De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




VEURNE - PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Deze prent van Sanderus toont ons een panorama van de stad Veurne omstreeks 1640. Veurne is gelegen in de huidige provincie West-Vlaanderen.

Veurne werd voor het eerst vermeld in 877 als Furnu.

De stadsplattegrond vertoont een grosso modo cirkelvormig grondplan.

De stad vindt zijn oorsprong in de uitgebreide versterkingen rondom de burcht van Boudewijn I ter hoogte van het huidige Sint-Walburgapark.

Omstreeks 870 was er reeds de oprichting van een kapel toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw nabij de grafelijke burcht. De relieken van Sint-Walburga en haar broers werden daar toen naar overgebracht.

In 1060 was er een eerste vermelding van een handelsnederzetting ten oosten van de burcht.

In de 11e eeuw werd ook een kapittel gesticht.

Vanaf de 11e eeuw werd Veurne de hoofdplaats van Veurne-Ambacht, één der kasselrijen waarin het graafschap
Vlaanderen in het tweede kwart van de 11e eeuw werd verdeeld.

In de 12e eeuw kende Veurne een stadsuitbreiding in zuidwestelijke richting. De parochie rond de Sint-Deniskerk ontstond.

In de 14e eeuw werden verschillende stadsversterkingen aangelegd. Deze versterkingen bestonden grosso modo uit een gracht, muren met halfronde torens en 4 stadspoorten (noord, west, zuid, oost) met hun respectievelijke bruggen.

In 1060 was er een eerste burggraaf van Veurne, waarvan het ambtsgebied zich uitstrekte tussen de IJzer en de Noordzee. In 1095 en het tweede kwart van de 12e eeuw was er respectievelijk de oprichting van een schepenbank en een rechtscollege met keurheren speciaal belast met criminele rechtspraak; beide werden verenigd in één rechtscollege in 1240. Het hoofdbestuur werd gevormd door twee landhouders. In 1586 was er een  unie van stad en kasselrij Veurne onder een gemeenschappelijke magistraat.

Tijdens de middeleeuwen was Veurne de meest versterkte stad van het graafschap Vlaanderen.

Veurne kende een periode van economische bloei ten gevolge van de lakenindustrie, maar reeds tegen het einde van de 13e eeuw was er een terugloop wegens de crisis in de Engels-Vlaamse betrekkingen. Er was een geleidelijke stadsontvolking. Veel stadsbewoners begonnen zich op de landbouw toe te leggen.

In 1566 en 1578 werden er tijdens de Beeldenstorm verschillende kerken en kloosters vernield.

Vanaf 1586 was er een wederopbloei van de stad ten gevolge van de economische voorspoed ten tijde van Albrecht en Isabella.

In deze periode werd de Grote Markt aangelegd, met een nieuw Stadhuis, een Landhuis met belfort, een Vleeshal en een zogenaamde "Hoge Wacht" (in de eerste helft van de 17e eeuw).

Vanaf ongeveer 1644 werd de voorspoed beëindigd door oorlogen en ziekten.

Tussen de 15e eeuw en de eerste helft van de 17e eeuw werden de middeleeuwse stadsversterkingen verbeterd en uitgebreid met onder meer ravelijnen, zoals op deze prent van Sanderus is te zien. Een ravelijn is een driehoekig of vijfhoekig verdedigingswerk, gelegen vóór de hoofdmuur van een vesting, vaak in de vestinggracht. Het is een buitenwerk dat bedoeld is om de toegang tot de vesting te beschermen en de courtine (de muur tussen twee bastions) te dekken. 

Tussen 1668 en 1713 viel Veurne onder de Franse bezetting.

Tussen 1673 en 1692 werden de verbeterde middeleeuwse stadsversterkingen afgebroken.

Omstreeks 1706 werd een nieuwe bredere ring van versterkingen rondom de middeleeuwse stad aangebracht door maarschalk Vauban; er werd een vestingswal met bastions en ravelijnen gebouwd. Deze werd tegen het einde van de 18e eeuw weer ontmanteld door Jozef II.

In de tweede helft van de 18e eeuw was er een tweede periode van economische wederopbloei van het platteland onder de regering van Maria Theresia waardoor de stad aan administratieve belangrijkheid won.

Met de Franse Revolutie werden de Sint-Niklaasabdij, het Sint-Walburgakapittel en verschillende kloosters afgeschaft.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden verschillende panden in Veurne verwoest.

Tussen 1920 en 1925 was er een wederopbouw.

Ook de schade die werd veroorzaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hersteld.

Veurne vertoont nog steeds haar middeleeuws stratenpatroon.

De stadskern wordt vooral opgebouwd door de Grote Markt met haar onmiddellijke omgeving en het belangrijke Sint-Walburgapark.

Thans is Veurne een kleine provinciestad, met een centrumfunctie voor de Westhoek en de Westkustgemeenten. Er is een treinstation. Veurne is ook een knooppunt van buslijnen. Daarnaast is er een Gerechtshof, een algemeen ziekenhuis en zijn er een aantal kleuter-, lagere en middelbare scholen aanwezig in de stad. Veurne heeft ook twee winkelstraten met een divers aanbod aan winkels. De wekelijkse markt op woensdag trekt nog altijd veel volk. Verder ontwikkelt Veurne zich
steeds meer als een toeristische uitvalsbasis in de Westhoek en Westkust.

