De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
TORHOUT - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus werd een mooi panoramisch zicht getekend van de stad Torhout, een stad gelegen in de huidige provincie West-Vlaanderen.
We bemerken op deze prent 3 markante plaatsen, namelijk het Stadhuis (1), de Sint-Pietersbandenkerk (2) en de schietboom (gaaipers) van de Sint-Sebastiaansgilde (3).
We plaatsen deze 3 plaatsen in hun historische context.
Er zijn in Torhout een aantal prehistorische vondsten gedaan. Voor het Neolithicum (4500-1800 voor Christus) zijn verschillende types pijlpunten en fragmenten van gepolijste bijlen gevonden.
Er zijn ook aanwijzingen dat de omgeving van Torhout reeds intensief bewoond werd in de Romeinse tijd.
Vanaf de middeleeuwen tot de Franse Revolutie bestond Torhout uit Torhout-Binnen en Torhout-Buiten, elk met een eigen schepenbank en griffie. Torhout-Buiten maakte deel uit van het "Land van Wijnendale".
Het "Land van Wijnendale" was een belangrijke heerlijkheid van het "Brugse Vrije".
Over Torhout, geschreven als "Turholt", werd reeds geschreven in 683.
In 819 benoemde men Torhout als "Turholtensis".
In 834 schonk de Karolingische koning Lodewijk de Vrome Torhout aan Anscharius, bisschop van Hamburg-Bremen. Dit geschenk moest dienen voor het onderhoud van het nieuwe bisdom en om er een opleidingscentrum voor de evangelisatie van Scandinavië te vestigen.
In 835 werden de relieken van Sint-Donaas door bisschop Ebbo van Reims aan Anscharius geschonken en naar Torhout overgebracht.
Door het verdrag van Verdun (843) behoorde Torhout tot het rijk van Karel de Kale.
Circa 870 werden de relieken van Sint-Donaas door graaf Boudewijn I overgebracht naar de burg van Brugge, dit als bescherming tegen de invallen van de Noormannen.
Circa 879 werd de Torhoutse kerk en een klooster door de Noormannen verwoest.
Met het puin van de kerk zou graaf Boudewijn II (864-918) een versterkt castrum opgericht hebben, deel uitmakend van een verdedigingsstelsel tegen overzeese aanvallen en interne bedreigingen.
Deze grafelijke burcht lag waarschijnlijk aan de noordzijde van de huidige kerk. Volgens kronieken werd door graaf Arnulf II (960-988) een kerk bij deze burcht opgetrokken.
Circa 1073 werd onder impuls van graaf Robrecht de Fries het Sint-Pieterskapittel gesticht, dit ter gelegenheid van zijn overwinning bij Kassel.
Het kapittel stond onder het patronaat van de heer van Wijnendale.
Daaropvolgend werd tussen 1073-1085 de eerste romaanse
Sint-Pietersbandenkerk (2)
gebouwd.
Volgens een hypothese ontvouwde de plattegrond een middenbeuk, in het westen voorafgegaan door een voorkerk, een zich verder uitstrekkend transept en een diep afgesloten oostkoor.
Het middenschip werd begrensd door twee zware funderingsmuren. Rond de kerk lagen een kapittelzaal, de proosdij, woningen voor de kanunniken, een kapittelschool en een kerkhofmuur.
De "Vita Arnulfi" vermeldt in 1084 voor het eerst de jaarmarkt in Torhout. Vermoedelijk is deze markttraditie echter ouder, mogelijk dateert ze uit de eerste helft van de 11e eeuw.
In 1085-1095 liet graaf Robrecht de Fries op Wijnendale een houten burcht bouwen. Het kasteel was bedoeld als residentie voor de graven bij de jaarmarkten van Torhout.
Het werd gekenmerkt door een mottestructuur met opperhof met een ringvormige gracht en een uitgebreid neerhof.
De burcht bleef in het bezit van de grafelijke familie die er regelmatig verbleef. Graaf Karel de Goede (1083-1127) bracht er een deel van zijn jeugd door. Later werd het zijn favoriet buitenverblijf.
