De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




OUDENBURG  -  SINT-PIETERSABDIJ


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus is een panorama te zien van de stad Oudenburg, in de huidige provincie West-Vlaanderen.

Onder de Romeinse overheersers kreeg Oudenburg een vooraanstaande rol in de geschiedenis en kende deze stad een opmerkelijke economische bloeiperiode. Dit dankzij de strategische ligging met verbindingen zowel naar de Noordzee via bevaarbare kreken als naar het binnenland (Brugge, Kortrijk, Doornik). In de tweede helft van de 3e eeuw werd een Romeins "castellum" opgericht op deze plaats, ter verdediging tegen de Germaanse invallen langs de Noordzee.

De reeds aanwezige versteende kern zorgde ervoor dat het castellum zich in de 6e en 7e eeuw ontwikkelde tot een belangrijk centrum binnen de zogenaamde kleine Vlaanderengouw of "pagus Flandrensis", één van de bestuurlijke en gerechtelijke districten van het Frankische rijk.

In 866 was er reeds de vermelding "Aldenborg", verwijzend naar het Romeinse castellum. Door het dichtslibben en verdwijnen van de verschillende getijdengeulen verloor Oudenburg haar strategisch belang ten voordele van Brugge.

Waarschijnlijk in de 10e eeuw werd een eerste bidplaats gebouwd, waarschijnlijk een houten zaalkerk, die toebehoorde aan de bisschop van Noyon-Doornik.

Tussen 1054 en 1070 werd een stenen Sint-Pieterskerk gebouwd na het verval van de houten kerk.
Cono I, heer van Eine, Oudenburg en Vladslo, schonk de rechten over het Sint-Pietersaltaar - die hij in leen hield van Robrecht I de Fries, graaf van Vlaanderen- terug aan bisschop Radbod II van Doornik.

Hierdoor kon Arnoldus van Tiegem, bisschop van Soisson, omstreeks 1084 de Sint-Pietersabdij stichten.

Deze benedictijnerabdij was gelegen langs de huidige Marktstraat in Oudenburg.

De Sint-Pieterskerk werd vanaf dan een abdijkerk, waardoor de bouw van een nieuwe parochiekerk zich opdrong.

Deze werd in de 11e of in de eerste helft van de 12e eeuw gebouwd in de dorpskern en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw: een driebeukige Romaanse kerk opgetrokken in Romeins bouwmateriaal en veldsteen, later uitgebreid met onder meer een dwarsbeuk, een vieringtoren en een polygonale afsluiting van het koor.

Aan de Sint-Pieterskerk gebeurden er regelmatig verbouwingen en restauratiewerken.

De Sint-Pietersabdij had vanaf de 12e eeuw, samen met andere abdijen, een grote impact op de definitieve inpoldering en ontginning van de kustvlakte. De abdij nam in 1136 de nieuwe gronden te Westende in bezit en verkreeg in 1173 van de graaf van Vlaanderen alle gronden tussen de IJzer, de zee en de duinen te Westende en het gehucht Testreep.

In het feodaal tijdperk behoorde de zogenaamde "heerlijkheid van Oudenburg" tot het 's Heer Woutermansambacht binnen het Brugse Vrije.

In het tweede kwart van de 12e eeuw ontving Oudenburg de stadsrechten, wellicht circa 1128 bij de omwalling van de kern door de huidige Stedebeek.

Het politieke bestuur was in handen van een burggraaf, vaak ook met een functie van domaniaal ambtenaar van de graaf.

De stad kende in de middeleeuwen een grote economische bloei onder meer door de lakennijverheid en -handel.

In de loop van de geschiedenis van de abdij bleef het aantal monniken steeds vrij beperkt tot ongeveer een vijftiental.

Hun aanwezigheid aan de rand van de vruchtbare polders zorgde er in elk geval voor dat zij aan landbouw en aan grondwinning deden. Zo konden ze hun grondbezit geregeld ook uitbreiden. Tevens ontvingen ze schenkingen van gronden en landbouwhoeves. In die polderstreek bezaten de monniken ook diverse boerderijen. De Benedictijnen voorzagen in hun eigen levensonderhoud en hadden ook in de abdij zelf een eigen hoeve (abdijhoeve). De middeleeuwse vierkante duiventoren die eveneens tot de abdijhoeve behoorde, is overeind gebleven en bewijst de macht van de vroegere Sint-Pietersabdij. Niet iedereen mocht vroeger een duiventil of een duiventoren bezitten. In de middeleeuwen was dat een van de heerlijke rechten van de adel en de geestelijkheid; later mochten ook burgers een duiventoren hebben als ze voldoende grond bezaten. Daardoor werd het bezit ervan een statussymbool.

