De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
NIEUWPOORT - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Deze prent van Sanderus toont ons een panorama van de stad Nieuwpoort omstreeks 1640. Nieuwpoort is gelegen in de huidige provincie West-Vlaanderen.
Het is thans een badplaats aan de kust. Nieuwpoort zelf bestaat eigenlijk uit twee delen, Nieuwpoort-Stad en Nieuwpoort-Bad.
In Nieuwpoort mondt de rivier de IJzer uit in de Noordzee.
De kuststreek onderging in de loop der eeuwen de invloed van de drie Duinkerke-transgressies die het landschap drastisch veranderden.
Omstreeks 1150 was er een eerste vermelding van deze plaats als « Ysera Portus », een kleine handelsnederzetting aan de linkeroever van de Ijzermonding.
De stad werd enigszins kunstmatige gesticht. Het stratenplan vertoonde een duidelijk schaakbordpatroon. Het grondgebied werd vermoedelijk als apanage geschonken door Diederik van de Elzas aan zijn zoon Filips met een vergunning tot de stichting van een nieuwe stad. Vervolgens werden de gronden verdeeld in kleinere percelen, die werden toegewezen aan inwijkelingen bij de toenemende inpolderingen.
In 1163 was er de schenking van de stadskeure aan de bewoners van Novum Oppidum (Neoportus, Novus Portus) en de vestiging van een landsheerlijke tol. Er werd een omwalling gebouwd en er werden nieuwe kaaien aangelegd.
Aanvankelijk was Nieuwpoort parochiaal afhankelijk van Oostduinkerke op wiens grondgebied de eerste kapel, de huidige Onze-Lieve-Vrouwekerk, stond.
In 1165 werd Nieuwpoort onder bisschop Milo van Terwaan erkend als parochie onder het patronaat van de Sint-Niklaasabdij van Veurne.
Vanaf 1240 tot aan de Franse Revolutie was Nieuwpoort een afzonderlijke parochie die werd bediend door norbertijnen.
In de 13e eeuw werd een tweede parochiekerk opgericht die was toegewijd aan Sint-Laurentius. Op deze prent van 1640 wordt deze aangeduid als « Oude kerk, thans kasteel ».
In de 13e eeuw bestond reeds het Sint-Jansgasthuis voor armen, pelgrims en reizigers.
De oorlogen en de zee toonden in de 14e eeuw hun tol. Er waren zeer veel weduwen, wezen en alleenstaande vrouwen.
Een dramatische hongersnood in 1316 werd in 1328 nog gevolgd door het bloedbad van Cassel.
In 1383 werd de stad verwoest bij de belegering door de Engelsen.
Vanaf 1385 was er een wederopbouw en werden nieuwe vestingsmuren gebouwd.
In het vierde kwart van de 14e eeuw werd de Satdshalle met belfort gebouwd.
In de 15e eeuw waren er vergrotingswerken aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk omwille van een bevolkingsaangroei vanaf het einde van de 14e eeuw.
In de Middeleeuwen was Nieuwpoort een belangrijke vissersstad.
Vanaf het einde van de 16e eeuw was er een bastionering van de ommuurde stad door de Spanjaarden.
Vanaf 1578 werd de middeleeuwse stadsmuur verstevigd. Er werden bastions op de vooruitspringende torens, voor het kasteel, voor de poorten en op de strategisch belangrijke westkant van de stad, gebouwd.
Er boden 5 poorten toegang tot de stad: de Grote Cayepoort, de Noordpoort, de Oostpoort, de Zuidpoort en de Westpoort.
Er vonden verschillende belegeringen plaats onder meer de slag bij Nieuwpoort (2 juli 1600) tussen de legers van Maurits van Nassau en aartshertog Albrecht.
Sanderus vermeldt deze slag ook in de legende bij deze prent van Nieuwpoort.
In de loop van de 17e eeuw werden de verkeersverbindingen tussen Nieuwpoort en het achterland verbeterd. Omstreeks 1630 was er de aanleg van het kanaal Plassendale-Nieuwpoort-Veurne-Duinkerke waardoor er een aansluiting kwam met de kanalen Gent-Brugge (1613) en Brugge-Oostende (1618).
Naast scheepvaartwegen werden er ook verschillende afwateringswegen gegraven.
Vooral vanaf de 18e eeuw werd Nieuwpoort belangrijk op militair gebied omwille van de ligging als grensvesting tussen
Frankrijk en de Spaanse Nederlanden.
Tijdens de 18e eeuw kwam Nieuwpoort in Oostenrijkse handen. De stad verloor zijn strategisch belang en vanaf 1713 kwam de vesting in verval. De aanvalstechnieken met krachtige kanonnen en mortieren maken een efficiënte verdediging moeilijk.