In 1146 werd Doornik een apart bisdom met drie aartsdiaconaten, met name Doornik, Brugge en Gent. Het aartsdiaconaat Brugge was onderverdeeld in drie dekenijen, Brugge, Oudenburg en Aardenburg. Torhout behoorde met het kapittel van Wijnendale tot de dekenij Oudenburg.
Vermoedelijk werd de grafelijke burcht aan de noordzijde van de kerk onder Diederik van de Elzas (1128-1168) afgebroken.
In 1183-1184 kreeg Torhout stadsrechten toegekend door graaf Filips van den Elzas (1136-1191). Dit was eigenlijk meer een bevestiging van een bestaande toestand. Het ging gepaard met de oprichting van het eerste "stedehuys" of
Stadhuis (1)
op de plaats van het huidige stadhuis op de Markt.
Torhout was in die periode geen gesloten stad: er waren geen poorten of muren, enkel een wal of "stedeveste".
Het bekendste verschil met het latere Torhout was de aanwezigheid van een groot marktplein ten zuidoosten van het huidige stadhuis, gelegen in de rechthoek tussen de huidige Zuidstraat, Bassinstraat, Boeiaardstraat en Hofstraat. Op dit grote plein waren tot de 16e eeuw gebouwen aanwezig als een lakenhalle, een belfort, een muntslagerij en een weegplaats.
Pas in de late 12e eeuw werd de toren van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
gebouwd.
Het hospitaal langs de Bruggestraat werd vermoedelijk gesticht circa 1228-1229. In de beginperiode was deze caritatieve instelling eerder een passantenhuis dan een verpleeginstelling.
In 1278 schonk graaf Gwijde van Dampierre (1226-1305) het Kasteel van Wijnendale en de stad Torhout aan zijn tweede echtgenote Isabella van Luxemburg. Wijnendale werd in datzelfde jaar door de Raad van Vlaanderen als een aaneengesloten heerlijkheid aan de vorst toegewezen.
In deze periode werd het houten kasteel van Robrecht de Fries vervangen door een stenen burcht. In de daarop volgende decennia speelde het slot een rol in de politieke gebeurtenissen in de Frans-Vlaamse ontvoogdingsstrijd.
Na de dood van Isabella van Luxemburg in 1298 kwam Wijnendale in de handen van Jan I van Namen (1298-1330). Kort na de invasie van Vlaanderen door Franse troepen (1300 en 1304-1305) werd Torhout geplunderd door Franse soldaten.
In 1302 werd het kasteel tijdens de opstand tegen Frankrijk belegerd door Vlaamse troepen onder leiding van Willem van Gullik en Jan I van Namen. Na 1305, onder Jan I van Namen werd Wijnendale gedegradeerd tot een gewoon jachtslot, dit ten voordele van het kasteel van Male (in Sint-Kruis bij Brugge).
In 1308 hertrouwde Jan I met Maria van Artois, met als huwelijksgeschenk het slot en de heerlijkheid.
In 1324-1325 werd het Kasteel van Wijnendale, tijdens de opstand van de Vlaamse kustvlakte tegen de financiële maatregelen van de overheid, zwaar beschadigd.
In 1335 kreeg Maria van Artois een forse grafelijke subsidie om het kasteel te herstellen.
De
Sint-Sebastiaansgilde (3)
, een gilde van de handboogschutters, werd opgericht in 1384.
De stichtingsakte en de geloofsbrief werden ondertekend door Filips II de Stoute (1342 - 1404), hertog van Bourgondië, graaf-gemaal van Vlaanderen, Artois en het vrijgraafschap Bourgondië.
Door het oprichten van deze schuttersgilde werden de dragers van een handboog uit de onwettelijkheid van vrijschutter gehaald.
In 1407 werd het Kasteel van Wijnendale en de rest van de heerlijkheid verkocht aan Jan I zonder Vrees (1371-1419 en graaf in 1404-1419). In 1409 schenkt deze Wijnendale als bruidschat bij het huwelijk van zijn dochter Maria van Bourgondië met hertog Adolf IV van Kleef-Mark (1373-1448).
In 1450-1485 herstelde Adolf van Kleef, heer van Ravenstein (1425-1492, zoon van bovengenoemde Adolf) het kasteel van Wijnendale en richtte het in met kunstobjecten.
