De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
TIELT - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 wordt een panoramisch zicht weergegeven van de stad Tielt, in de huidige provincie West-Vlaanderen.
De vroegste geschiedenis van Tielt is amper gekend.
Graaf Boudewijn V reorganiseerde in de 11e eeuw zijn graafschap waardoor kasselrijen werden ingesteld. De 22 parochies van de "Roede van Tielt" maakten vanaf dan deel uit van de kasselrij Kortrijk.
De eerste vermelding van de naam “Tielt” gebeurde pas in 1105, tegelijk met die van de
Sint-Pieterskerk (1)
.
De Sint-Pieterskerk werd gebouwd in de vroege 12e eeuw. Het was oorspronkelijk een romaanse veldstenen kruiskerk.
Het Sint-Pieterspatrocinium kan wel op een vroege oorsprong (7de-8ste eeuw) wijzen. Van vroegmiddeleeuwse bewoning zijn in Tielt tot nu toe evenwel geen archeologische restanten teruggevonden. Wel zijn bij archeologisch onderzoek in het centrum Romeinse vondsten gedaan.
Robrecht van Tielt schonk in 1105 zijn kerk aan het Sint-Salvatorskapittel van Harelbeke. Later volgden als heren van Tielt nog een zekere Folket in 1128 en zijn zoon Willem in 1163.
Ergens tussen 1237 en 1275 kreeg Tielt stadsrechten.
Tussen 1260 en 1275 sticht Margaretha van Constantinopel aan de oostzijde van de markt een
Hospitaal (5)
of "passantenhuis" voor arme pelgrims. Dit verkreeg een deel van de stedelijke inkomsten onder meer via schenkingen in 1295 van Gwijde van Dampierre.
Beatrijs van Brabant, (erf)vrouw van Kortrijk, stond in 1275 de Tieltenaars toe om een Lakenhalle te bouwen op de Markt ten westen van het
Hospitaal (5)
. Vermoedelijk werd in de loop van de 13e eeuw naast de Lakenhalle ook een stenen Belfort opgetrokken, hoewel sommige bronnen reeds een Belfort, weliswaar opgetrokken in hout, situeren in de 12e eeuw.
In elk geval waren het
Belfort en de Lakenhalle (2)
reeds gebouwd tegen het einde van de 13e eeuw.
In 1307 gebeurde een definitieve vastlegging van de grenzen van "Tielt-buiten", het omliggende landelijk gebied dat behoorde tot de Roede van Tielt en waarbinnen een vijftigtal heerlijkheden rechtspraak hielden.
"Tielt-binnen" of het schependom zelf had een bestuur bestaande uit een baljuw, een schout, vijf - later zeven - schepenen, een ontvanger en een college van raadsleden; daarnaast was er ook de poorterij, het eigen wapen, het tolrecht, het politiereglement en de autonome rechtspraak.
Na 1316 wordt aan het Hospitaal aan de Markt een kloostergemeenschap van de Heilige Alexis toegevoegd die de regel van Sint-Augustinus volgde. De geestelijke leiding was wellicht in handen van de kapelaan van het hospitaal, aangesteld door het kapittel van Harelbeke. Het Hospitaal werd vanaf dan bediend door de zusters van het Alexianenklooster (dit klooster vormt thans een gedeelte van het huidige stadhuis). Vanaf dit moment kunnen we dit complex benoemen als het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
.
In 1342 werd het begijnhof van "Sinte-Margriete te Bethlehem" opgericht aan de huidige Bruggestraat, aan de zuidoostzijde van de straat, op de zogenaamde "Quaede Acker", een gebied ten noordoosten van de Markt, begrensd door de noordzijde van de Markt, de Bruggestraat, de Poekebeek, de Sint-Janstraat en de Kalverstraat. Dit begijnhof werd opgericht onder impuls van gravin Margareta van Constantinopel (1244-1278).
In Tielt was vooral de lakennijverheid de motor van de ontwikkeling en bloei. De Lakenhalle was hiervan de exponent.
In 1381 richtten de Gentse "Witte Kaproenen" grondige verwoestingen aan in Tielt en de omgeving in hun opstand tegen Lodewijk van Male. De Lakenhalle werd grotendeels vernield, alle oorkonden en privilegies gingen verloren en er was een serieuze daling van de weefnijverheid.