In 1785 was er de eerste ontmanteling van de vestingen van Nieuwpoort door Jozef II.
De Oostenrijkse vorst, Jozef II oordeelde dat versterkte steden te veel kosten en dat de garnizoenen te belastend waren voor de gewone man, die moest instaan voor het onderhoud van de beschermingen. De wallen rond Nieuwpoort werden in 1783 afgegraven… zodat de Fransen in 1794 de stad wisten in te nemen.
Er werden in de 18e en 19e eeuw verschillende moderne landwegen tussen Nieuwpoort en het binnenland aangelegd. In 1867 was er een aansluiting op het spoorwegnet via de thans opgeheven lijn Nieuwpoort-Diksmuide.
Tussen 1818 en 1822 was er de wederopbouw van de vestingen door Willem I.
Tussen 1861 en 1866 werden de vestingen volledig ontmanteld, behalve dan 3 poedermagazijnen waarvan er nog één bewaard is gebleven (het zogenaamde gebouw "Bommevrij" langs de Schoolstraat).
Sinds 1865 verbindt de huidige Albert I-laan Nieuwpoort-Stad met Nieuwpoort-Bad.
Nieuwpoort was een sleutelpositie in de verdediging van de noordelijke uithoek van het westelijk front gedurende de
Eerste Wereldoorlog.
De onderwaterzetting van de IJzervlakte in 1914 gebeurde door het openen van de sluizen van de Noordvaart en betekende ook de volledige verwoesting van Nieuwpoort. Na 1918 was er een wederopbouw van de stad.
Er werd in de 20e eeuw een buurtspoorweg langs de kust (kusttram) aangelegd.
Na de Tweede Wereldoorlog werden de haven en het kusttoerisme te Nieuwpoort verder uitgebreid.
Met de inlijving van Nieuwpoort-Bad in 1949 ontstond een belangrijke toeristische infrastructuur vooral geconcentreerd in de badplaats, en gekenmerkt door veel nieuwbouw.
Nieuwpoort-Stad is thans voornamelijk een klein verzorgend centrum (met vredegerecht, scholen, musea, markt, ziekenhuis en handelsuitrusting). Er zijn verschillende winkels, commerciële diensten en horeca-inrichtingen. Er zijn ook verschillende bedrijven verwant aan visserij en haven in Nieuwpoort-Stad gevestigd.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)
Hieronder tonen we de meest markante plaatsen van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden afgebeeld:
1. Onze-Lieve-Vrouwekerk
De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Nieuwpoort is een parochiekerk, gelegen aan het huidige Hendrik Geeraertplein.
Deze kerk is gelegen binnen de voormalige vestingen, in het meest zuidelijk stadsgedeelte in de nabijheid van de vroegere zuidelijke stadspoort.
Omstreeks 1922 was er een reconstructie (circa 1922) van de in oorsprong gotische hallenkerk met een neogotische toren naast het noordelijke transept.
In 1165 was er de oprichting van een kapel met altaar onder het patronaat van de Veurnse Sint-Niklaasabdij. Amper 6 jaar later sprak men al van een kerk. Oorspronkelijk was deze kerk gewijd aan “Heilige Maria”.
Het was oorspronkelijk een kleine romaanse kerk met een kruisingstoren, waarvan het koor in het eerste kwart van de 14e eeuw vervangen werd door een driebeukig hallenkoor met een vlakke sluiting.
Door de aangroei van de bevolking werd de kerk, omstreeks de jaren 1300, uitgebreid.
Na de verwoesting van Nieuwpoort in 1383 bleven enkel de muren overeind.
Door deze vernieling en het verdwijnen van de Sint-Laurentiuskerk werd de Onze-Lieve-Vrouwekerk uitgebreid tot een ruime kerk, rond de oude bestaande vieringtoren.
In de 15e eeuw werd de kerk verbouwd.
Ook in de 16e eeuw gebeurden er aanpassingen aan de kerk. In 1510 werd de kerk namelijk uitgebreid met een vierde koor en beuk (die in 1834 weer onder de sloophamer verdwenen).
Vermoedelijk was de oorspronkelijke vieringtoren bouwvallig geworden en werd die in de 16e eeuw vervangen door een dakruiter - een kleine, lichtere toren - met één of twee klokken.
Omstreeks 1580 werd een toren, de beiaardtoren, buiten de kerk gebouwd. Deze toren was geen lang leven beschoren want vijftig jaar later bouwde men op dezelfde plaats een nieuwe toren.
Omstreeks 1635 werd namelijk een nieuwe beiaardtoren naast de kerk gebouwd.
Door geldproblemen werd het oorspronkelijk plan niet uitgevoerd. Gekomen aan een derde van de geplande hoogte, werden de werken stilgelegd.
