De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




MESEN  -  PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1640 is een panorama te zien van de stad Mesen. Mesen ligt in de huidige provincie West-Vlaanderen. Het is de kleinste stad van België.

Hoewel er in de Romeinse periode al bewoning was in Mesen, werd de stad voor het eerst vermeld in 1065 als “villa Mencinensis”. Deze vermelding gebeurde naar aanleiding van de bouw van het eerste vrouwenklooster in Vlaanderen in opdracht van graaf Boudewijn V en zijn vrouw Adela, de dochter van de Franse koning Robrecht I.

Mesen zelf was in die tijd een grafelijke villa, waar een jaarmarkt werd gehouden. Het was één van de vijf grote jaarmarkten in het graafschap Vlaanderen. De jaarmarkt en de invloed/bescherming van de Vlaamse graven zorgden voor een snelle groei van deze nederzetting. In 1080 werd de villa door de graaf geschonken aan het klooster, dat tot abdij verheven werd. De abdij was bestemd voor edele dames.

Daarbij stichtte Adela een kapittel van twaalf kanunniken die de erediensten in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, de abdijkerk moesten verzorgen. De abdij was een benedictinessenabdij.

In 1066 bevestigde koning Filips van Frankrijk in een keure de bezittingen die de abdij van Adela gekregen had en verleende hij aan de abdis de rechtsmacht over haar gebieden. De abdis werd in 1079 vrouwe van de stad en de heerlijkheid Mesen en mocht zich gravin van Mesen noemen. Zij regeerde over Mesen.

In die periode werd er ook al een jaarmarkt gehouden en ontstond een kleine handelsnederzetting.

De stad ontwikkelde zich vlug en in 1164 was er nood aan een tweede kerk.

Toen werd de Sint-Niklaaskapel van de handelaars verheven tot parochiekerk.

In 1228 was er al sprake van stadsgrachten.

De stad telde vijf poorten: de Armentierspoort, de Daalpoort, de Waastenpoort, de Kortrijkpoort of Oostpoort en de Ieperpoort.

Rond 1300 kreeg de stedelijke bevolking een eigen schepencollege dat het volledige gebied bestuurde.

Mesen was een bloeiende stad in de Middeleeuwen maar bij het uitbreken van de godsdienstoorlogen halverwege de 16e eeuw kreeg ze een grote klap.

Veel Mesenaars keerden zich af van de Katholieke Kerk. Omdat het Spaanse bestuur daar hard tegen optrad, vluchtten vele hervormingsgezinden met hun gezin naar Engeland of Nederland en keerden nooit meer terug.

De stad herstelde maar langzaam. In 1615 telde Mesen nog maar 600 inwoners.

De bloeiperiode was voorbij. De Sint-Niklaaskerk was in verval geraakt en werd niet meer hersteld. De parochianen vonden een onderkomen in het oude kanunnikenkoor naast de abdijkerk.

Op deze prent van van Sanderus uit de “Flandria Illustrata” van omstreeks 1640 is rechts deze abdijkerk, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, te zien.

In 1776 schafte keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk de abdij af en stichtte er een tehuis voor weesmeisjes van soldaten, het Koninklijk Gesticht van Mesen. De meisjes kregen les in de abdijgebouwen. Eenmaal 18 jaar vonden ze vlot een betrekking als kamermeisje, kindermeisje, naaister of onderwijzeres.

De abdijkerk werd meteen parochiekerk en vanaf dit moment toegewijd aan Sint-Niklaas.

Het gesticht bleef hier voortbestaan tot aan de Eerste Wereldoorlog.

In de Eerste Wereldoorlog werd Mesen door de Duitsers ingenomen. Ondanks diverse aanvallen en vele beschietingen slaagden de geallieerden er niet in om Mesen terug te nemen. Zij hielden de stad in handen tot ze in de Mijnenslag van 7 juni 1917, bekend als de Slag om Mesen, eruit gedreven werden.

De stad en het abdijcomplex werden in die jarenlange beschietingen tot een totale ruïne herleid.

Het Koninklijk Gesticht van Mesen werd na de oorlog niet meer wederopgebouwd maar vestigde zich in Lede.

De huidige Sint-Niklaaskerk, gebouwd op de fundamenten van de vroegere abdijkerk, is echter maar een fractie geworden van de vroegere kerk die hier ooit stond. De heropgebouwde kerk dateert van 1938.

De zalige Adela van Mesen, de dochter van de Franse koning Robrecht I, is geschiedkundig bekend als Adela (Adelheid) van Frankrijk. Adela speelde een belangrijke rol in de hervorming van de kerkelijke instellingen van het graafschap. Ook was ze betrokken bij de stichting van de kapittels van Ariën, Rijsel en Harelbeke en de abdijen van Mesen en Ename. Na het overlijden van Boudewijn V in 1067 trok zij naar Rome en kreeg uit de handen van de paus de sluier van een non, waarna ze zich terugtrok in de abdij van Mesen. Zij is begraven in de crypte onder het koor van de Sint-Niklaaskerk van Mesen.

(Bronvermelding: Erfgoedhaltes.be; Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)