(Bronvermelding:  Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)


Hieronder tonen we de meest markante plaatsen van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden
afgebeeld:





1. Norbertinessenklooster

Langs de huidige Vleeshouwersstraat in Veurne was het Norbertinessenklooster.

Dit klooster kende een bewogen stichtingsgeschiedenis. De aanzet ertoe werd gegeven door de vlucht van de gasthuiszusters van Bethanië te Wulpen uit hun grondig verwoeste vestiging naar Veurne in 1590.

Aangezien het gasthuis te Wulpen sedert zijn ontstaan in 1252 voor zijn geestelijke leiding en liturgische hulp een beroep had gedaan op de plaatselijke pastoor die steeds lid was van het kapittel van de Sint-Niklaasabdij leek het vanzelfsprekend dat de overgebleven zusters te Veurne ook in 1590 de hulp inriepen van de pastoor van de Sint-Niklaasparochie, kanunnik en bovendien broer van de toenmalige priores.

Het klooster werd opgericht in Veurne in 1635.

In de 17e eeuw groeide het patrimonium gestaag aan en in 1666 kon de nieuwe kerk ingewijd worden. Vanaf dit ogenblik gebruikte men de naam van “klooster van Sint-Jozef van Bethanië”. In de tweede helft van de 17e eeuw steeg het aantal kloosterlingen met een derde.

Het Norbertinnessenklooster in Veurne werd afgeschaft in 1783.

(Bronvermelding : Wikipedia)



2. Zwartzustersklooster

In Vlaanderen heerste in 1439 overal zware hongersnood. In Veurne en omgeving brak tevens de pest uit. Tijdens de daarop volgende jaren stierf 1 op 4 inwoners aan deze besmettelijke ziekte.

Zeker vóór het jaar 1469 kwamen lekenbroeders van het klooster der Alexianen in Gent naar Veurne om de besmette mensen bij te staan, dit op uitdrukkelijke vraag van de stadsmagistraat. De congregatie van broeders Alexianen, genoemd naar de schutspatroon de Heilige Alexis van Edessa (+ ca. 430), werd omstreeks 1309 opgericht in het Heilig Roomse Rijk en verspreidde zich in de eerste helft van de 14e eeuw al snel in onze streken.

Deze “broeders der barmhartigheid” leefden volgens de regel van de H. Augustinus. Ze werden in de volksmond ook wel cellebroeders genoemd.

Er bestond eveneens een vrouweljke tak van cellezusters, waaruit (zeker in Brugge, maar misschien ook in Veurne) naderhand de zwartzusters zijn ontstaan. De cellebroeders en -zusters legden zich vooral toe op het verplegen en begraven van arme zieken, leprozen (= melaatsen) en vooral pestlijders.

Volgens oude geschriften woonden er waarschijnlijk al rond 1450 zwartzusters in een begijnhof, gelegen in de huidige Noordstraat. Maar nadere gegevens ontbreken hieromtrent.

Over de eigenlijke stichtingsdatum en beginperiode van de zwartzusters in Veurne is weinig bekend. Het is niet mogelijk om te achterhalen vanwaar ze kwamen, of ze misschien cellezusters waren, of het om een echte kloosterstichting ging of slechts om een filiaal van een klooster elders. De meeste archieven die dit zouden kunnen bevestigen werden in de godsdienstoorlogen van de 16e eeuw grotendeels vernield.

In 1461 werden de zwartzusters van Veurne voor het eerst uitdrukkelijk vermeld. Zij zorgden voor de (vrouwelijke) zieken en pestlijders in de stad. De zwartzusters woonden in een klooster in de later naar hen genoemde Zwarte Nonnenstraat.

Sinds 1512 beschikte het klooster over een eigen kapel.

In 1521 werd het klooster aanmerkelijk uitgebreid door de aankoop van drie kleine huizen. De Heilige Ursula werd de patroonheilige van het klooster.

In 1524 kregen de zwartzusters van de burgemeester en schepenen een stuk stadsgrond, op voorwaarde dat ze de waterloop zouden onderhouden, en de grond terug afstaan als het stadsbestuur deze nodig mocht hebben.

Vanaf 1533 gaven de zwartzusters les aan meisjes.

In 1566 brak in Steenvoorde de Beeldenstorm los. Groepen rondtrekkende calvinisten vernielden in een eerste fase kerken, kapellen en kloosters in het Westkwartier, de Westhoek, de zuidwestelijke hoek van het graafschap Vlaanderen met onder meer de stad Veurne. Het klooster van de zwartzusters bleef – voorlopig althans – gespaard.

Wanneer de geuzen de stad Veurne in 1580 volledig onder hun controle hadden verergerde de situatie voor de zwartzusters. Aanvankelijk dreigden de geuzen het kloostergebouw in beslag te nemen en te verkopen, maar omwille van hun alom gewaardeerde hulp aan zieken, vooral in tijden van pest, mochten de zwartzusters hun klooster behouden.

In 1586 kwam er hongersnood en brak de pest opnieuw uit. De weinige zwartzusters van Veurne, die de handen vol hadden met het verzorgen van pestlijders, werden met de ondergang bedreigd. De magistraat van de stad en die van de kasselrij Veurne haalden 2 zwartzusters uit Ieper en 2 uit Diksmuide.

Het klooster in Veurne was hiermee gered maar werd, na de herovering van de Zuidelijke Nederlanden door de Spanjaarden, een bijhuis van de zwartzusters van Ieper. Deze stad won immers aan invloed en belang omdat er voortaan een bisschop resideerde.