Pas in 1674 werd de "lanteern" of de "hoed" zoals de Nieuwpoortenaars het bovenste deel noemden, geplaatst. Hierin
werd de beiaard ondergebracht.
Het onderste vierkant gedeelte tot boven de kornis was 26 meter hoog en, in vergelijking met deze prent van Sanderus, kan men zien dat de toren ten minste driemaal zo hoog had moeten worden.
Pas in 1735 werd de toren bekroond met een lage achthoekige bovenbouw met een open torenhelm.
In 1834 werden de uitbreidingen van 1510 gesloopt.
Na de volledige verwoesting van de kerk tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de gotische kerk circa 1922 heropgebouwd volgens de oorspronkelijke plannen, uitgezonderd de 17de-eeuwse toren.
In 1946 gebeurden er herstellingswerken na een brand in 1940 waarbij daken en houten gewelven instortten.
Kort na de tweede wereldoorlog werd de kerk opnieuw hersteld. De huidige constructie, met neogotisch interieur, werd voltooid in 1948.
Pas in 1952 werd de huidige neogotische beiaardtoren gebouwd ten noorden van het noordelijk transept.
De beiaard werd nu als muziekinstrument in de klokkenkamer opgesteld en niet meer in de lantaarn, zoals vroeger gebruikelijk was. In 1992 werd de hele installatie (met uitzondering van de klokken) vernieuwd. De huidige beiaardtoren heeft een hoogte van 54 meter.
In 2013 werd de gevel van de kerk nogmaals onder handen genomen en werden de glas-in-loodramen vernieuwd.
(Bronvermelding : Wikipedia)
2. Recollettenklooster
In 1612 vestigde het Recollettenklooster zich langs de huidige Recollettenstraat in Nieuwpoort.
In 1797 werd het klooster door de Fransen verkocht.
In 1876 vestigden de Arme Klaren (zusters clarissen) zich in het voormalig en deels vernielde Recollettenklooster. Carolina, Burggravin de Patin de Langhmarck, bekostigde de bouw van het nieuwe klooster.
In 1877 werd een lagere meisjesschool toegevoegd.
In 1890 werd een meisjespatronaat opgericht.
Na de verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog was er vanaf 1920 een wederopbouw van het klooster. De kloosterkapel werd ingewijd in 1921.
In 1955 werd het klooster overgedragen aan de zusters van Ingelmunster.
Vanaf 1990 werd er in de gebouwen een hotel-restaurant (het Clarenhof) ingericht.
Vanaf 2019 werd "Residentie Clarenhof" ingericht, een nieuwbouw in rustieke stijl met gerestaureerde gevels van het voormalig klooster. De residentie werd ingericht voor senioren.
De achterliggende gebouwen die uitgeven op de huidige Hoogstraat zijn grotendeels gesloopt of verbouwd. De gebouwen aan de Recollettenstraat (klooster en kapel) zijn nog bewaard, evenals een groot deel van de bakstenen ommuring van de site.
(Bronvermelding : Wikipedia ; Onroerenderfgoed)
3. Kartuizerklooster
Het Kartuizerklooster bevond zich op de hoek van de Kokstraat (westelijke kant) en de Langestraat.
Toen Bruno in 1084 zich met zes gezellen terugtrok in de woestenij van Cartusia, thans bekend als Chartreuse, bij Grenoble, zal hij er zeker niet aan gedacht hebben dat hij een Orde stichtte, die 250 jaar later reeds een tiental kloosters zou bezitten in onze kontreien. De bedoeling van Bruno was om zich in een eenzame streek te vestigen met enige gelijkgezinden en er een leven te leiden zo volledig mogelijk op God gericht in afzondering ook van elkaar, maar toch enigszins in broederlijke relatie met elkaar. In Chartreuse bouwde hij zijn eerste kluisgroep, de toekomstige Grande Chartreuse. Hij stichtte nog een tweede gemeenschap in Calabrië, waar hij stierf hij in 1101. In 1127 waren reeds zes kloosters aangesloten bij de Grande Chartreuse en werden de kartuizerstatuten vastgelegd. Deze willen een band van samenhorigheid scheppen tussen de verschillende kartuizen door hun gemeenschappelijke observantie. Vanaf 1142 begon men te zoeken naar een centraal gezag, daar steeds meer stichtingen plaats vonden, vooralsnog in Frankrijk. In de 12e en 13e eeuw ontstonden nieuwe kloosters in Frankrijk, Oostenrijk, Slowakije, Italië, Spanje en Engeland.
Tijdens de 14e eeuw breidde de Orde zich snel uit in de richting van de Nederlanden. Zo werden onder meer de kloosters van Onze-Lieve-Vrouw ter Kapelle (1314 - Herne) en Genadedal (1318 - Sint-Kruis) opgericht. In 1348 werd het enige kartuizerinnenkonvent, dat ooit in onze streken bestaan heeft, opgericht te Sint-Andries, met de naam Sint-Anna-ter-Woestijne.
