De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
TORHOUT - KASTEEL VAN WIJNENDALE
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Het Kasteel van Wijnendale is een waterburcht, gelegen in de bosrijke omgeving van het Wijnendalebos in het West-Vlaamse Houtland en het Brugse Ommeland, op 3 km van de stad Torhout in de provincie West-Vlaanderen. Het huidige kasteel is grotendeels een 19e-eeuwse reconstructie. Een deel van de noordelijke vleugel is 15e-eeuws.
De oorspronkelijke burcht werd, volgens de kronieken, opgericht door Robrecht de Fries, graaf van Vlaanderen, op het einde van de 11e eeuw. De oudste vermelding van de burcht in een eigentijdse bron dateert uit 1127. Hieruit blijkt dat de burcht als uitvalsbasis voor militaire operaties werd gebruikt.
Vanaf het midden van de 12e eeuw en vooral in de late 13e eeuw werd Wijnendale een regelmatige verblijfplaats van de graven van Vlaanderen. In 1168 kwam graaf Filips van de Elzas hier al samen met zijn hofraad. In 1187 is er voor het eerst sprake van een kapel. De bosrijke omgeving was een uitgelezen jachtterrein voor de grafelijke familie en haar gasten. Op de burcht vond ook diplomatiek overleg plaats. In 1297 sloot Gwijde van Dampierre er een alliantieverdrag met de Engelse koning Edward I.
In 1298 kwam Wijnendale door vererving in handen van de graven van Namen, een jongere tak van het Huis Dampierre.
Graaf Jan I van Namen erfde samen met de burcht van Wijnendale ook de gelijknamige heerlijkheid, die twintig jaar tevoren door zijn vader Gwijde van Dampierre was gevormd.
Wijnendale onderging zware belegeringen, onder meer in 1302 (Guldensporenslag), maar werd telkens heropgebouwd.
Tot 1366 resideerde de grafelijke familie van Namen regelmatig in Wijnendale.
Na een periode van verwaarlozing verkocht graaf Jan III van Namen in 1407 de burcht en de heerlijkheid aan de Bourgondische hertog Jan zonder Vrees. Die schonk het drie jaar later op zijn beurt aan zijn schoonzoon, graaf (en vanaf 1417 hertog) Adolf IV van Kleef-Mark, als onderpand voor de bruidsschat van zijn dochter Maria.
In 1463, na een erfdeling binnen de hertogelijke familie, kwam Wijnendale in handen van een jongere tak van de hertogen van Kleef, de heren van Ravenstein. Adolf van Kleef-Ravenstein en zijn zoon en opvolger Filips van Kleef verbouwden de burcht tot een schitterend jachtslot en ontvingen er vorsten en edellieden.
Tijdens een jachtpartij in Wijnendale in 1482 maakte hertogin Maria van Bourgondië een dodelijke val van haar paard. Na haar dood barstte een oorlog uit tegen haar weduwnaar, de autoritaire aartshertog Maximiliaan I van Oostenrijk. Omdat kasteelheer Filips van Kleef in 1488 de zijde van de opstandelingen koos, richtten Duitse troepen vernielingen aan op het kasteel en het neerhof. De mooie paardenstallen, de trots van het kasteeldomein, werden platgebrand. De kasteelheer liet de schade echter herstellen en breidde zowel het kasteel als het neerhof uit.
Vooral na 1523, toen hij zijn kasteel van Edingen was kwijtgeraakt, bracht Filips van Kleef veel tijd door op Wijnendale en ontving er zijn vrienden. Bij zijn dood in 1528 werd een inventaris van het kasteel opgemaakt, dat toen drie verdiepingen en ruim vijftig kamers telde, waaronder heel wat gastenkamers.
Na de dood van Filips van Kleef in 1528 keerde Wijnendale terug naar de hoofdtak van de hertogen van Kleef. Die resideerden zelf niet op het kasteel, maar er logeerden wel hoge gasten. Hun vorstelijke verwanten keizer Karel V en landvoogdes Maria van Hongarije verbleven meermaals in het kasteel. In de tweede helft van de 16e eeuw daalde de interesse van de Kleefse hertogen voor hun Vlaamse bezittingen. De godsdienstoorlogen en de Opstand tegen Spanje leidden in 1578 tot de vernieling van een gedeelte van het kasteel, waarbij ook de donjon in de vlammen opging.
In 1609 stierf de zwakzinnige hertog Johan Willem van Kleef kinderloos. Hierop barstte een opvolgingsstrijd los, die in 1614 eindigde met het Verdrag van Xanthen. De heerlijkheid Wijnendale kwam zo in handen van de hertogen van Palts-Neuburg.