Tijdens de godsdiensttroebelen verloor Oudenburg zijn politiek en economisch belang. Na de beeldenstorm (1566) lag de parochiekerk bijna volledig in puin, enkel de noordelijke zijbeuk herrijst als noodkerk.

Tijdens de Geuzentijd vluchtten de monniken in 1578 naar Brugge, waar ze een refugehuis in de Zilverstraat bezaten.

Het gebouwencomplex in Oudenburg werd grondig verwoest. Ongeveer op die plaats kwam er een Spaans fort tegen de Geuzen, dat tevens deel uitmaakte van de fortengordel rond Oostende.

In het begin van de 17e eeuw keerden ze naar Oudenburg terug.

Ze bouwden een nieuw convent uit met onder meer een kapel, een pandgang en andere kloostergebouwen.

Het is deze Sint-Pietersabdij die hier op deze prent centraal wordt afgebeeld.

De markt vormde het stedelijke centrum, met onder meer een stadhuis met onder meer ook een gevangenis, hallen, een belfort en een schandpaal.

Ook de markt van omstreeks 1640 is te zien op deze prent.

In 1797, tijdens de Franse overheersing, verdween het abdijleven in Oudenburg voorgoed.

In 1797-1798 werd het goed openbaar verkocht. De meeste gebouwen werden (opnieuw) afgebroken.

Van de Sint-Pietersabdij bleven enkel de abdijhoeve (uit 1631), een middeleeuwse duiventoren en de abtswoning over.

De Franse overheersing blijft in de geschiedenis van de oudere kloosterorden een donkere periode. De uitdrijving van de religieuzen, de confiscatie van hun eigendommen en de verkoop ervan betekenden zware, soms onherstelbare breuken.

Heel wat kloosters hielden zelfs op te bestaan. Dit gebeurde tevens met de Oudenburgse Sint-Pietersabdij. De 13 overgebleven monniken vluchtten onder meer naar hun geboortestreek.

Het classicistische abtsgebouw – een van de weinige overgebleven gebouwen van dit convent – werd opgetrokken in 1756. Mogelijk verving het gebouw een vroegere abtswoning.

In 1798 werden de abdijgebouwen van Oudenburg als nationaal goed te koop gesteld en aangekocht door de familie Briquet. De kerk en het grootste deel van het klooster werden afgebroken.

Omstreeks 1835 was het domein met de abdijhoeve en de abtswoning al in het bezit van de familie Belleroche. Op dat ogenblik was een gedeelte van de 17e-eeuwse abdijhoeve als brouwerij ingericht.

Het domein wisselde vervolgens verschillende keren van eigenaar (achtereenvolgens Segaert, Depachtere, Bousson, Gennevoise, Van Eygen-Gennevoise, Gennevoise-Bouckaert).

In 1870 werd een nieuwe Onze-Lieve-Vrouwekerk gebouwd In Oudenburg.

Een monumentale schuur van de abdijhoeve bleef tot 1901 bewaard, maar brandde in dat jaar af.

Begin 1984 nam de stad Oudenburg het domein van de abtswoning in bruikleen. In 1987 kocht de stad het domein aan.

Het Stedelijk Archeologisch Museum werd er wel in onder gebracht. De stad kocht hierbij ook 2 aanpalende woningen aan, waarvan de structuur van de straatgevels lieten vermoeden dat deze mogelijk vroeger één geheel vormden en dus mogelijk ook deel uitmaakten van de voormalige abdij.

In de achterliggende tuinen werden trouwens reeds interessante sporen van deze abdij aangetroffen.

Momenteel is van de abdijkerk van de Sint-Pietersabdij niets bewaard gebleven.

Ongetwijfeld steken er nog verschillende sporen van de abdij in de grond.

Ook de abdijhoeve was lange tijd in privébezit. Drie generaties landbouwers hebben hier geboerd. In 1989 zijn de gebouwen opnieuw verkocht en werd de abdijhoeve volledig gerestaureerd. Een tijd lang diende het complex als hotel, restaurant en wellnesscenter met de toepasselijke naam ‘De Abdijhoeve'. Tegenwoordig is ook de hoeve stadsbezit.

In 2004 werden door toevallige werkzaamheden in de Marktstraat sporen van een middeleeuwse bakstenen muur ontdekt.

Het gaat mogelijk om fundamenten van de pandgang van de abdij. Ze lopen mee in de richting van de straat en hebben onderaan een verbreding.

(Bronvermelding: Oudenburg.be/erfgoedkring; Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)