De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




ROESELARE  -  PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent is een panorama te zien van Roeselare omstreeks 1640. Roeselare is een stad in de huidige provincie West-Vlaanderen.

Bij deze prent focussen we bij de beschrijving van de historiek op 4 opvallende elementen: de Sint-Michielskerk, de zogenaamde “’s Gravenwal”, de hal met belfort en de zogenaamde “Borchgrave”.

De oudste sporen van menselijke activiteit op deze plaats dateren uit het epi-paleolithicum (circa 9000 voor Christus). De eerste nederzettingen situeerden zich op de hoger gelegen zandruggronden aan de Mandel. Roeselare ontwikkelde zich geleidelijk van “locus” over “villa” naar een “oppidium”, een kleine stedelijke kern.

In 822 was er een eerste vermelding als "Roslar" in een oorkonde waarin keizer Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote, het gebied schonk aan de Sint-Pietersabdij van Elnon in Saint-Amand-les-Eaux in Noord-Frankrijk.

In 957 gaf Boudewijn III de Jongere de toelating om de stad te versterken tegen de invallen van de Noormannen.

In 1097 werd het patronaatsrecht van de kerk toegewezen aan de abdij van Zonnebeke.

Omstreeks 1250 kreeg Roeselare het stadsrecht van Margaretha van Constantinopel.

In dezelfde periode werd het Sint-Jansgasthuis gebouwd aan de Mandel, ter hoogte van het huidige Klein Seminarie in de Zuidstraat. Op deze prent van Sanderus wordt dit omstreeks 1640 aangeduid als “gasthuis” (onder de letter P in de legende)

Omstreeks 1260 werd de hal met belfort opgericht, centraal op de Grote Markt.

De Heerlijkheid van Roeselare besloeg het zogenaamde "Roeselare-Binnen" of "Schependom". "Roeselare-Buiten" was verdeeld over 23 heerlijkheden; enkele ervan hadden hun zetel in het "Schependom", andere bezaten er slechts afhankelijkheden.

De hoofdheerlijkheid behoorde in Roeselare toe aan de heer van Roeselare, die altijd een vreemdeling was (Abt van St. Amand, gravin Ida van Boulogne, graaf Robrecht van Boulogne en Auvergne, graaf Gwijde van Dampierre, Jan van Namen, Jan zonder Vrees, de familie van Kleef, de familie van Neuburg) en die zijn macht overdroeg op de stadsmagistraat (baljuw en zeven schepenen), dewelke in zijn naam het Schependom van Roeselare of Roeselare-Binnen beheerde. De magistraat bezat wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. De stadsrekeningen werden elk jaar aan de commissarissen van de heer van de stad en aan de burggraaf voorgelegd.

De rechtszittingen geschiedden in de hal en werden geleid door de schout, medelid van de stadsmagistraat en vertegenwoordiger van de burggraaf, en die, als hoofd van gerecht en politie, gelast was de orde te handhaven en de baljuw bij te staan in de uitvoering der vonnissen. Bij het belfort stond aan de zuidwesthoek een schandpaal waar veroordeelden ten toon werden gesteld aan de bevolking.

In de 14e-15e eeuw fungeerde Roeselare als een centrum van de weefnijverheid.

De vroegste sporen van de kerk zijn te dateren in de middeleeuwen. Het was de enige kerk in Roeselare.

In 1488 was er een stadsbrand, en gezien de meeste huizen uit hout waren en vlak bij de kerk stonden, was die vrij verwoestend. Ook de kerk werd niet gespaard. Het grootste deel werd herleid tot puin. De oorzaak van de brand waren Oostenrijkse troepen die de opstand tegen het centraliserende gezag van Maximiliaan wilden vergelden. Maximiliaan was gevangengenomen in Brugge en Filips van Kleef had die opstand geleid.

Bij de inval, brandstichting en plundering door de huurlingen van Maximiliaan van Oostenrijk werden ook de hal en het belfort verwoest.

Van Kleef, de heer van Roeselare (en Wijnendale), gaf opdracht de kerk te herbouwen.

Tussen 1497 en 1504 werden de verwoeste gebouwen heropgebouwd in een laatgotische stijl. De kerk met de spitse toren was toen 91 meter hoog.

De Beeldenstorm vernielde in 1566 de inboedel van de Sint-Michielskerk en de heiligenbeelden van de stadshal. Door het uitbreken van de 80-jarige oorlog (1568-1648) weken verschillende ambachtslieden uit naar Duitsland, Engeland en voornamelijk Nederland.

De rustperiode onder Albrecht en Isabella (1598-1621) leidde tot het herstel van de Sint-Michielskerk (1641) en de stadshal met belfort.

Op de prent van Sanderus werd een tweede marktplaats getekend, de zogenaamde "Nieuwe maert" ten noordwesten van de Grote Markt.

Voor het bestuur van de stad, het beheer der financiën, het uitoefenen van het recht en alle welkdanige ambtsplichten, waren de schepenen verantwoordelijk tegenover de  vertegenwoordiger van de graaf van Vlaanderen, de burggraaf, die verbleef op de omwalde burggravij of  “’s Graven Wal” ten westen van de St. Michielskerk.