Het verdrag werd echter betwist door een andere pretendent, de keurvorst van Saksen, die de steun van de Rooms-Duitse keizer genoot. In 1610 was keizer Rudolf II namelijk overgegaan tot de investituur van Christiaan II van Saksen als heer van Wijnendale. De keurvorst nam de heerlijkheid en het kasteel ook effectief in bezit. Deze situatie duurde tot 1634, toen een vonnis van de Geheime Raad in Brussel Wijnendale definitief toewees aan Wolfgang Willem van Palts-Neuburg.
De hertogen van Palts-Neuburg hielden het kasteel en de heerlijkheid in hun bezit van 1634 tot 1669 en opnieuw van 1690 tot 1795. In de tussenperiode 1669-1690 moest hertog Filips Willem van Palts-Neuburg Wijnendale tijdelijk afstaan aan de prinsen van Schwarzenberg als onderpand voor de definitieve verdeling van de Guliks-Kleefse erfenis, geregeld bij het Verdrag van Kleef (1666).
Bij de talrijke invallen van koning Lodewijk XIV van Frankrijk in Vlaanderen, werd het Kasteel van Wijnendale afwisselend door Franse en Spaanse troepen bezet. In 1690 zette het Franse leger de grote middelen in en blies een gedeelte van het kasteel op. Hierbij werden onder meer de brug, de kapel en de gevangenis vernield. In 1699-1700 liet hertog Johan Willem van Palts-Neuburg het puin ruimen en het kasteel heropbouwen. Bij die gelegenheid kwam er een nieuwe, bakstenen toegangsbrug.
Op 28 september 1708, tijdens de Spaanse Successieoorlog, vond in Wijnendale een militair treffen plaats tussen Franse en Geallieerde troepen. Het kasteel zelf liep toen relatief weinig schade op.
Tijdens de 17e en 18e eeuw deed het kasteel dienst als residentie van de gouverneur van de heerlijkheid Wijnendale. De eigenaars zelf verbleven in hun Duitse kastelen.
In 1792 vielen Franse revolutionaire troepen de Oostenrijkse Nederlanden binnen en maakten een einde aan de feodale rechtsorde van het ancien régime. De heerlijkheid en het kasteel werden aangeslagen door de Franse Staat, die het beheerde als nationaal goed.
In 1811 verwoestten troepen van keizer Napoleon Bonaparte het kasteel grondig, zodat er enkel ruïnes overbleven.
In 1825, tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, werd het kasteeldomein openbaar verkocht aan een Waalse, industriële groep Lefebvre-Dehults. Die liet het bos van Wijnendale vakkundig leegkappen. Het faillissement van haar financier, bankier Isidore Warrocqué, noopte tot de verkoop van Wijnendale. In 1833 werd het kasteeldomein gekocht door de Brusselse bankier en verzekeraar Josse-Pierre Matthieu. Tussen 1837 en 1852 liet hij het kasteel volledig heropbouwen, met integratie van het bewaarde gedeelte van de laatmiddeleeuwse rechtervleugel.
Zijn zoon Joseph Louis Matthieu gaf in 1877 de opdracht het kasteel te verbouwen tot het geromantiseerde, middeleeuws aandoende waterslot dat er vandaag nog staat. Het poortgebouw dat maar enkele decennia tevoren was gebouwd, werd afgebroken en herbouwd. Hierdoor kreeg het een militaristische aanblik. De nieuwe oprijlaan kwam te liggen in het verlengde van de steenweg naar Torhout. Aan weerszijden van het kasteel verrezen twee hoge torens.
Het 19e-eeuwse ontwerp hiervan is wellicht geïnspireerd op de traptorens afgebeeld op deze prent van de Flandria Illustrata van Sanderus, die overigens slanker zijn.
Op 25 mei 1940, na de inval van België door nazi-Duitsland, had in Wijnendale het laatste en dramatische gesprek plaats tussen koning Leopold III van België en vier leden van zijn regering. Hoewel de capitulatie nabij was, weigerde de koning samen met zijn ministers naar het buitenland te vluchten om daar de strijd voort te zetten. Als opperbevelhebber van het leger wilde hij bij zijn troepen blijven en zich krijgsgevangen laten nemen. Dit conflict leidde na de oorlog tot de Koningskwestie.
De familie Matthieu de Wynendaele is vandaag nog steeds eigenaar van het kasteel en bewoont een gedeelte ervan.
(Bronvermelding: Wikipedia)