Van 1592 tot 1626 was er een kartuizerklooster in Mechelen, dat dan naar Nieuwpoort verhuisde. Het was opgericht om de uit Engeland verdreven monniken een autonoom Engels konvent te bezorgen te Brugge in 1568, maar had deze stad reeds moeten verlaten in 1578.
In Vlaanderen waren de kartuizerkloosters meestal op enige afstand gelegen van de stadsmuren. De kartuizers zorgden er wel voor dat hun terrein voldoende geïsoleerd was om hun essentiële eenzaamheid te vrijwaren.
Het zogenaamde klooster Sheen Anglorum (1569-1783) was opgericht voor de uit Engeland in 1559 verdreven monniken.
ln de eerste helft van de 16e eeuw waren er in Engeland negen kartuizerkloosters. Onder meer naar aanleiding van de scheuring in de anglicaanse kerk ontstonden allerlei complotten en weken de kartuizers omstreeks 1559 uit naar het vasteland.
Na aanvankelijk bij de Brugse kartuizers te hebben geleefd, vormden ze sinds 1569 een autonoom klooster, tot 1578 in Brugge. Na een lange tocht doorheen Picardië, Henegouwen, Namen en Brabant, kwamen ze in 1578 te Leuven aan. Reeds in 1589 trokken ze naar Antwerpen en vestigden ze zich in 1591 te Mechelen. Daar bleven ze tot in 1626.
De kartuizers kochten in 1626 te Nieuwpoort een domein met aanpalende percelen en bouwde er een klooster. De kartuizers hoopten van daaruit beter te rekruteren in Engeland.
Aanvankelijk kregen de kartuizers een jaarlijkse toelage van de Spaanse kroon, maar die werd afgeschaft in 1631. Toen begonnen ze zielemissen op te dragen tegen betaling.
De Nieuwpoortse visserij speelde een niet onbelangrijke rol in die 17e eeuw en niet zelden hadden de kartuizers een bemiddelende rol met de Engelsen. Daardoor bekwamen ze het voorrecht om een portie vis op te halen bij elke binnenvarende vissersboot. ln 1666 kocht het klooster zelf een vissersboot "Sint Bruno" die over speciale beschermingsbrieven beschikte. ln 1735 bouwden ze een grote arduinen poort, die naar het westen een deel van de Langestraat afsloot, met als opschrift "Carthusia Jesu de Betleem Shene". Sheen was de laatste plaats bij Londen, waar ze verbleven vóór hun emigratie.
Vanaf 1783 werden alle kartuizerkloosters door Jozef II van Oostenrijk opgeheven.
De kartuizers van Nieuwpoort probeerden nog even aan te tonen dat ze nuttig waren om onderwijs te verschaffen. Het mocht niet baten, want in juni 1783 vertrokken de laatste monniken met hun prior. Zij kregen onderdak te Leuven bij de augustijnernonnen en vluchtten definitief in 1794 naar aanleiding van de Franse bezetting.
(Bronvermelding : Wikipedia : Onroerenderfgoed.be)
4. Zwartzustersklooster
De zogenaamde « penitente zwarte zusters » die werden vermeld in de legende bij deze prent waren waarschijnlijk grauwzusters die leefden volgens de « Derde Regel van Sint-Franciscus ».
Waarschijnlijk in 1469 vestigden ze zich langs de huidige Potterstraat in Nieuwpoort.
Het betreffende gebouw staat op de prent maar de letter « e » staat evenwel niet vermeld op de plattegrond.
Waarschijnlijk droegen deze zusters een zwarte hoofddoek of een zwart habijt om zich te onderscheiden van de andere grauwzusters van de Hoogstraat.
De zusters vestigden waarschijnlijk omstreeks 1480 ook al een gasthuis in een gebouw in de Pottersstraat dat vermoedelijk een onderdeel vormde van de in 1383 vernielde burg. Ze raakten bekend als ‘de nieuwe grauwe zusters der burch’. Het instituut werd als het ‘Onze Lieve Vrouw Gasthuis’ omschreven, maar die naam raakte moeilijk ingeburgerd onder de bevolking. In 1489 kregen ze van de abt van de Sint-Niklaasabdij te Veurne de toelati0ng om daar ook een kapel te bouwen. De bidplaats kreeg een torentje waarin een klok werd opgehangen.
De mensen hadden het al snel over “de grauwzusters boven” en “de grauwzusters der Burg”’ Sommigen hadden het over de “oude” en de “nieuwe” grauwe zusters’.