In de slag bij Westrozebeke in 1382 bracht Lodewijk van Male met de hulp van het Franse leger de opstandige Gentenaren een verpletterende nederlaag toe waarbij onder meer de
Sint-Pieterskerk (1)
in de as gelegd werd. De goederen van enkele Tieltse grondheren en hun leenmannen die de kant van Gent hebben gekozen, werden verbeurdverklaard.
De slag bij Westrozebeke had zeker ook gevolgen voor het Tieltse gebouwenpatrimonium en veroorzaakte waarschijnlijk een belangrijke (nieuw)bouwactiviteit.
De
Sint-Pieterskerk (1)
werd wellicht bij het herstel in de loop van de 14e eeuw uitgebouwd tot een driebeukige hallenkerk.
Als teken van verzoening en omwille van het verlies van alle akten tijdens de plunderingen, bevestigde de Bourgondische hertog Filips de Stoute in 1385 de rechten en vrijheden van Tielt.
In 1393 gaf hij tevens de toelating om een vrije jaarmarkt te organiseren.
Tegen 1406 was de Lakenhalle herbouwd met op de verdieping een schepenkamer die vanaf 1418 via een bordes bereikbaar was.
De
Sint-Sebastiaansgilde (7)
(handboog) en de
Sint-Jorisgilde (6)
(voetboog) hadden vanaf 1409 een schietbaan en gildehuis aan de zuidzijde van de Hoogstraat. Ze lieten zich opmerken bij verschillende militaire operaties.
In 1429 bevestigde Filips de Goede de oude voorrechten van de stadsmilities zoals de Sint-Sebastiaansgilde en Sint-Jorisgilde, doch beperkte tegelijk hun bewapening en ledenaantal.
Zoals op veel andere plaatsen in Vlaanderen werd vanaf de 15e eeuw de wolweverij in Tielt vervangen door de vlasteelt en de linnenweverij.
Door het oorlogsgeweld, eerst in 1452 door het leger van Filips de Goede en in 1453 door de Gentse "Groententers" die tegen de Bourgondische hertog in opstand gekomen waren, brandde de Lakenhalle en het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
uit en werd onder meer ook de
Sint-Pieterskerk (1)
verwoest.
Bij de herstellingswerken in onder meer 1466 en 1468 kreeg het
Belfort (2)
een campanilevormige bekroning.
In 1491 kende de stad opnieuw een gewelddadig optreden door de Gentenaars, die onder meer de economische positie van opkomende steden in hun hinterland wilden verzwakken. Het kaderde ook in de rebellie van Gent tegen graaf Maximiliaan vna Oostenrijk.
Hierbij werden opnieuw de
Lakenhalle (2)
en ditmaal ook het
Belfort (2)
geteisterd, net als het Tieltse begijnhof aan de Bruggestraat dat definitief verdween, waarna de Grauwe Zusters in 1494 hun intrek namen in de gebouwen, die werden omgevormd tot het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
.
Thans herinnert de naam “Begijnestraat” in Tielt nog aan de vroegere aanwezigheid van dit begijnhof, al ligt deze straat niet op de plaats van het vroegere begijnhof.
In 1510 verwierf de
Sint-Sebastiaansgilde (7)
een nieuw schuttershof aan de Veemarkt, de huidige hoek van het Rame- en Hulstplein, waar ook het gildenhuis of de herberg "Sint-Sebastiaan" werd opgetrokken.
In 1515 wordt het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
van de Alexianen herbouwd.
In 1534 werd dit hospitaal uitgebreid.
In 1544 werd het oostkoor van de
Sint-Pieterskerk (1)
heropgebouwd en uitgebreid.
In 1545 werden het
Belfort en de Lakenhalle (2)
hersteld.
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) kreeg de streek rond Tielt het hard te verduren. Tussen 1579 en 1584 werd
Tielt herhaaldelijk door de "Malcontenten" en Spaanse garnizoenen geteisterd en in 1587 maakten de vrijbuiters van Sluis de streek onveilig.
In 1579 wordt de stad in de as gelegd waarbij onder meer de
Sint-Pieterskerk (1)
, en het
Belfort (2)
, de kapel van het voormalige begijnhof, het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
en het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
in puin lagen.
De Lakenhalle werd in 1587 door Sluizenaars en Duitse huurlingen andermaal geplunderd, waarbij de schepenkamer in onbruik raakte.