In 1589 was het klooster bouwvallig. Ook de zwartzusters leefden in armoede.

In 1595 gingen 3 zwartzusters aan de slag in het St.-Janshospitaal van Veurne, om er de slachtoffers verzorgen van een nieuwe pestepidemie.

In 1605 waren de kloostergebouwen nog steeds erg vervallen en dringend aan herstelling toe. Het stadsbestuur schonk hiervoor de nodige geldelijke middelen.

In 1610 werd de pastoor van de Sint-Walburgakerk aangewezen als de geestelijke directeur van het Zwartzustersklooster.

De zwartzusters hielden vanaf 1640 een meisjesschool open maar moesten die algauw, door allerlei interne moeilijkheden, sluiten en gaven de onderwijstaak door aan de grauwzusters.

In 1645-47 brak opnieuw een periode aan waarin de pest overheerste.

Tot omstreeks 1688 stonden de zwartzusters in voor de verzorging van weeskinderen, zieken en krankzinnigen.

Met de financiële steun van de stedelijke overheid werd tussen 1724 en 1727 een nieuwe kloosterkapel gebouwd.

Keizer Jozef II schafte in Vlaanderen vanaf 1783 een 100-tal (volgens hem nutteloze) contemplatieve kloosters af, maar spaarde de religieuzen die zich wijdden aan ziekenzorg en onderwijs, onder meer de zwartzusters van Veurne.

Na hun overwinning op de Oostenrijkers, tijdens de slag van Jemappes en Fleurus, bezetten de Fransen in 1793 onze gewesten en plunderden en verwoestten ze kerken en kloosters, ook deze in Veurne.

In 1796 keurde het Franse Revolutionair Bewind een besluit goed tot afschaffing van alle kloosters en de aangeslagen goederen te verpachten of openbaar te verkopen als “nationaal goed ».

In 1797 werd het Zwartzustersklooster afgeschaft.

In 1798 werden de kloostergebouwen openbaar verkocht aan een inwoner van Veurne, die de kapel gebruikte als schuur. De inboedel werd apart verkocht.

De 4 zusters namen hun intrek in een privéwoning, waarin ze tijdens de rest van de “Beloken Tijd” verblijven, tot Napoleon aan de macht kwam in Frankrijk.

In 1799 staakte Napoleon de kerkvervolging en proclameerde hij de vrije uitoefening van de eredienst. Dit werd in 1801 bevestigd, in het concordaat tussen de Franse keizer en paus Pius VII, en bleef gelden tot het Hollands Bewind onder koninkrijk Willem I (1815-30).

Het verkochte klooster van de zwartzusters was in 1814 inmiddels grotendeels verwoest en er bleef nog slechts 1 zwartzuster over.

De pastoor van de Sint-Walburgiskerk (de directeur van het Zwartzustersklooster) vroeg aan de Gentse bisschop toestemming om een nieuw klooster te bouwen. Hij huurde hiervoor een huis in… de huidige Zwarte Nonnenstraat, bijna recht tegenover het vroegere voormalig klooster. In 1815 werd het nieuwe klooster in dat huis opgericht.

In 1822 kochten de zwartzusters een gedeelte van hun dierbaar voormalig kloostergebouw in de Zwarte Nonnenstraat terug, ook al was het gebouw in een vervallen toestand. Na een grondige renovatie en nieuwbouwwerken konden de  zwartzusters in 1823 terugkeren naar hun oude klooster.

De zwartzusters kregen na 1830, dus na de Belgische Onafhankelijkheid, van de burgerlijke en kerkelijke overheid meer bewegingsvrijheid om de zieken in de stad te helpen.

Vanaf 1905 huurden de zwartzusters van Veurne een herenhuis langs de Vleeshouwersstraat en bouwden het uit als een rustoord voor bejaarde vrouwen, het zogeheten “gesticht Cuvelier“.

In 1918 werd het klooster in de Zwarte Nonnenstraat zwaar beschadigd door beschietingen in de Eerste Wereldoorlog en werd het, na de oorlog tot in 1923, helemaal wederopgebouwd. De aanleunende eenbeukige kapel onderging grondige herstellingen.

De zwartzusters ontruimden in 1924 een deel van het “gesticht Cuvelier”, aan de kant van de Oude Beestenmarkt, om de oprichting mogelijk te maken van de Sint-Augustinuskliniek.

Reeds bij het begin van de Tweede Wereldoorlog (1940-45) moesten de zwartzusters een kamer in het klooster ter beschikking stellen van de Duitse “Kommandantur” van Veurne. In 1943 moesten de zusters zelfs hun hele klooster ontruimen en ter beschikking stellen van de Duitse bezetter. Ze vonden een onderkomen in een huurwoning in de Vleeshouwersstraat en konden na de oorlog terugkeren naar het klooster.

In 1954 kwam er een fusie tot stand van de zwartzusters van Veurne met de Brugse zwartzusters van Bethel.

Naast het nieuwe Sint-Augustinusziekenhuis aan de Ieperse Steenweg (gebouwd tussen 1959 en 1961) werd vanaf 1974 een nieuw klooster gebouwd, genaamd “Kastanjedal“.

In 1977 betrokken de zwartzusters het nieuwe klooster (Klinieklaan 3). Ze behielden een actieve aanwezigheid bij de ziekenhuiswerking en parochiale activiteiten.