Enkele grauwzusters, waarschijnlijk deze van de Potterstraat, trokken in 1492 naar Lo om er pestlijders en arme zieken te verzorgen. Ze bouwden in Lo een klooster in 1497.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
5. Grauwzustersklooster
De grauwzusters-fransiscanessen van Nieuwpoort bewoonden een klooster langs de huidige Hoogstraat in Nieuwpoort, tegenover de achtergevel van het Recollettenklooster (later Clarissenklooster) dat zich langs de huidige Recollettenstraat bevond.
De eerste grauwzusters waren waarschijnlijk reeds aanwezig in Nieuwpoort in de loop van de 13e eeuw, want zij stonden in voor de bediening van het Sint-Jansgasthuis.
De grauwzusters lieten zich waarschijnlijk vooral in met opvoedkundige taken, terwijl de zwartzusters zich toelegden op de verzorging van zieken en noodlijdenden.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
6. Engelse Franciscanessenklooster
In 1340 sloeg Paus Benedictus XII Vlaanderen in de ban van de kerk, in opdracht van de koning van Frankrijk in een poging om de Vlamingen ertoe te bewegen niet langer de Engelsen te steunen. Alle kerkelijke diensten worden geschorst.
Een gevolg hiervan was dat er Engelse Franciscanessen - Sanderus noemde ze Engelse grauwzusters - overkwamen om een normale kerkgang in Nieuwpoort toch enigszins mogelijk te maken.
In 1662 namen de Karmelieten hun intrek in de kloostergebouwen van de Engelse Franciscanessen.
De hoek gevormd door de Langestraat met de Arsenaalstraat noemt men de "Karmenhoek", verwijzend naar het verdwenen klooster der Karmelieten.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
7. Sint-Jansgasthuis
Nieuwpoort was in de Middeleeuwen één van de belangrijkste haven aan de thans Vlaamse kust. Vele pelgrims namen daar de boot om overzee naar bekende bedevaartsoorden te gaan. Omgekeerd arriveerden daar talloze bedevaarders van de Britse Eilanden om te voet verder te pelgimeren naar Europese heiligdommen.
In de 13e eeuw bestond reeds het Sint-Jansgasthuis voor armen, pelgrims en reizigers.
De grauwzusters stonden er in voor de bediening.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
8. Stadhuis
Het huidige stadhuis werd in 1922 gebouwd en bevindt zich op het Marktplein van Nieuwpoort.
Omstreeks 1640 bevond het Stadhuis zich langs de Langestraat.
Het oorspronkelijke Stadhuis, heropgebouwd na de Eerste Wereldoorlog en heden Vredegerecht en Politiecommissariaat is te vinden op de hoek van de Langestraat met de Oostendestraat.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
9. Griffie
In hetzelfde gebouw van het Stadhuis, langs de Langestraat, bevond zich waarschijnlijk ook de Griffie.
10. Weeshuis
Op de prent van Sanderus wordt het gebouw gelegen langs de huidige Langestraat aangeduid als « armenschool ».
Waarschijnlijk was in dit gebouw vooral een weeshuis gevestigd, mogelijk in de 17e eeuw gecombineerd met een armenschool. Het gebouw werd waarschijnlijk tussen 1623 en 1629 gebouwd.
11. Duynenhuys
Het Duynenhuys werd reeds gebouwd in de loop van de 16e eeuw. Het was gelegen langs de huidige Oostendestraat.
Dit huis was een refugehuis van de Ten Duinenabdij van Koksijde en ook de verblijfplaats van Albrecht en Isabella tijdens het beleg van Oostende (1601-1604).
Het gebouw werd verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog en heropgebouwd in het begin van de jaren 1920.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
12. Het Franse Schild
We hebben voorlopig nog geen idee welk gebouw er schuilgaat achter de titel « Het Franse Schild ».
Het gebouw was voorzien van een opvallende toren, die nog duidelijker wordt bij de skyline op de prent bovenaan bij de letter « n ».
13. De Gouden Blomme
We weten voorlopig ook nog niet welk gebouw er schuilgaat achter de titel « De Gouden Blomme ».
Het gebouw was blijkbaar voorzien van een kapel.
14. Stadsgevangenis
De voormalige stadsgevangenis, gelegen langs de Langestraat, werd in 1314 benoemd als “t ghizelhuus”.
In 1409 werd een draagbaar altaar opgesteld in de Nieuwpoortse gevangenis. In de gevangenis werd een kamer ingericht waarin een speciaal aangestelde priester de goddelijke diensten in volle waardigheid kon uitoefenen.
Thans is op de locatie een burgerhuis gevestigd.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
15. Sint-Jorishof
In de 15e eeuw bestonden er 3 schuttersgilden in Nieuwpoort : Sint-Andries, Sint-Joris en Sint-Sebastiaan.