In 1482 maakte Maria van Bourgondië (1457-1482, hertogin van Bourgondië en gravin van Vlaanderen in 1477-1482) een fatale val van haar paard in de bossen van Wijnendale. De dood van de hertogin zorgde voor de doorbraak van de Habsburgse dynastie met haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk (regeerperiode 1482-1494) en de aanstelling van hun zoon Filips de Schone tot vorst (regeerperiode in 1494-1506).
Na 1488 werd Wijnendale eigendom van Adolfs zoon Filips van Kleef, heer van Ravestein (1456-1528). Deze speelde een belangrijke rol in de opstand van de Vlaamse adel tegen het bewind van Maximiliaan van Oostenrijk.
Bij de herschikking van de bisdommen in 1559 werd het bisdom Brugge opgericht. In 1574 werd het bisdom opgedeeld in acht dekenijen, waaronder de dekenij Torhout met 17 parochies.
In 1566 werd de stad aangevallen door de Geuzen, waarbij de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
werd beschadigd.
Bij de Beeldenstorm, die in 1578 vanuit de calvinistische stadstaat Gent onze streken teisterde, werden deze kerk en de rest van het stadscentrum opnieuw verwoest.
Ook andere belangrijke gebouwen zoals het stadhuis, de lakenhallen en alle andere middeleeuwse gebouwen gingen hierbij verloren. Ook het Kasteel van Wijnendale werd aangevallen.
Over de vroege geschiedenis van de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
is niet zoveel bekend gebleven. De Beeldenstorm is daar niet vreemd aan.
De archieven van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
en de archieven van het
Stadhuis (1)
en van het Kasteel van Wijnendale gingen reddeloos verloren in de branden bij de Beeldenstorm.
Uit zijn “weerbare mannen” koos de stad eeuwenlang schutters die door hun handig omspringen met de handboog konden helpen instaan voor de beveiliging van de stad en zijn inwoners of bij de beteugeling van ongeregeldheden.
Om zich verder te bekwamen, moesten de handboogschutters die zich in de Sint-Sebastiaansgilde verenigden, wekelijks oefenen op staande doelen in de gildehof achter het “Oud Handbogenhof”.
Het “Oud Handbogenhof” bevond zich op een omvangrijk perceel langs de huidige Beerstraat in Torhout, niet zo heel ver van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
.
In 1587-1588 bezetten Spaanse troepen Torhout. Hollandse en Engelse vrijbuiters bleven echter vanuit Sluis en vanuit Oostende (tot 1604) de streek onveilig maken.
Op het einde van de 16e eeuw was Torhout dan ook nagenoeg ontvolkt en lagen bijna alle landbouwgronden braak.
Na 1592 verbeterde de toestand geleidelijk.
Ondanks een overeenkomst tussen de abdij van Hemelsdale en de stad Torhout in 1586-1587 om de tanende kloostergemeenschap in het hospitaal nieuw leven in te blazen verdween de oude kloostergemeenschap in 1590-1592 en werden de goederen van het hospitaal bij de bezittingen van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
gevoegd.
Vooral in de eerste helft van de 17e eeuw werd Torhout regelmatig geteisterd door pestepidemies.
In 1607-1617 werden het kapittel en de schepenbank terug ingesteld. Nog in 1617 werd gestart met de heropbouw van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
.
Nog in de vroege 17e eeuw werd een nieuw
Stadhuis (1)
gebouwd op de Markt.
In 1634 kwamen de Kleefse bezittingen, inclusief het land van Wijnendale, definitief in handen van Wolfgang Wilhelm von Neuburg (1578-1653), dit na een lange successieruzie tussen de keurvorsten van Brandenburg-Pruisen, Pfalz-Neuburg en het huis van Saksen.
In 1647 gaf de heer van Neuburg echter zijn Vlaamse bezittingen in pand aan de keurvorst van Brandenburg. Dit bleef zo tot in de late 17e eeuw.
Op deze prent van Sanderus uit de Flandria Illustrata zien we de gotische
Sint-Pietersbandenkerk (2)
("Collegiale en Prochykercke") met romaanse toren, het
Stadhuis (1)
en daar rond de niet ommuurde stad.