Naast het ziekenhuis werden serviceflats gebouwd en een woon-zorgcentrum.

Er kwam in 2001 tevens een dagverzorgingscentrum.

In 2005 werd het oude vertrouwde kloosterpand in de Zwarte Nonnenstraat officieel gesloten.

(Bronvermelding: tekst gebaseerd op info van Zwartzusters-bethel-brugge.be/onze-instellingen-veurne2)



3. Grauwzustersklooster

De Pannestraat in Veurne had voorheen de benaming Paardemarkt, Paardemarktstraat, maar ook de naam « Penitentenstraat ».

Deze laatste naam verwees naar het op het einde van de 18e eeuw gesloopte Grauwzustersklooster (of « klooster der Grauwe Zusters Penitenten »).

De zusters van het Zwartzusterklooster hielden vanaf 1640 een meisjesschool open maar moesten die algauw, door allerlei interne moeilijkheden, sluiten en gaven de onderwijstaak door aan de zusters van het Grauwzusterklooster.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



4. Sint-Jansgasthuis

Langs de huidige Houtmarkt was reeds omstreeks 1640 het (nog bestaande) zogenaamde Sint-Jansgasthuis gelegen.

Eerder werd het ook wel "Noordgasthuis" genoemd, naar de oorspronkelijke vestigingsplaats buiten de Noordpoort van Veurne.

Reeds in 1255 werd het Sint-Jansgasthuis vermeld.

Het gasthuis werd vernield door de geuzen, waarschijnlijk omstreeks 1580.

In het begin van de 17e eeuw werd het binnen de stadsmuren overgebracht.

Wegens de vervallen toestand werd het in zijn huidige vorm heropgebouwd in 1769-1770.

Het werd verder uitgebreid in de tweede helft van de 19e eeuw.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het gasthuis dienst als ziekenhuis voor burgerslachtoffers.

Sinds 1959 zijn de gebouwen ingenomen door het Bisschoppelijk College, gelegen langs de Albert Coggelaan.

Dit College werd in 1851 opgericht in Veurne als voortzetting van de vroegere Latijnsche Schoole.

De historische gebouwen van het Bisschoppelijk College werden gebouwd op de gronden van de vroegere Sint-Niklaasabdij. De voornaamste herinnering daaraan is het oude 'Abdijpoortje' in de Abdijstraat die de secundaire afdeling afscheidt van de lagere afdeling (Campus Houtmarkt).

Tussen 1967 en 1977 gebeurden er herstellingswerken. Een deel van de omringende 19e-eeuwse gebouwen werd in 1976 afgebroken. Ondertussen werd in de omgeving een sporthal opgetrokken.

Het Sint-Jansgasthuis was steeds voorzien van een kapel.

Het Bisschoppelijke College der Onbevlekte Ontvangenis Veurne is een katholieke secundaire school die vooral aso-richtingen aanbiedt.

De meeste historische gebouwen van het Bisschoppelijk College werden gebouwd op de gronden van de Sint-Niklaasabdij.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



5. Alexianenklooster (Cellebroedersklooster)

Omstreeks 1309 werd in het Heilig Roomse Rijk de Orde van de alexianen opgericht. Ingevolge het uitbreken van de zogeheten ‘Zwarte Dood’ omstreeks 1348-50, die het begin van een lange reeks pestepidemieën in West-Europa inluidde, kende deze orde ook in de Nederlanden een vlugge verspreiding(4).

Zeker vóór het jaar 1469 kwamen lekenbroeders van het klooster der Alexianen in Gent naar Veurne om de besmette mensen bij te staan, dit op uitdrukkelijke vraag van de stadsmagistraat. De congregatie van broeders Alexianen, genoemd naar de schutspatroon de Heilige Alexis van Edessa (+ ca. 430), werd omstreeks 1309 opgericht in het Heilig Roomse Rijk en verspreidde zich in de eerste helft van de 14e eeuw al snel in onze streken.

Deze “broeders der barmhartigheid” leefden volgens de regel van de H. Augustinus. Ze werden in de volksmond ook wel cellebroeders genoemd. De alexianen werden in Vlaanderen doorgaans ‘cellebroeders’ genoemd omdat ze zich ondermeer inlieten met het begraven van afgestorvenen en zich aldus ontpopten tot ‘broeders van het graf’ (Latijn: ‘cella’).

Het was waarschijnlijk pas in het jaar 1487 dat de cellebroeders hun klooster opbouwden. Dit werd mogelijk gemaakt door verschillende schenkingen van zowel het stadsbestuur als andere personen.

Daar de Veurnse Sint-Niklaasabdij het patronaatsrecht had over de Sint-Denijsparochie waarbinnen het Alexianenklooster werd opgetrokken, droeg de toenmalige bisschop van Terwaan, het toezicht en het gezag over de alexianen in Veurne op aan deze abdij.

In de drie eeuwen dat de alexianen te Veurne verbleven, maakten zij zich in de stad Veurne, maar ook in de omliggende dorpen voornamelijk nuttig door hun zorg voor de zieken, de leprozen en de pestlijders en door het begraven van hen die door de nu en dan sterk om zich heen grijpende epidemieën werden geveld of tijdens de veelvuldige krijgsverrichtingen sneuvelden. Tevens namen ze in hun klooster ook krankzinnigen op. Hun klooster was trouwens grotendeels in functie daarvan opgevat.