In een akte van 11 augustus 1423 stelde hertog Filips de leden van de schuttersgilden vrij van vervolging als ze collega’s doodden of verwondden tijdens hun oefensessies. Goede schutters kwamen trouwens goed van pas in Vlaanderen. De beteren werden uitgekozen om deel te nemen aan een elitekorps dat klaar stond om de veiligheid van de stad te garanderen.
De schutters van de Sint-Jorisgilde specialiseerden zich in de 15e eeuw in het oefenen van de kruisboog.
In tijden van oorlog – en Nieuwpoort kende er verschillende - hielpen de leden van de schuttersgilden daadwerkelijk mee bij de verdediging van de stad.
(Bronvermelding: Wikipedia)
16. Visklokje
In de 15e eeuw bestond er reeds een gilde van de vissers, de Sint-Jacobsgilde. De heilige Jacobus was hun patroon.
De Nieuwpoortse vissersgilde bestond vermoedelijk al in 1120 want toen al werd een deel van de opbrengst van de haringvisserij afgestaan aan de kerk. Die godsdienstige taks zal er vermoedelijk eerder gekomen zijn naar aanleiding van de eerste kruistochten. De schippers zullen trouwens ook met flink wat tegenzin de heffingen op de vangst van hun witvis moeten hebben geslikt.
In het noorden van de stad stond er in Nieuwpoort een gebouw met een torentje waarin het zogenaamde « Visklokje » (« Visch Kloxken » volgens Sanderus) hing. Het klokje zelf was afkomstig van een voormalige kerk van conceptionistenzuster die stond langs de westzijde van de huidige Kokstraat.
Het klokje werd geluid om, wanneer er op de kaai verse vis werd verkocht, de potentiële kopers te verwittigen.
In 1819 werd de toren afgebroken. Het klokje werd na de afbraak van de toren nog enige tijd tussen 2 stokken geplaatst boven de kaaipoort.
Eigenlijk bevond dit klokje zich in Nieuwpoort in een soort eerste vismijn.
Door de toeloop van vissers uit de Westkust, werd de behoefte aan een vismijn steeds groter. Eerder zocht men nog zijn heil in vissersherbergen. Maar de roep om een vismijn steeg. In 1923 – 1924 werd een houten barak, die dienst deed als vismijn, opgetrokken. Deze barak kwam dwars op de Kaai te staan, ter hoogte van de Kaaistraat. Net zoals vóór 1914, kwam er ook een klokje op de vismijn te hangen. Telkens er een visverkoop plaatsgreep werd die geluid.
Door het plaatsen van hulpmotoren op de zeilboten werd de visaanvoer regelmatiger, daar men minder afhankelijk werd van de weeromstandigheden. Ook groeide het aantal vissers uit De Panne en Oostduinkerke, die zich te Nieuwpoort kwamen vestigen, aan. Er was dus nood aan een grotere vismijn.
In 1927-1928 werd een stenen vismijn gebouwd ter hoogte van de Kaaistraat, maar nu evenwijdig met de kaai. De voorzijde van de mijn bestond uit een open palenconstructie. Het gedeelte waar de verkoopbeurten plaatsgrepen werd afgebakend met paaltjes en kettingen. Aan de achterzijde werd een ruimte als pakhuis en opslagplaats voorzien. Ook hier kwam er opnieuw een klokje te hangen.
In september 1944 viel de bevrijding van Nieuwpoort. De Duitsers bliezen bij hun aftocht de kaaimuren op. De sluizen die de vlotkom op hoogwaterpeil hielden werden eveneens volledig vernield. Slechts in het voorjaar van 1945 kwam de visserij weer op dreef. De zeemijnen maakten echter nog heel wat slachtoffers. In het eerste jaar na de bevrijding vonden 72 Vlaamse vissers een zeemansgraf.
Noodgedwongen meerden de vissers in het “bassin” (Vlotkom) aan, waar ook een tijdelijke vismijn werd opgetrokken. Het was een houten gebouwtje van 20 op 10 meter, betimmerd met golfplaten. De kleine vismijn werd later verruimd met een 30 meter lange, metalen loods en een aangebouwd bureau.
De nieuwe vismijn werd op 25 mei 1953 officieel ingewijd. De Nieuwpoortse vloot telde toen 59 kleinere, houten kustvaartuigen met een globale tonnenmaat van 1400 ton. Het gebouw, dat in 1952 opgetrokken werd, had een lengte van 92 op 23 m. De verkoophal was toegankelijk via 14 ophaalbare poorten. Er waren ook negen grote en drie kleine pakhuizen. De luifel aan de noordzijde was bedoeld om wat bescherming te bieden aan de vislossers.