In de achtergrond is links het Kasteel van Wijnendale ("'t Casteel en Bosch van Winendale") afgebeeld.
Gedurende de 17e en 18e eeuw herstelden onze gewesten zich stilaan van de verwoestingen van de Beeldenstorm; ook de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
herleefde.
Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 bemerken we de “gaeypeertse” van de Sint-Sebastiaansgilde. Deze bevond zich toen waarschijnlijk niet meer langs de Beerstraat, maar reeds aan de Paardenmarkt, ter hoogte van het huidige kruispunt Bruggestraat – Karel De Goedelaan.
Eens per jaar, ter gelegenheid van de “Gaeydag” in het vroege voorjaar, werd “upwaerts” geschoten. Een “perse” (“Gaeypeertse”) werd dan gerecht en op de top getooid met een opzichtelijk gekleurde oppergaai, de koningsvogel. De schutter die op deze koningsschieting de oppergaai kon vellen, mocht zich voor een jaar “Koning van het Gild” noemen en werd dan ook als “sire” aangesproken. Ter gelegenheid van de “gaeyfeeste” eind juni, werd hij feestelijk ingehaald.
In 1647 werd het nog nieuwe
Stadhuis
(1) verwoest door een brand.
In 1658 staken Franse troepen de Zuidstraat en nog andere straten in brand waardoor de stad opnieuw in puin verviel.
In 1661 werd het Torhoutse hospitaal langs de Bruggestraat heringesteld. Dit werd in 1665 bekrachtigd door de heer van Wijnendale.
Daar het Concilie van Trente (1545-1563) bepaalde dat geen enkel klooster nog buiten de stadsvesten opgericht mocht worden, verlegde men de vestingbeek rond het hospitaal.
In 1667 bezetten Franse troepen Torhout. In 1668 werd het Kasteel van Wijnendale verwoest.
In 1675-1680 volgde nog eens een Franse bezetting.
In 1695 werd de binnenstad geplunderd en de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
vernield door Franse troepen.
In 1697 was er opnieuw een plundering door Franse troepen.
In de 18e eeuw onderging Torhout een aantal belangrijke en bepalende wijzigingen. Vooral de groei van een aantal kleinere ambachtelijk-industriële vestigingen, de aanleg van de steenwegen en de bevolkingsaangroei waren belangrijk.
In 1708 vond de zogenaamde "Battle of Wynendaele" plaats. Dit treffen tussen de Franse en Engelse troepen even buiten het domein van Wijnendale kaderde in de Spaanse Successieoorlog (1702-1714).
De Engelse troepen en hun bevoorrading kwamen aan via Oostende, Torhout en Kortrijk. De Franse troepen die deze bevoorrading wilden stilleggen, werden door Engelse en geallieerde troepen verslagen in Wijnendale.
Tussen 1711 en 1713 werd het huidige
Stadhuis (1)
gebouwd in opdracht van Karl Philip von Neuburg (1661-1742), heer van Wijnendale.
Hier vergaderden zowel de schepenbank van de stad als die van het Land van Wijnendale.
In de loop van de 18e eeuw werd het hospitaal uitgebreid met enkele nieuwe vleugels waardoor de U-vormige constellatie ontstond.
Vooral na de Vrede van Aken (1748) kenden de Zuidelijke Nederlanden een lange periode van relatieve rust.
Carl-Theodor von Neuburg, eigenaar en heer van Wijnendale speelde een belangrijke rol in de aanleg van nieuwe steenwegen wat op zijn beurt voor een economische ontsluiting van Torhout zorgde.
Tijdens het zogenaamde “ancien régime” waren er twee belangrijke scholen te Torhout: de kapittelschool en de school van de zusters van het hospitaal.
Op de Ferrariskaart van 1777 werd een schietboom getekend ter hoogte van de Paardenmarkt, het huidige kruispunt Bruggestraat – Karel De Goedelaan.
Deze schietboom behoorde waarschijnlijk toe aan de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
.
In 1792 ondergingen onze gewesten de invasie van de Franse troepen.
In 1793 - kort na de nederlaag bij Neerwinden - verlieten de Fransen Torhout. Geallieerde Engelse, Hessische en Hannoveriaanse troepen namen hun plaats in en sloegen in Torhout een groot legerkamp op. In 1794 vertrokken de geallieerde troepen opnieuw. Nog in hetzelfde jaar kwamen de eerste Franse troepen opnieuw aan te Torhout.
