De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
MENEN - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus wordt ons een panoramisch zicht verschaft van de stad Menen, gelegen in de huidige provincie West-Vlaanderen.
In Menen bestond reeds in het derde kwart van de 1e eeuw na Christus een kleine Gallo-Romeinse nederzetting.
Menen (Menin) is ontstaan op een doorwaadbare plaats aan de Leie en werd voor het eerst vermeld in een Latijnse keure uit 1087.
De oudste vermelding van de
Sint-Vedastuskerk (1)
gaat immers terug tot 1087 en werd daarin aangeduid als "Altare De Menin".
Het Gasthuis, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
, werd ook reeds in 1087 vermeld als "Passanten lieden Gasthuus van Minheere Sint-Jooris". Het situeerde zich langs de huidige Rijselstraat en Oude Leielaan.
De taak van het passantenhuis was de opvang en verzorging van pelgrims en vreemdelingen. Deze opvang werd verzorgd door de zusters van de orde van de heilige Augustinus. Het geheel bestond uit een klooster met een kloosterkerk.
De stad groeide uit tot een heerlijkheid en werd tot 1288 bestuurd door de familie van Menen. De heerlijkheid van Menen gaat terug op een nederzetting aan de kruising van de Leie met de heirbaan die onder meer Torhout en Rijsel met elkaar verbond. De kern van de eerste nederzetting lag in de nabijheid van de Leieovergang, ongeveer ter hoogte van het huidige kruispunt van de Oude Leielaan met de Waalvest en de Rijselstraat.
Binnen dit gebied zo genaamd "Bruel", stond vermoedelijk de herenburcht van de heren van Menen, het "Saelhof", een op een mote gelegen goed, omgeven door een watergracht. In de onmiddellijke omgeving hiervan liggen de Sint-Vedastuskerk, de oudste parochiekerk van de stad. Deze kerk werd voor het eerst vermeld in 1087.
Het grondgebied van ridder en heer Jan van Menen besloeg ongeveer 64 hectare. Hij haalde zijn inkomsten voornamelijk uit tolheffingen op het goederenverkeer langs de wegen en over het water. In 1288 ontnam de graaf van Vlaanderen, Gwijde van Dampierre, hem al zijn rechten op de heerlijkheid Menen. Dit gebeurde vermoedelijk omwille van grafelijke schulden. Hierdoor werd de graaf van Vlaanderen heer van Menen. Het beheer van de heerlijkheid werd toevertrouwd aan een baljuw en de herenburcht werd grafelijk eigendom.
Vanaf 1298 viel Vlaanderen onder het bewind van de Franse koning. Deze wees de heerlijkheid van Menen in naam van Filips de Schone in leen toe aan ridder Willem van Mossere.
In 1305 kwam de heerlijkheid weer in grafelijke handen terecht.
De economische bloei van de stad nam een aanvang in 1351, na het toekennen van de stadsrechten door Lodewijk van Male, heer van Menen. De heerlijkheid ontwikkelde zich binnen afzienbare tijd tot een gereputeerde lakenstad, waarin ook de brouwerijnijverheid aan belang won.
De eerste
Sint-Vedastuskerk (1)
werd afgebroken in 1383 en vervangen door een nieuwe gotische kerk.
Sinds het begin van de 15e eeuw kende de lakennijverheid een zware terugval.
In 1416 werd het klooster, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
, heropgebouwd. De kerk werd voorzien van een klok.
Omstreeks 1450 werd de mote van de herenburcht afgegraven, de grachten werden gedempt en het terrein werd bebouwd. De stad breidde geleidelijk aan uit.
Tussen 1454 en 1463 werd de
Sint-Vedastuskerk (1)
verbouwd en uitgebreid met een nieuwe zijbeuk. De oude toren wordt afgebroken en herbouwd.
In 1473 werd deze kerk ingewijd.
In 1488 werd de stad geplunderd door de troepen van Frederik III, omdat het in opstand was gekomen tegen het gezag van Maximiliaan van Oostenrijk. De stad had vaak te lijden onder militaire acties, dit door haar ligging op de grens tussen de kasselrijen van Kortrijk en Rijsel, door haar economisch belang en door de strategische waarde van de brug tussen Menen en Halewijn.