Uit hoofde van deze activiteiten kon, op het einde van de 16e eeuw, verhinderd worden dat de calvinisten het klooster verkochten. Ook de Franse republikeinen spaarden aanvankelijk deze geestelijke instelling, maar in 1797 werd het klooster dan toch afgeschaft en werden de eigendommen genationaliseerd.

Waarschijnlijk bestond het kloostercomplex aanvankelijk uit een kapel met één woning die dan geleidelijk met bijgebouwen werd uitgebreid.

Omstreeks 1640 bleek het koor van de kapel van het Alexianenklooster, volgens deze prent van Sanderus naar het oosten te zijn gericht. Op een later 17e-eeuws plan was deze kapel echter anders georiënteerd.

Waarschijnlijk werd de kapel omstreeks 1770 volledig herbouwd. Deze verbouwingswerken aan de kloosterkapel, en waarschijnlijk ook aan de andere kloostergebouwen, waren ongetwijfeld het gevolg van de economische heropbloei in de tweede helft van de 18e eeuw.

Het Alexianenklooster was, zeker in vergelijking met de nabijgelegen Sint-Niklaasabdij, zeer klein en bescheiden.

Het voormalige kerkhof bij de Sint-Deniskerk begrensde het klooster in het oosten. Deze Sint-Deniskerk werd omwille van haar bouwvallige toestand in 1706-1707 afgebroken. Het omliggende kerkhof werd in 1729 met bomen beplant. Na de Franse Revolutie werd de Sint-Denijsparochie verdeeld tussen de Sint-Niklaas- en de Sint-Walburgaparochie.

Het klooster verkeerde op het moment van de verkoop in zeer goede staat, hetgeen er kan op wijzen dat het in de loop van de tweede helft van de 18de eeuw her- of verbouwd werd.

Nadat het Alexianenklooster in 1797 als geestelijke instelling afgeschaft en genationaliseerd was, werd het in 1798 te koop gesteld. Het complex werd gekocht door een pater van de Veurnse alexianengemeenschap. Met deze aankoop had hij blijkbaar de bedoeling, éénmaal deze moeilijke periode voorbij, het klooster opnieuw in te richten. Zover zou het echter nooit meer komen.

De kloosterkapel en de sacristie werden vermoedelijk in de eerste jaren van de 19e eeuw afgebroken. Dergelijke gebouwen leenden zich niet gemakkelijk tot een andere functie. De andere kloostergebouwen bleven daarentegen nog enkele decennia behouden.

Het hoofdgebouw, zijnde het deel van het klooster dat de alexianen herbergde, bleef daarentegen tot op heden bewaard.

Wel werden er in de loop van de 19e eeuw enkele verbouwings- en aanpassingswerken aan uitgevoerd om er een herenhuis van te maken. Zo werden de oorspronkelijke voor- en noordelijke zijgevel vervangen door een typisch 19e eeuwse lijstgevel op een arduinen plint. Daarbij werd de hoofdvleugel ook met een bouwlaag verhoogd en vermoedelijk ook - in functie van de nieuwe zijgevel - met één travee ingekort.

Waar voorheen de kapel stond, werd in dezelfde 19e eeuwse stijl een laag bijgebouw onder een platdak opgetrokken. De toegangsdeur steekt waarschijnlijk nog op de plaats waar vroeger het toegangspoortje stak van de kapel. De noordwestelijke en zuidelijke zijvleugel van het hoofdgebouw van het voormalige klooster werden daarentegen veel minder veranderd. Van de oude kloostermuur zijn eveneens nog enkele restanten bewaard.

(Bronvermelding: deze tekst is grotendeels gebaseerd op info van « Het klooster van de cellebroeders te Veurne op het einde van de 18de eeuw », F. Becuwe, Biekorf, jg. 88, p. 366 e.v.
- geraadpleegd via DBNL/KB nationale bibliotheek)



6. Kapucijnenklooster

De paters kapucijnen vestigden zich pas in Veurne in het begin van de 17e eeuw. Ook de kapucijnen zetten zich in voor de pestlijders. Daartoe hadden ze trouwens in het begin van de 17de eeuw bij hun klooster een pesthuis opgericht.

In de periode die volgde op de 16e-eeuwse godsdiensttroebelen werden in Veurne talrijke gebouwen opgetrokken, zodat het stadsbeeld er grondig door werd vernieuwd. De stad en de kasselrij steunden actief deze intense bouwpolitiek. Zo werd integraal de bouw bekostigd van een pesthuis voor de kapucijnen, nadat de overheid reeds de bouw van hun klooster had bekostigd.

In tegenstelling met de gangbare definitie van een ‘pesthuis’ verpleegden de kapucijnen in hun pesthuis in Veurne geen pestlijders. Dit gebouw diende enkel om de religieuzen af te zonderen die in de stad en het omliggende platteland als pestverplegers actief waren en om er de confraters die met de pest besmet waren ter verzorging op te nemen. In periodes dat onze streken van de pest of andere epidemische ziekten gevrijwaard bleven, kreeg het pesthuis wel eens tijdelijk een andere bestemming.

Het Kapucijnenklooster situeerde zich langs de Noordstraat in Veurne. Eén van de voornaamste taken van de kapucijnen was het verplegen van pestlijders telkens deze besmettelijke ziekte onze streken teisterde. De grote populariteit van deze orde zowel bij het volk als bij de heersers was trouwens deels aan deze heldhaftige bedrijvigheid te danken.