In de 15 m hoge toren, met aan de vier zijden een elektrisch verlicht uurwerk, bevond zich – in navolging van het « visklokje »- een sirene die het begin van de verkoopsessies aankondigde.
In 1970 werd er gestart met een uitbreiding van 80 op 23 m. De visverkoophal verdubbelde zo in omvang. Er kwam ook een verdieping met drie zalen, nieuwe pakhuizen, twee doorgangen en een traphal bij.
(Bronvermelding : Tekst gebaseerd op « Vismijn Nieuwpoort – Geschiedenis » door Heyde Etienne op Routeyou.com)
17. Haven
De haven van Nieuwpoort ligt thans aan de Havengeul, de monding van de IJzer in de Noordzee. Het is een gemengde haven met een vissersvloot, werkschepen zoals zandwinningsschepen, maar sinds het einde van de twintigste eeuw is het vooral een jachthaven.
Deze jachthaven is met 2000 ligplaatsen, die beheerd worden door drie jachtclubs, de grootste van Noord-Europa.
De haven was de reden voor de stichting van de stad in 1163. De naam van de stad verwijst dan ook naar de haven (Novus Portus = nieuwe haven).
In de voorbije eeuwen was Nieuwpoort meermaals een van de meer belangrijke vissershavens van het gebied.
Nieuwpoort werd wegens zijn haven meermaals belegerd, en onder meer de blokkade door de Nederlandse vloot in de 16e eeuw bemoeilijkte de visvangst.
Anderzijds werd vanuit de Nieuwpoortse haven, evenals vanuit Duinkerke meermaals kaapvaart op de handelsvloot van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden georganiseerd, wat leidde tot de strafexpeditie van Maurits van Oranje die zijn afloop kende op 2 juli 1600 met de Slag bij Nieuwpoort.
Toen het belang van de Nieuwpoortse vissersvloot sterk verminderde in de jaren zestig van de 20e eeuw. daalde het aantal vissersboten sterk en werd de ruimte in de haven heringericht om de nieuwe hoofdbestemming als jachthaven de nodige groei te bieden.
(Bronvermelding: Wikipedia)
18. Stadshalle met belfort
De Stadshalle met belfort bevindt zich op het Marktplein van Nieuwpoort.
Deze Stadshalle diende doorheen de eeuwen als markt, stadhuis, openbare vergaderplaats en gerechtshof.
De eerste halle werd waarschijnlijk gebouwd in 1280.
De inkomsten van de halle werden in 1292 gebruikt voor de bouw van de nieuwe Sint-Laurentiuskerk.
In 1299 werd de Stadshalle tijdens de doortocht van de Fransen in brand gestoken.
Deze halle werd pas in 1329 heropgebouwd.
Na de ramp van 1383, toen een groot deel van de stad vernield was, werd de halle tijdelijk als stadhuis gebruikt.
Het pand dat tot de Eerste Wereldoorlog bestond, werd omstreeks 1480 gebouwd.
Het 35 m hoge belfort is opgevat als een gedeeltelijke uitbouw van de voorgevel. Het torent uit boven de rechthoekige hal. In de toren hing de beiaard tot die in 1675 naar de beiaardtoren werd overgeplaatst.
In de loop der jaren werden er wijzigingen aan de halle aangebracht. Tegen 1900 waren de hoektorentjes op het belfort en de trap aan de gevel verdwenen. Er werden dakkapellen geplaatst.
Het belfort dat als mikpunt voor de Duitse artillerie kon dienen, werd door het Belgische leger bij het begin van de Eerste Wereldoorlog gedynamiteerd.
De Stadshalle werd, trouwens samen met de rest van de stad, bijna volledig verwoest.
In 1921-1923 zijn het belfort en de halle naar historisch model gereconstrueerd. De gereconstrueerde halle heeft hetzelfde uitzicht als de oorspronkelijke versie. De vier hoektorentjes en de buitentrap verschenen weer, maar de dakkapellen werden niet meer teruggeplaatst.
In mei 1940 werd de Stadshalle geraakt tijdens een Duitse luchtaanval, met een gedeeltelijke instorting van het dak tot gevolg.
In 1968 brak brand uit in het dakgebinte.
Na de Tweede Wereldoorlog vonden het Museum voor Geschiedenis en Volkskunde, het Pieter Braeckemuseum en later het Museum voor Vogels en Schaaldieren een onderkomen in de Stadshalle. De musea werden ontmanteld in 1989 om een restauratie van de Stadshalle mogelijk te maken.
De Stadshalle wordt nu vooral gebruikt als ontvangst- en tentoonstellingsruimte.
(Bronvermelding: Zone-nieuwpoort.be/nieuwpoortbinnendemuren.html; Wikipedia; Onroerend erfgoed.be)
19. Oude kerk (omstreeks 1640 kasteel)
Op de prent van Sanderus is de oude kerk te zien, waarbij werd aangemerkt dat deze omstreeks 1640 een kasteel was.