De bevolking week uit en de meeste schepenen zochten een veilig onderkomen in Brugge. Er werd wel een burgerwacht aangesteld en de stad werd versterkt met een houten schutting en een soort fort op het kerkhof naast de
Sint-Pieterskerk (1)
.
De lokale economie had sterk te lijden onder deze crisis.
Na het oorlogsgeweld had de streek nog te kampen met epidemieën (onder meer pest), hongersnood, heksenwaan en vrijbuiterij.
De stad begon aan een langzaam herstel en wederopbouw onder meer van het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
in 1591 met uitbreiding van het gebouwenbestand aan de noordzijde (doch opnieuw in puin gelegd in 1595) en van het koor en de zuidbeuk van de
Sint-Pieterskerk (1)
in 1594-1596.
In 1593 stortte de Lakenhalle in door een storm.
Bij de eind-16e-eeuwse troebelen werd in Tielt lelijk huis gehouden.
De wederopbouw van de stad kwam pas goed op gang tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621).
Tussen 1610 en 1616 werd de rest van de
Sint-Pieterskerk (1)
hersteld en vanaf 1614 werden de Lakenhalle en de schepenkamer gerestaureerd.
Tussen 1617 en 1639 gebeurden herstel- en uitbreidingswerken aan het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
.
De Grauwe Zusters keerden in 1613 terug en bouwden hun
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
aan de Bruggestraat weer op en richtten er een nieuwe, grotere kapel op. Ze legden zich toe op het meisjesonderricht, aangezien een reeds bestaand kerkschooltje alleen jongens toeliet.
De minderbroeders of recolletten, die later het
Minderbroedersklooster (3)
in Tielt zouden oprichten, vestigden zich in 1624 eerst op het "Gruythof", tussen de Kortrijkstraat en de Nieuwstraat.
In 1634 vestigden de minderbroeders zich op het ruimere "Poekhof", tussen de Kortrijkstraat en de Ieperstraat.
In 1638 verhuisde het schuttershof van de
Sint-Jorisgilde (6)
van de zuidzijde van de Hoogstraat naar het domein tussen de zuidkant van de Markt en het Vijverstraatje, met de bouw van een nieuw hof en huis aan de Markt.
Op deze prent van Sanderus staat dit schuttershof nog getekend aan de Hoogstraat.
Tussen 1638 en 1640 werd aan de westzijde van het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
een nieuwe kapel gebouwd ter ere van de Heilige Augustinus en Heilige Alexis.
Het circa 1644 voltooide
Minderbroedersklooster (3)
bestond uit een pandgang, kapel, refter, keuken, kapittelzaal, ziekenzaal en gastenkamer.
Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1616-1648), de laatste fase van de Tachtigjarige Oorlog, trokken opnieuw huurlingenlegers door Tielt. In 1645 teisterden verscheidene compagnieën van het Spaanse leger Tielt en omstreken. Ze werden teruggedreven door Franse troepen die de stad binnenvielen en onder meer de
Sint-Pieterskerk (1)
in de as legden.
Het
Minderbroedersklooster (3)
, het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
en het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
werden geplunderd.
In 1647 stortte de toren van de
Sint-Pieterskerk (1)
in.
Circa 1649-1652 werd het domein van het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
verder uitgebreid aan de noordzijde.
Het
Minderbroedersklooster (3)
werd in 1651 nog uitgebreid met een een brouwerij.
De
Sint-Pieterskerk (1)
kende omstreeks 1654 restauratiewerken aan het oostelijk deel.
De kapel van het
Minderbroedersklooster (3)
brandde in 1660 grotendeels af.
In 1660-1661 werd de gesloten benedenverdieping van de
Lakenhalle (2)
omgebouwd tot een open gaanderij; er werd tevens een nieuwe schepenkamer gebouwd tussen 1659 en 1662.
In 1682 werd het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
omgevormd tot een slotklooster. De zusters namen een strengere leefregel aan en legden zich toe op de verzorging van vrouwelijke geesteszieken. Vanaf dan noemde men dit klooster ook wel “Klooster van de Grauwe Zusters-Penitenten”.
In 1704 lieten de broeders van het
Minderbroedersklooster (3)
hun kloostertuin door een gracht omringen. De in 1660 afgebrande kapel van dit klooster werd in 1707 vervangen door een sobere barokke kloosterkerk.
Na de Spaanse Successieoorlog (1702-1713), kende Tielt onder Oostenrijks bewind een periode van relatieve rust en vooruitgang gekenmerkt door demografische expansie, economische ontsluiting en uitbreiding van het wegennet.