Ieder klooster van de kapucijnen had destijds zijn pesthuis. Een algemene regel voor de inplanting was dat het pesthuis in de kloostertuin en steeds zo ver mogelijk van de eigenlijke kloostergebouwen opgetrokken werd. Daarenboven werd er ook steeds voor een afzonderlijke toegang gezorgd, zodat men het kloostererf niet nodeloos moest betreden. De begraafplaats van hen die aan de pest bezweken, bevond zich doorgaans in de onmiddellijke omgeving.

Te Veurne werd het pesthuis opgericht in het oosten van de grote kloostertuin, zodat het via het Handboogstraatje, de oostelijke begrenzing van het kloosterdomein, toegankelijk was. Daartoe moest men in 1610 de kloostertuin in oostelijke richting uitbreiden. Met de bouw van het pesthuis werd reeds begonnen in het najaar van 1610. In het voorjaar van 1611 was het pesthuis voltooid.

Het Kapucijnenklooster werd afgebroken; de gronden werden vanaf 1950 grotendeels ingenomen door gebouwen van Koninklijk Atheneum. 
(Bronvermelding: deze tekst is grotendeels gebaseerd
op info van «De bouw van het pesthuis der kapucijnen in Veurne (1610-1611) », F. Becuwe, Biekorf, jg. 91, p. 121 e.v. - geraadpleegd via DBNL/KB nationale bibliotheek)



7. Calonnegracht

Ten zuidoosten van de prestedelijke kern lag de Calonnegracht, langs waar goederen werden aangevoerd. Het was een gedeelte van het kanaal Veurne-Sint-Winoksbergen.

De gracht werd Calommegracht of Vuldergracht genoemd.

Op de prent van Sanderus wordt de gracht in de legende aangeduid als « Colme ».

Thans ligt er de oost-west-as van Houtmarkt, Appelmarkt, Nieuwstraat en Oude Beestenmarkt. De Calonnegracht werd gedempt tussen 1685 en 1709.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



8. Sint-NiklaasKerk

De Sint-Niklaaskerk van Veurne bevindt zich langs de Appelmarkt.

Het is de kerk van de rooms-katholieke Sint-Niklaasparochie, de parochie van Veurne-Centrum.

Het exacte tijdstip van de stichting van de Sint-Niklaaskerk is niet gekend maar ze bestond met zekerheid in het begin van de 12e eeuw gezien Jan van Waasten, bisschop van Terwaan, haar afstond aan de nieuwe door hem gestichte Sint-Niklaasabdij.

Reeds in 1120 werd deze kerk vermeld in geschriften.

De kerk deed dienst als parochiekerk en werd tot aan de opheffing van de abdij bediend door een monnik van de Sint-Niklaasabdij. Daarna werd het een decanale kerk voor de dekenij Veurne.

De westelijke geveltoren werd gebouwd in de 13e eeuw maar de bovenste geleding in het begin van de 14e eeuw (kleiner baksteenformaat). Op het einde van de 14e eeuw werd het transept gebouwd.

In 1439 gebeurden er restauratiewerken aan de toren.

In 1494 werd het bestaande gebouw volledig afgebroken en herbouwd met een driebeukig schip van vijf traveeën.

In 1498 waren de bouwwerken voltooid.

In 1775 werd het middenkoor naar het oosten toe verlengd

Tot aan de Franse Revolutie werd deze kerk bediend door monniken van de Sint-Niklaasabdij.

De zware westtoren is 48 meter hoog. De toren had oorspronkelijk nog een stenen spits.

In de jaren 1841 en volgende kreeg de toren een nieuwe bakstenen spits, die echter in 1866 weer moest worden afgebroken.

Het middenkoor van de kerk werd in 1877 verhoogd.

Met de restauratie van 1891-1892 werd de torenspits niet opnieuw opgebouwd, maar bleef de afgeknotte vorm behouden.

In het begin van de 19e eeuw werd de kerk gerenoveerd.

Tussen 1960 waren er verbeteringswerken en herstellingswerken van de oorlogsschade.

Ook in 1975 waren er renovatiewerken.

(Bronvermelding : Wikipedia ; Onroerenderfgoed.be)



9. Sint-Walburgakerk

De Sint-Wilburgakerk bevindt zich te Veurne langs het Sint-Walburgapark.

Het is een neogotische kerk, gelegen binnen de oudste stadskern op de plaats waar in de 9e eeuw een kapel stond, die was toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Deze kapel bevond zich ten oosten van de voormalige grafelijke burcht.

Omstreeks 870 werden de relieken van Sint-Walburga en haar broers overgebracht naar deze kapel.

In de Sint-Walburgakerk wordt een reliek van het Heilig Kruis bewaard die Robrecht I de Fries, graaf van Vlaanderen (vanaf 1071 tot 1093), had gekregen van de patriarch van Jeruzalem (wat de aanzet was tot de oprichting van een broederschap, die tot in de 20e eeuw actief was, en het houden van processies).

Reeds in de 11de eeuw was een kapittel van 30 seculiere kanunniken aan deze kapel gehecht.

Omstreeks 1100 werd de naam gewijzigd in Sint-Walburgakapel. Sint-Walburga werd namelijk de patroonheilige van de kapel. In deze eeuw werd de ruime, romaanse kerk gebouwd.

Omstreeks 1250 werd het romaans koor afgebroken en de gotische kerk opgebouwd, waarvan het koor was voltooid in het begin van de 14e eeuw.

