, middelbare en hoge rechtsmacht, een baljuw en zeven schepenen. Een aantal lenen lagen buiten de kasselrij Ieper.
De toenmalige Heer van Voormezele zal er wellicht op zijn neerhof een burchtkerk hebben laten bouwen voor de bewoners rond zijn kasteel, maar ook voor zijn eigen familie.
In 1057 stichtte Adela, dochter van de Franse koning en gehuwd met graaf Boudewijn V van Vlaanderen in Mesen een abdij van adellijke geestelijken (de eerste vrouwenabdij in Vlaanderen) met daaraan verbonden een collegiaal kapittel van monniken.
Eén der heren van Voormezele, een zekere Isaac, was sterk onder de indruk van dit mooie voorbeeld en stichtte op zijn beurt in 1068, samen met zijn schoonmoeder Ermengardis, een college van wereldlijke kanunniken in Voormezele.
Heer Isaac duidde een proost aan; daardoor werd het een proosdij.
Door toedoen van Joannes van Waasten, augustijnermonnik en later bisschop van Terwaan, waartoe Voormezele geestelijk behoorde, werd de gemeente van wereldlijke kanunniken omgevormd tot een kloostergemeente van reguliere monniken, die zich in 1100 aan de regel van Sint Augustinus onderwierp.
De kanunniken konden zich vestigen op het neerhof en de burchtkerk gebruiken als proosdijkerk.
De kanunniken stonden hoog aangeschreven bij de de Graven van Vlaanderen, want zij schreven hun perkamenten.
Karel de Goede, graaf van Vlaanderen, begiftigde het nieuwe klooster in 1119; hij schonk het namelijk een uitgestrekt gebied dat toen Sadalt heette.
De monniken ontgonnen dit gebied en richtten er een kapel op ter ere van Sint-Elooi.
In Voormezele was er een bloeiende volksdevotie tot het Heilig Bloed, nadat een relikwie in 1152 door de tweede proost van Voormezele vanuit Rome werd meegebracht. Jaarlijks gaat er in Voormezele nog steeds een Heilige Bloedprocessie door.
In 1200 bevestigde de toenmalige paus van Rome dat de proosdij van Voormezele niet alleen het patroonschap van Voormezele zelf ontving, maar ook van de kerken van Dikkebus, Zillebeke, Zandvoorde, Elverdinge en Langemark.
In 1559 kwam Voormezele onder het bisdom Ieper.
In 1566 en ook nog eens in 1578 werden de kloostergebouwen, die in de loop van de 13e eeuw opgetrokken waren, door de hervormers (de Geuzen) verwoest. Ook de kerk werd verwoest.
De monniken hadden echter hun bezit en ook hun kostbare relikwie in veiligheid gebracht naar Ieper, waar ze binnen de stad een refuge bezaten. Het zou echter bijna honderd jaar duren alvorens het klooster weer opgebouwd was en de Heilige Relikwie terug naar Voormezele kwam, namelijk in 1664.
Omstreeks 1620 waren de kloostergebouwen weer hersteld. Ook de kerk werd hersteld.
In 1667 werd, krachtens een pauselijke bulle, de proosdij verheven tot abdij en de proosten tot abten. Vanaf dit moment kon men van een heuse abdij spreken.
De abt mocht nu een mijter opzetten en een staf ter hand nemen.
In 1794 werden de abdijgebouwen en de kerk door de Fransen in brand gestoken.
De abdijgebouwen en de kerk werden in 1794 tijdens de Franse Revolutie in brand gestoken. Er zijn nog enkele restanten ten oosten van de kerk.
De abdij werd kort nadien opgeheven. De vernielingen betekenden het definitieve einde van de abdij. De monniken verspreidden zich, en van heropbouwen of heroprichten van de abdij was geen sprake meer.
Tot in 1914 herinnerde een oude toegangspoort nog aan de abdij.
In 1801 kwam Voormezeele onder het bisdom Gent te vallen. Napoleon had namelijk het bisdom Ieper opgeheven.
Van 1807 tot 1811 werd op de plaats van de abdijkerk een nieuwe parochiekerk gebouwd, de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Deze kerk had slechts één beuk en had weinig bouwkundige waarde.
Vanaf 1834 viel Voormezele onder het bisdom Brugge.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Voormezele volledig met de grond gelijk gemaakt.
Diverse oorlogsbegraafplaatsen, bunkers en andere overblijfselen getuigen nog van deze tijd. Na de oorlog werd het dorp herbouwd, grotendeels volgens hetzelfde patroon.
Ook de Onze-Lieve-Vrouwkerk (Voormezele-Dorp) werd in 1914 en 1915 zeer zwaar beschadigd door het oorlogsgeweld.
Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak werd de relikwie eerst naar Dikkebus overgebracht, daarna naar Reningelst, Abele, Giberville (Calvados), en ten slotte naar Lourdes, van waar ze in december 1919 terugkwam naar Voormezele.
Er werd een noodkerk gebouwd op de hoek van de huidige Dorp- en Wittenhuisstraat.
De kerk werd hersteld in een neo-romaanse stijl en in 1924 opnieuw in gebruik genomen. Pas in 1935 werd deze kerk weer ingewijd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog, en wel in 1943, werd de relikwie in Ieper in veiligheid gebracht, tot ze het volgend jaar weer naar de kerk van Voormezele terugkeerde.
De kanunniken bewaarden dit relikwie als hun kostbaarste bezit en konden het telkens van plundering of vernietiging vrijwaren. Doorheen de tijd werd ook telkens een stukje toegevoegd aan het schrijn: een cilinder om de kristallen bol te omsluiten, een zilveren raamwerk, een voetstuk, en tenslotte een zilveren bloemenkrans. De relikwie werd in een jaarlijkse ommegang doorheen Voormezele gedragen. Uiteraard bleef ze die rol spelen in de latere Heilig Bloedprocessie.
Tijdens de opgravingen van 1989 tot 1991 vond men grondvesten van de verwoeste abdij terug. Deze vondsten leidden tot een reconstructie van de bouwplannen van de augustijnenabdij.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed;be; Wikipedia; Erfgoedhaltes.be)