In 1716 werd de gracht van het
Minderbroedersklooster (3)
weer gedempt en vervangen door een lange muur.
In 1718-1719 werd de campanile van het
Belfort (2)
grondig gerestaureerd.
Tussen 1719 en 1735 werd de
Sint-Pieterskerk (1)
gerestaureerd. In 1719-1720 werd een nieuwe, nu achtkantige, torenspits, opgetrokken.
In 1720-1721 werd een nieuw collegebouw van het
Minderbroedersklooster (3)
aan de Kortrijkstraat opgetrokken.
In 1724 werd een deel van het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
, met name het voormalige "Hauweelhof", afgesloten door een muur met kruiswegnisjes, waarvan thans nog een deel bewaard is aan de noordzijde van het Generaal Maczekplein, als tuinmuur van het "Huis De Brabandere" in de Bruggestraat.
In 1777 werd de
Lakenhalle (2)
gerestaureerd, waarbij een nieuwe stadsgevangenis onder de toren werd ingericht, dit ter vervanging van de gevangenis aan het voormalige vleeshuis in de Hoogstraat.
Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog verschenen in 1795 Franse troepen in Tielt, waarbij heel wat inwoners de stad ontvluchtten. Kort daarop gebeurde opnieuw de inname door het Oostenrijkse leger dat een zestal weken in de stad bivakkeerde.
Na enkele dagen verlieten de Oostenrijkse troepen de stad die opnieuw werd ingenomen door de Fransen.
Na de inlijving van onze gewesten bij Frankrijk op 1 oktober 1795 verviel de traditionele tweedeling Tielt-binnen en Tielt-buiten. De stad werd kantonhoofdplaats van één der vier arrondissementen van het Leiedepartement.
De
Sint-Sebastiaansgilde (7)
en de
Sint-Jorisgilde (6)
werden ontbonden en de twee schuttershoven werden als nationaal domein verkocht.
In 1797 werden de Zusters Alexianen uit het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
gezet. De kloostergebouwen werden niet verkocht maar bleven in Frans bezit.
De gebouwen van het
Minderbroedersklooster (3)
werden verkocht. De aankoop gebeurde via stromannen, zodat deze enkele jaren later het klooster opnieuw in bezit kregen. In het college in de Kortrijkstraat werd in 1798 een "Tempel der Wet" opgericht.
In 1798 nam de Franse overheid ook het
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
in beslag (later kwam het in privé-handen en werd een deel ervan aan de stad geschonken).
In 1799 werd ook het meubilair van de
Sint-Pieterskerk (1)
door een stroman voor rekening van de kerkfabriek opgekcoht.
Onder Frans bewind tekende zich een ruime afzetmarkt af voor de landbouw en voornamelijk voor de lijnwaadproductie.
De stad verwierf door gedwongen onteigening het voormalige
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
aan de Bruggestraat. In 1814 werd in de gebouwen een spinschool ondergebracht. Op het voormalige kloosterdomein werd in 1820 de Lakenmarkt gebouwd, een rechthoekig plein gevormd door een imposante meetzaal in empirestijl en twee overdekte gaanderijen, met toegang vanaf de Bruggestraat. In 1823 werd een hospitaal voor bejaarde vrouwen in het voormalige klooster ondergebracht. De kapel werd omgevormd tot stedelijke feestzaal en een deel ervan werd benut als archief en bibliotheek. Nog later wordt de stedelijke tekenschool er in gehuisvest.
In 1829 werd het pensionaat "Sainte-Marie" opgericht in een hoekpand van de Karnemelkstraat en de Hoogstraat, op het voormalige oefenterrein van de
Sint-Jorisgilde (6)
. Vanaf 1838 betrekken ze de nieuw gebouwde "Sinte-Mariaschool" aan de Krommewalstraat, waar vanaf 1849 naast het basis- en middelbaar onderwijs ook de eerste West-Vlaamse vrije lagere normaalschool ontstaat.
In de Hollandse periode (1815-1830) fungeerde Tielt als hoofdplaats van een 17 gemeenten tellend district.
In 1834 werd het bisdom Brugge opnieuw opgericht, dat vanaf dan het decanaat Tielt omvatte.
In 1835-1836 werd de rijkswachtkazerne overgebracht naar de gebouwen van het voormalige
Klooster van de Grauwe Zusters (4)
.