De oostelijke transeptmuur werd opgetrokken in de eerste helft van de 14e eeuw.

Een brand in 1353 beschadigde voornamelijk de romaanse westelijke bouw.

Op het einde van de 14e eeuw was er een poging om de gotische kerk vanaf het westen te voltooien door de aanleg van een onafgewerkt gebleven westelijke torenpartij. Alleen de onderste geleding werd afgewerkt.

In 1529 was er de bouw van een kleine kapittelzaal, thans sacristie, tegen de zuidelijke muur van de kooromgang.

In 1715 werd de romaanse kruisingtoren afgebroken.

De onderste geleding van de onafgewerkt gebleven westelijke torenpartij werd enige tijd gebruikt als opslagplaats voor buskruit en in 1720 omgebouwd tot waterreservoir waarbij het portaal dichtgemetseld werd en muren met steunberen
hoger werden opgetrokken.

In 1788 werd een classicistische zuidelijke transeptarm gebouwd na de afbraak van de romaanse.

In 1799 werd het kapittel afgeschaft.

Het kerkgebouw werd verkocht met de bedoeling om het af te breken.

Omstreeks 1800 kocht de bevolking van Veurne het kerkgebouw.

Tussen 1865 en 1875 gebeurden er doortastende herstellingswerken aan de koorpartij.

Tussen 1901 en 1904 werd het romaans noordelijk transept, kruising en zuidelijke transeptarm afgebroken en in 1907 vervangen door het huidig neogotisch transept en schip.

Van 1906 tot 1926 gebeurden er restauratie- en uitbreidingswerken.

Ook in 1939 en van 1954 tot 1956 gebeurden er herstellings- en restauratiewerken.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



10. Sint-Niklaasabdij

De Sint-Niklaasabdij in Veurne bestond van 1120 tot 1798.

In het jaar 1120 werd de Sint-Niklaasabdij opgericht door Jan van Waasten, de 30e bisschop van Terwaan. Deze abdij bevond zich ten oosten, buiten de stadsmuren en werd ook wel de "Butenburch" genoemd.

Aanvankelijk bestond de abdij uit kanunniken van Sint-Augustijn. De geestelijke bediening van de Sint-Niklaaskerk en ook de (intussen verdwenen) Sint-Deniskerk werd toevertrouwd aan de nieuwe abdij.

De abdij werd ook door graaf Karel de Goede erkend en begiftigd met gronden.
Bisschop Milo, de 31e bisschop van Terwaan, schonk de abdij de tiende van Houtem en het patronaat over de kerk van Wulveringem, de altaren van Wulpen, Oostduinkerke en Ramskapelle. De vele bezittingen en voorrechten zorgden voor een uitbreiding van de gemeenschap.

In 1135 werd de regel van Sint-Norbert aangenomen, ofwel Premonstreit genoemd.

Een andere bisschop van Terwaan, die eveneens Milo heette, gaf in 1164 de Sint-Niklaasabdij de leiding en toezicht over de abdij van Sint-Augustijn bij Terwaan. Het volgende jaar kreeg de abdij het altaar van de nieuwe kapel van Sandeshove (Nieuwpoort) toegewezen. Philip, graaf van Vlaanderen, stond al zijn rechten aan de abdij af die hij had op gronden te Houtem.

Daar de Veurnse Sint-Niklaasabdij het patronaatsrecht had over de Sint-Denisparochie waarbinnen het Alexianenklooster werd opgetrokken, droeg de toenmalige bisschop van Terwaan, omstreeks 1487 het toezicht en het gezag over de alexianen in Veurne op aan deze abdij.

In 1566 werd de abdij een eerste keer verwoest en geplunderd en in 1578 een tweede keer verwoest en afgebroken door de geuzen. In 1583 werd een nieuwe kapel van de abdij ingewijd.

Tussen 1583 en 1621 werd de nieuwe Sint-Niklaasabdij gebouwd, deze keer binnen de stadsmuren op de plaats van een refugehuis, grosso modo gesitueerd tussen de huidige Appelmarkt, Houtmarkt, Karel Coggelaan, Klaverstraat en Boterweegschaalstraat.

In 1699 werd de Sint-Niklaasabdij getroffen door een zware brand.

De volledige schade werd echter hersteld. Ook het prelaatskwartier van de abdij werd herbouwd.

Met de Franse Revolutie werd de abdij door de Franse republikeinen opgeheven en de geestelijken hardnekkig vervolgd.

De geconfisqueerde gronden werden in 1796 verkocht. De abdijkerk werd eigendom van een inwoner van Veurne, die de kerk in 1798 liet afbreken.

De historische gebouwen van het Bisschoppelijk College werden gebouwd op de gronden van de vroegere Sint-Niklaasabdij. De voornaamste herinnering daaraan is het oude 'Abdijpoortje' in de Abdijstraat die de secundaire afdeling afscheidt van de lagere afdeling (Campus Houtmarkt).

De gebouwen van het prelaatskwartier van de abdij bestaan nog steeds, in een gedeelte ervan is nu het postkantoor gevestigd.

Langs de Klaverstraat zijn er nog restanten van de Sint-Niklaasabdij en een poortgebouw uit het vierde kwart van de 17e eeuw aanwezig.