In 1281 werd de aan Sint-Laurentius gewijde kapel, gelegen langs de huidige Wwillem De Roolaan in Nieuwpoort, tot een parochiekerk verheven. Met de bouw van de Sint-Laurentiuskerk zou pas in de eerste helft van de 14e eeuw zijn gestart.
Er was nood aan een nieuw kerk door het stijgend aantal parochianen in Nieuwpoort.
De oude burcht tussen de huidige Potterstraat en de De Roolaan lag er zwaar gehavend bij na de stadsbrand van 1383. In 1383 werd Nieuwpoort namelijk door de Engelsen en de Gentenaren ingenomen en volledig vernield.
Van de Sint-Laurentiuskerk bleef enkel nog de robuuste vierkante toren over. Deze toren was vierkantig en stond in het midden van vier beuken. De toren zelf had een hoogte van ongeveer 36 m, zonder het puntdak meegerekend.
Na de verwoesting van de stad Nieuwpoort kreeg het stadsbestuur van Filips de Stoute de opdracht om de stad te versterken. Bij deze werken werd de ruïne van de Sint-Laurentiuskerk in de stadsversterking opgenomen. De overgebleven toren ging deel uitmaken van het versterkte kasteel dat Filip de Stoute bouwde. Deze toren was zowat de hoogste toren in de streek.
De verbouwingen werden aangevat in 1386 en waren klaar in het voorjaar van 1387.
Omgeven door een achthoekige ringmuur, versterkt met halfronde torens werd deze residentie van de militaire bevelhebber van de vorst ingeplant in de nieuwe stadsgracht en via een ophaalbrug met de stad verbonden.
Omstreeks 1430 was het kasteel van Nieuwpoort een van de sterkste vestingen van de toenmalige streek. Jan van Flornes was toen de feitelijke kasteelheer.
In het midden van de 16e eeuw bestond het kasteel uit 2 delen. Centraal stond de grote toren die als slot diende. Die leunde zowel links als rechts aan tegen de voormalige kruisbeuk van de geïntegreerde kerk.
Er was ook een neerhof met schuren, paardenstallen en huizen. In de toren, onderaan de wenteltrap, bevond zich in de 16e eeuw een gevangenis.
In de 15e en 16e eeuw heeft het kasteel geen noemenswaardige wijzigingen ondergaan. In 1578 werd de afbraak van de toren bevolen, maar deze opdracht werd nooit uitgevoerd. Het kasteel werd in 1579 ontmanteld en werd niet meer gebruikt als woonst voor opperbevelhebbers.
In de stadsrekeningen van 1578 was er sprake van de « Duvetorre ». Of dit een verbastering is van duive(n)toren of duiveltoren is nog steeds niet duidelijk.
Tot in de 19e eeuw werd het terrein rond het kasteel « kasteelland » genoemd.
In de zomer van 1819, werd de « Duvetorre » met een derde verlaagd, van vijf naar drie verdiepingen. et bouwvallig bovendeel werd afgebroken en het binnenste van het gebouw werd rond gemetseld. De toren werd onder de Nederlandse periode (1815-1830) als een buskruitmagazijn gebruikt.
In 1860, na de Belgische onafhankelijkheid, nam de regering het besluit om de militaire gebouwen in Nieuwpoort, waaronder de Sint-Laurentiustoren, te ontmantelen.
Tijdens de Slag van de IJzer in 1914, was de « Duvetorre » een richtpunt voor de vijand. De Belgische artillerie had er een observatiepost tot in 1916. De toren werd in dat jaar zwaar beschadigd, in feite tot een hoop stenen herleid.
Kort na de oorlog werd het terrein met de nog slechts 14 meter hoge torenstomp afgestaan aan de stad Nieuwpoort teneinde het behoud ervan te verzekeren.
De toren werd nooit heropgebouwd en bleef verder afbrokkelen tot de ruïne die er vandaag staat.
De stad heeft diverse consolidatiewerken voorzien die moeten zorgen dat deze ruïne enigszins in stand gehouden wordt.
(Bronvermelding: Zone-nieuwpoort.be/nieuwpoortbinnendemuren.html; Wikipedia)
20. Armenschool
Er was waarschijnlijk reeds sinds 1314 een armenschool in de omgeving van de Halle met belfort.
Deze armenschool wordt niet meer weerhouden in de legende van de prent. Het is mogelijk dat deze school intussen in verval was geraakt en/of verplaatst naar de Langestraat. De school hing af van de Sint-Niklaasabdij van Veurne.
Waarschijnlijk stonden de grauwzusters van de Hoogstraat in voor de onderwijstaken in de armenschool.