In de resterende delen van het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
aan de Markt openden enkele Zusters Apostolinen uit Brugge in 1839 een leer- en werkschool (dit complex werd vanaf 1849 ook ingericht als weeshuis voor meisjes en enkele jaren later uitgebreid met een kleuterklas; het complex verhuisde in 1866-1867 naar de Ieperstraat).
In de jaren 1830-1840 werd de economische toestand ondertussen precair. Samen met enkele opeenvolgende misoogsten van aardappelen leidde dit tot stijgende voedsel- en grondstofprijzen en veralgemeend pauperisme. De crisis bereikt een hoogtepunt in 1845 met als nasleep een tyfusepidemie waardoor de bevolking sterk terugviel.
De Lakenmarkt werd in 1860 doorbroken bij de aanleg van een doorgang naar het gewezen
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
.
In 1869 werd het oude kerkhof aan de
Sint-Pieterskerk (1)
geëffend en de poortmuur afgebroken.
In 1871-1873 worden op de Markt onder meer de kapel van het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
gesloopt voor de bouw van het nieuwe stadhuis.
In de rest van het vroegere
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
werden onder meer het vredegerecht, de griffie, het politiecommissariaat en gevangeniscellen gehuisvest.
In 1881 gebeurden er ingrijpende aanpassingswerken en restauratiewerken aan het
Belfort en de Lakenhalle (2)
De gaaipers van de
Sint-Sebastiaansgilde (7)
bleef nog tot in 1886 op het Hulstplein staan.
In 1889 werd het domein van het
Hospitaal (Alexianenklooster) (5)
verkaveld.
Omstreeks 1890 was er opnieuw een bevolkingstoename in Tielt.
Aan de
Sint-Pieterskerk (1)
gebeurden in de tweede helft van de 19e eeuw herstellingswerken aan onder meer voorgevel, toren en torenspits; de kerk werd in neogotische stijl aangepast en de sacristie werd naar de noordkant
overgebracht.
In de loop van de 19e eeuw werden in Tielt talrijke onderwijsinstellingen en nieuwe gebouwen van openbaar nut opgetrokken die het stadsbeeld grondig wijzigen.
In de tweede helft van de 19e eeuw werd het
Minderbroedersklooster (3)
aangepast en uitgebreid.
In het begin van de jaren 1900 begon Tielt over te gaan tot industrialisatie, waarbij de traditionele huisnijverheid werd verdrongen door een gemechaniseerde productie.
In 1913-1914 werd aan de zuidzijde van het Hulstplein het imposante complex van het "Heilig Familie-Instituut" gebouwd (dat pas na de oorlog officieel geopend werd en in de loop der jaren verschillende uitbreidingen kende).
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden verschillende openbare gebouwen ingericht als verpleeginstelling of ontspanningsruimte voor de frontsoldaten.
Door bombardementen werden verschillende gebouwen in Tielt beschadigd en kort na de oorlog hersteld.
Ofschoon de militaire betekenis van Tielt minder belangrijk was, liet ook de Tweede Wereldoorlog zijn sporen na in de stad die meermaals gebombardeerd werd en bijzonder hevige verwoestingen onderging.
Van de toren van de
Sint-Pieterskerk (1)
bleef slechts een ruïne over en er was ook schade aan onder meer het
Belfort (2)
en het stadhuis.
In de jaren 1950 gebeurden er onder meer herstel- en restauratiewerken aan de
Sint-Pieterskerk (1)
en het
Belfort (2)
.
Tielt werd in de naoorlogse periode dé scholenstad bij uitstek in de regio door het historisch gegroeide brede aanbod van onderwijstypes dat in de tweede helft van de 20ste eeuw nog aangevuld werd.
De aanleg van de industriezones rond het stadscentrum stimuleerde verder de economische bedrijvigheid in en rond de stad.
In 1971-1972 verdween het noviciaatgebouw van het
Minderbroedersklooster (3)
waar op de plaats van de moestuin een parking wordt aangelegd. Er verrezen tevens nieuwe schoolgebouwen.
In 1986 werd het
Belfort (2)
gerestaureerd.
Tussen 1990 en 2000 werd de
Sint-Pieterskerk (1)
gerestaureerd.
In 2007 vertrokken de laatste Minderbroeders uit het voormalige
Minderbroedersklooster (3)
.
(Bronvermelding: deze tekst werd opgesteld in 2025 en is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be en Wikipedia)