Een gebouw achter het poortgebouw werd in de 19e eeuw uitgebaat als "Hôtel de la Commerce", doch voorheen was het vermoedelijk een abdijgebouw.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



11. Stadhuis

Het Stadhuis van Veurne is gelegen langs de Grote Markt. Het huidige Stadhuis is gebouwd in renaissancestijl en opgetrokken in baksteen.

Het werd pas in gebruik genomen als Stadhuis na de Belgische onafhankelijkheid (1830). Het was aanvankelijk de conciërgewoning van het aangrenzende Landshuis met belfort.

Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 is de locatie van het Stadhuis aangeduid op de plaats waar zich nu een 5 tal rijwoningen bevinden.

Het eerste stadhuis van Veurne was het gebouw gelegen op de hoek van de huidige Grote Markt met de Ooststraat. Dit gebouw werd later bekend in Veurne als het “Spaans Paviljoen”.

Het « Spaans Paviljoen » werd als Stadhuis gebouwd tussen 1448 en 1452 en uitgebreid circa 1530 met een nieuwe vleugel aan de oostelijke straatzijde. Na 1586 kreeg het gebouw diverse bestemmingen onder meer als verblijfplaats van het Spaans garnizoen (vandaar de benaming) en later ook als herberg en nog later als Vredegerecht.

In 1586 werden de twee besturen, die tot dan toe te Veurne bestonden, dat van de Stad en dat van de Kasselrij, verenigd. 

In hetzelfde jaar werd een nieuw Stadhuis gebouwd, naast het vroegere Landshuis.

Het vroegere Landshuis werd afgebroken en in 1613 werd een nieuw Landshuis gebouwd. De zetel van de Kasselrij bevond zich tot de opheffing daarvan op het einde van de 18e eeuw in het Landshuis.

De kasselrij Veurne, ook wel Veurne-Ambacht genoemd, was een plattelandsdistrict dat zich rond de gelijknamige stad uitstrekte. Het bestaan van dit district werd voor het eerst gesuggereerd in een tekst uit 1060. Aanvankelijk beschikten de stad Veurne en de kasselrij Veurne-Ambacht elk over een eigen bestuur. In 1586 werd echter overgegaan tot een fusie van beide entiteiten. Dit nieuwe district, dat als “de stad en kasselrij Veurne” bekend kwam te staan, werd bestuurd door een magistraat (een soort stadsregering) bestaande uit twee “burgemeesters-landhouders” en een variabel aantal “schepenen-keurheren”. De annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door het revolutionaire Frankrijk in 1795 zou uiteindelijk de doodsteek betekenen voor de stad en kasselrij Veurne.

Op 23 april 1796 werd de magistraat van dit district officieel ontbonden, waarmee definitief een einde kwam aan de unie die in 1586 tot stand was gebracht.

Er zijn bij het huidige Stadhuis twee naast elkaar liggende vleugels, elk met een topgevel. De linker, van vier traveeën, is van 1596, de rechter, van vijf traveeën, van 1612. De achtergevel is van 1599. De pui draagt een balkon dat wordt gedragen door ionische zuiltjes onder korfbogen. In het midden van het balkon bevindt zich het wapen van de kasselrij.

Bij de achtergevel bevindt zich een achthoekig torentje.

Rechts in het complex bevindt zich een doorgang. Rechts van de doorgang staat het Landshuis haaks op dit Stadhuis.

Vanaf 1830 verhuisde het Stadhuis naar de voormalige conciërgerie van het nieuwe Landshuis, dus naar de huidige locatie.

Het Stadhuis speelde tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol. Midden oktober 1914 kwam de Generale Staf van het Belgisch Leger zich in het Stadhuis vestigen. De bovenzaal werd ingericht tot werkkabinet van Koning Albert. In het Stadhuis werden onder meer de besprekingen gevoerd, die zouden leiden tot de onderwaterzetting van de IJzervlakte.

In 1939 werd aan de linkerzijde van het Stadhuis een aansluitend gebouw in neorenaissancestijl gebouwd.

(Bronvermelding : Wikipedia ; Onroerenderfgoed.be)



12. Landshuis met belfort

Het Landshuis (soms ook “Landhuis” genoemd) in Veurne is gelegen langs de  Grote Markt.

Het gebouw werd in 1613-1621 gebouwd als vervanging van het oude Landshuis, dat onmiddellijk naast het Stadhuis was gelegen.

In 1586 werden de twee besturen, die tot dan toe te Veurne bestonden, dat van de Stad en dat van de Kasselrij, verenigd. 

Het Landshuis was de zetel van de kasselrij tot de opheffing daarvan tegen het einde van de 18e eeuw.

Daarna werd het een Gerechtshof (tot 1982).

Tussen 1873 en 1879 werd de gevel gerestaureerd.

Tussen 1949 en 1952 werd de schade hersteld die tijdens de Tweede Wereldoorlog was aangericht.

Het gebouw is in Vlaamse renaissancestijl, voornamelijk in strakke, classicistische vormen.

De dakkapellen zijn weelderiger versierd.

In de nissen stonden aanvankelijk de beelden van de landvoogden Albrecht van Oostenrijk en Isabella van Spanje.

In het vierde kwart van de 19e eeuw werden deze beelden vervangen door allegorische beelden die de Vrede en de Gerechtigheid verzinnebeeldden.

De vestibule met kruisgewelven en stucwerk van 1719 herbergt het Bureau voor Toerisme.

De toren van het Landshuis is het Belfort van Veurne.

(Bronvermelding: Wikipedia)