De Franse Revolutie en de daaropvolgende Franse overheersing probeerden alle sporen van het “ancien régime” uit te wissen.
Ook de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
werd opgedoekt, de onroerende eigendommen werden verbeurd verklaard als ‘des biens nationaux ’, en kwamen later als ‘zwart goed’ in andere handen terecht.
In 1795 werd het "Leiedepartement" opgericht, waaronder Torhout een bestuurlijk en rechterlijk kanton was.
Vanaf 1795 werd het Kasteel van Wijnendale geplunderd. De vroegere heerlijkheid werd nu beheerd door de "Administratie van de Nationale Domeinen", die tot 1820 de goederen van de heerlijkheid verpachtte.
In de periode 1793-1802 onderging de paardenhandel in de streek een belangrijke impuls, dit onder meer door maatregelen van de Franse prefectuur te Brugge.
In 1797 werd het klooster in het hospitaal opgeheven. Na in juli heringesteld te zijn, werd dit klooster in november dan toch definitief afgeschaft.
De
Sint-Pietersbandenkerk (2)
werd gedurende drie weken gesloten. Het kapittel werd afgeschaft. Het hospitaal werd later als nationaal domein verkocht.
In 1802 werd het Bisdom Brugge opgeheven en bij het bisdom Gent gevoegd. De dekenij Roeselare werd afgeschaft en bij Torhout gevoegd.
In 1806 werd aansluitend bij het
Stadhuis (1)
een gevangenis gebouwd.
In 1809 werd buiten de stadskern achter de Paardenmarkt een nieuwe begraafplaats aangelegd (Bruggestraat). Het 'oud kerkhof' rond de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
verviel hierdoor geleidelijk aan.
Vanaf 1809 groeide de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
opnieuw uit tot een gerenommeerde schuttersgilde met wekelijkse oefenschietingen, ‘beschrijven’ en jaarlijkse ‘schietspelen’ waaraan ook verafgelegen schuttersgilden deelnamen.
Van stedelijke militie was de vereniging ondertussen geëvolueerd naar een zuiver recreatieve schuttersgilde. Vanaf dan ontfermde de stad zich over de infrastructuur van zijn oudste vereniging en voorzag de gilde van ‘perse, pijlenschutsel en droog onderkomen’ langs de Paardenmarkt.
Uit het 'oude kerkhof' werden na de verplichte afschaffing ervan in 1811 en de verhuis van het kerkhof naar de huidige begraafplaats in 1834 (Bruggestraat) tuinpercelen verkaveld.
In 1816 verwierf de stad Torhout de gebouwen van het hospitaal, die tijdens de Franse periode als stapelplaats en gendarmerie werden gebruikt. ER werd ook een pensionaat in een deel van deze gebouwen ondergebracht.
In 1816 werd de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
gesloten wegens instortingsgevaar. In 1818-1823 werden herstellingswerken uitgevoerd.
In 1823 werden de districten herleid tot de nu nog bestaande bestuurlijke arrondissementen. Torhout ressorteerde nu onder het arrondissement Brugge en was niet langer de administratieve hoofdplaats voor het "Houtland" op kantonaal niveau.
Het Kasteel van Wijnendale werd in 1825 te koop aangeboden en gekocht door de "Société Lefebvre-Dehulst", een groep industriëlen uit de Borinage, die tussen 1822 en 1828 investeerde in goederen van de vroegere heerlijkheden.
In de periode 1825-1835 werd het bos van Wijnendale bijna volledig gekapt.
In 1833 werd het ruïneuze Kasteel van Wijnendale verkocht aan de familie Matthieu. Deze familie herstelde het opnieuw in zijn oude glorie als buitenverblijf.
In de decennia daarna werden diverse gebouwen opgetrokken.
In 1834 werd het kerkhof rond de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
overgebracht naar de Bruggestraat.
In 1836 werd de stad Torhout de volledige eigenaar van het hospitaal. Vanaf 1840 deden de gebouwen dienst als tehuis voor ouderlingen. In 1837 werd het bisdom Brugge heropgericht.