Op deze prent van Sanderus wordt "’s Gravenwal" aangeduid als een versterkte woning op een omwalde terp ten westen van de Sint-Michielskerk.

Stevige bolwerken zijn de vestingen van Roeselare nooit geworden; het waren meestal niets meer dan grachten en aarden beschuttingswallen die langs of nabij een waterloop werden aangelegd. De omwalde burggravij ten westen van de kerk vormde het sluitstuk en de commandoplaats en de plaats waar het Roeselaarse gemeenteleger waartoe vroeger eerst en vooral de Roeselaarse schuttersgilden behoorden, opgeleid werd en ter beschikking stond van de Stadsmagistraat, die voor zijn inrichting en onderhoud zorgde, terwijl de wapens en het uitrustingsmateriaal onder haar rechtstreeks toezicht in de stadshal werden opgeslagen.

Op de prent wordt ook de zogenaamde “Borchgrave” vermeld, langs de Ooststraat.

Vanaf de 17e eeuw verbleef de burggraaf namelijk niet meer op “'s Gravenwal”, maar in de Ooststraat, op de “Borchgrave”.

Als gevolg van de Frans-Spaanse oorlogen kende Roeselare toch geen echte economische heropleving.

In 1704 stortte het verwaarloosde belfort in waardoor ook de hal werd vernield.

In het belfort werden tot dan de gevangenen opgesloten. Na de val van het belfort werden ze in het huis van de schepenen onder bewaking gesteld.

In 1711 werd een kleine, voorlopige hal gebouwd met een nieuwe locatie aan de zuidoostelijke marktzijde in plaats van centraal.

Vanaf 1713 was een vernieuwd elan onder het Oostenrijkse bewind.

Vanaf 1725 werden gevangenen opgesloten in een gebouw dat, op last van de burggraaf, naast de burggravij (“Borchgrave”) in de Ooststraat werd opgericht (later werd op deze plaats een postgebouw opgericht).

In 1735 begaf de hoge toren van de Sint-Michielskerk het onder de wind. De spits waaide eraf en werd vervangen door een klokvormige toren. Deze toren is nu nog ongeveer 65 meter hoog.

In 1749 brandde de voorlopige hal af. Tussen 1769 en 1771 werd een nieuw stadhuis met hal gebouwd, in Louis XV-stijl.

In die periode was Roeselare een onderdeel van de heerlijkheid van Wijnendale. Daarom staat boven op de gevel het wapenschild van Karel Theodoor van Beieren, die op dat moment de heer was.

De eerste burggraven droegen de naam ‘van Roeselare’ (12e eeuw tot eerste helft van de 15e eeuw), verschillende andere geslachten volgden elkaar daarna op, waarvan het laatste, de familie de Montmorency (17e-18e eeuw), van Franse oorsprong, gedurende de Franse Revolutie (1789) samen met de burggravij ophield te bestaan.

Vanaf circa 1846 zorgden nieuwe infrastructuurwerken voor een heropleving van handel en nijverheid in Roeselare.

De kerkfabriek besliste in 1850 om de Sint-Michielskerk uit te breiden.

Pas vanaf 1872 kwam er een tweede parochie bij in Roeselare.

De in de tweede helft van de 19e eeuw ingezette mechanisatie van de spin- en weefnijverheid leidde tot de bouw van nieuwe fabrieken.

Tussen 1901 en 1903 werd langs de Ooststraat op de plaats van de vroegere gevangenis een postgebouw in eclectische stijl opgetrokken.

In de 20e eeuw groeide Roeselare gestaag verder uit.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog gebeurden er in Roeselare zware plunderingen en vernielingen door de Duitse bezetter.

De Sint-Michielskerk werd zwaar beschadigd.

Roeselare ondervond, vergeleken met de schade van de Eerste Wereldoorlog, wel relatief weinig schade van de Tweede Wereldoorlog.

Na de Tweede Wereldoorlog breidde de verstedelijking om en rond Roeselare zich verder uit. Er kwamen nieuwe industrieterreinen met typische nijverheden als maalderijen en veevoederbedrijven.

In 1924 werd een modernere vleugel toegevoegd aan het stadhuis. In dit gedeelte werd ook een (nieuwe) belforttoren geintegreerd.

De gebouwen, die tussen 1850 en 1854 werden werden opgetrokken bij de Sint-Michielskerk, werden in 1968 terug afgebroken. Zo verkreeg de kerk de omvang die ze nu heeft.

Vanaf 1977 werd het postgebouw door de postdiensten verlaten en kreeg het nieuwe bestemming.

In de periode 2022-2024 werden verouderde gebouwen met slechte energiescore en toegankelijkheid gesloopt en werd op de plaats een nieuw stadhuis gebouwd, voortaan met een ingang op de Grote Markt.

De toren van de Sint-Michielskerk is nu nog steeds, net als omstreeks 1640, één van de kenmerkende elementen van het stadsgezicht van Roeselare.

(Bronvermelding: Deze tekst is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be; Wikipedia en “Het Roeselaarse Volksleven” van Désiré Denys uit 1955)