Vanaf 1843 werden er verschillende infrastructuurwerken aangevat in de binnenstad.
In 1845 werd de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
uitgebreid met twee zijbeuken.
De bestaande sacristie werd vernieuwd, een nieuwe sacristie werd gebouwd.
In 1845-1847 werd de spoorlijn Brugge-Kortrijk aangelegd, met een eerste stationsgebouw te Torhout in 1846-1847.
In de periode 1845-1848 kent Torhout een economische en demografische crisis ten gevolge van misoogsten en de verlate mechanisering van de weefnijverheid. Bijna de helft van de bevolking kreeg financiële steun.
In 1846 werd de Normaalschool van Roeselare naar Torhout overgebracht.
In 1863 werd de Zwanenstraat verbreed, waardoor de westgevel van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
vrij kwam te staan.
In 1864 werd de oude gevangenis achter het
Stadhuis (1)
gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw met onder meer een muziekschool.
De Beerstraat maakte samen met de Zwanestraat en de Breidelstraat deel uit van de cirkelvormige omringing van de
Sint-Pieters-Bandenkerk (2)
.
Het perceel van het 'oud kerkhof' werd, na de verplichte afschaffing ervan in 1811 en de verhuis van het kerkhof naar een buiten de stad gelegen perceel, verkaveld.
Het "Oud Handbogenhof" van de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
werd afgebroken; in de plaats daarvan werden de Congregatiekapel (die werd vernietigd tijdens de Tweede Wereldoorlog) en andere gebouwen opgetrokken.
In 1872-1877 werd het hospitaal uitgebreid met ziekenzalen, ziekenkamers, een kloostergebouw en een kapel.
In het derde kwart van de 19e eeuw kende Torhout een economische heropbloei door de groei van onder meer de textiel- en de weegtuigenindustrie.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden Duitse kampen opgericht en gebouwen ingenomen in Torhout. In 1916 werden Duitse doelwitten door de geallieerden met luchtbombardementen bestookt. De geallieerde bombardementen op Torhout van oktober versnelden de Duitse aftocht. Bij deze aftocht werden spoorweginstallaties, molens en depots opgeblazen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
de activiteiten nog eens tijdelijk staken en hun handbogen bij de bezetter inleveren.
Ook de toren van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
werd opgeblazen. In 1922-1923 werd de Sint-Pietersbandenkerk heropgebouwd met een nieuwe toren.
Na de Eerste Wereldoorlog was er een explosieve groei van kleine bedrijfjes in de weegtuigenindustrie, maar door de economische crisis van 1929 gingen vele hiervan failliet.
In de Tweede Wereldoorlog (1940) werd Torhout gebombardeerd door de Duitse 'Luftwaffe'.
Onder meer de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
, de Congregatiekapel in de Beerstraat en enkele burgerhuizen werden getroffen.
In 1944 werd Torhout door Canadese troepen bevrijd.
In 1947-1948 verving het Sint-Rembertziekenhuis in de Sint-Rembertlaan het oude hospitaal in de Bruggestraat.
In de periode 1950-1980 veranderde de binnenstad grondig van uitzicht. Zo werden de huisjes rond de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
ontmanteld.
Het bij het
Stadhuis (1)
aangebouwde huis en de muziekschool werden gesloopt waardoor het stadhuis, vrij kwam te staan.
Het
Stadhuis (1)
werd gerestaureerd van 1995 tot 1997.
De wederopbouw van de
Sint-Pietersbandenkerk (2)
in neoromaanse stijl sleepte aan tot 1953-1955. Sindsdien werd de kerk niet meer gewijzigd.
Beide hoogdagen uit het schuttersseizoen van de
Sint-Sebastiaansgilde (3)
worden tot op vandaag uitdrukkelijk gevierd en in ere gehouden: de Koningsschieting gaat jaarlijks door op 1 mei (Gaeydag) terwijl de feestelijkheden van het
Sint-Sebastiaansfeest gepland worden op de laatste zondag van juni (Gaeyfeest).
(Bronvermelding: deze tekst werd opgesteld in 2025 en is gebaseerd op info van Wikipedia, Onroerenderfgoed.be en St-Sebastiaansgilde.be)