Een stadsbrand in 1488 legde drie kwart van de stad in de as.
In het graafschap Vlaanderen was Menen de hoofdplaats van de zogenaamde roede van Menen, een van de vijf roeden van de kasselrij van Kortrijk. In die hoedanigheid bezat Menen een stedelijk bestuur met een stadsmagistraat en schepenen. De oudste verwijzing naar het
Stadhuis (2)
dateert echter pas van 1548, toen er op 9 mei een grote stadsbrand woedde, die het grootste deel van de gebouwen op de Grote Markt in de as legde. Ook het toenmalige stadhuis viel ten prooi aan de vlammen.
Naar schatting 570 van de 700 woningen gingen verloren.
Keizer Karel vaardigde de nodige financiële tegemoetkomingen uit om de stad te helpen.
Na de stadsbrand werd het marktplein vergroot.
Een aantal nieuwe openbare gebouwen, waaronder het
Stadhuis (2)
, werden opgetrokken.
Tussen 1562 en 1568 werd een nieuw
Stadhuis (2)
gebouwd. Het bevatte een gevangenis, lakenhal, conciërgewoning, stadswaag en vleeshuis.
De
Sint-Vedastuskerk (1)
werd sterk beschadigd tijdens de beeldenstorm van 1566. Het interieur van de kerk werd geplunderd.
In 1566 werd ook het klooster, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
volledig vernield tijdens de beeldenstorm. Tussen 1592 en 1610 verbleven de zusters waarschijnlijk in een woning ter hoogte van de huidige kerkomtrek.
Ondanks het economische belang van de stad is Menen zeer lang een open stad gebleven. De eerste versterkingswerken werden pas gebouwd in 1566, waarbij de stad beschermd werd tegen de Spanjaarden.
Het
Belfort (3)
van Menen werd gebouwd tegen het toenmalige stadhuis op de Grote Markt. De eerste steen werd gelegd in 1574, maar omdat toen de godsdienstoorlogen volop woedden, zette men in 1576, nauwelijks twee jaar na het begin van de werken, de bouwwerken stop.
In 1576 kwamen de 17 Provincieën in opstand tegen de Spaanse bezetting. Nog voor de laatste werken aan de vestingen voltooid waren, werd de stad ingenomen door de Malcontenten.
De eerste echte omwalling kwam er pas in 1578 toen Menen zich aansloot bij de opstand van de Nederlanden tegen Spanje.
De Gentse calvinistische leiders van deze opstand namen het initiatief om de stad van een omwalling te voorzien. De eerste versterking bestond uit aarden wallen met grachten en palissaden en wordt voortdurend verbeterd tot deze bestond uit een aantal grote rechte fronten met kleine bastions. Het geheel was omgeven met een brede gracht gevuld met water afkomstig van de Leie.
De omwalling was voorzien van 3 poorten, de Ieperse, de Brugse en de Kortrijkse poort. Een vierde, de Rijselsepoort lag aan de niet-versterkte Leieoever.
Menen bleef in hun handen tot 1579, wanneer de stad vanuit Kortrijk door Schotse troepen werd heroverd en opnieuw bij de Staten-Generaal werd gevoegd.
In 1582 werd Menen bevrijd door Spaanse troepen onder leiding van Alexander Farnese.
Tijdens de eerste helft van de 17e eeuw bleef Menen gespaard van oorlogen en plunderingen.
De bouw van het
Belfort (3)
wordt opnieuw aangevat in 1602 en voltooid in 1610. Op de bestaande onderbouw, die in natuursteen is opgetrokken, kwam een bovenbouw in baksteen. Daarbovenop bouwde men nog een houten spits, met een koepelvormig dak en een lantaarn.
In 1603 vestigden de kapucijnen zich in Menen, op vraag van het stadsbestuur. Ze bouwden er het
Kapucijnenklooster (4)
.
Bij het klooster bouwen ze ook een kloosterkerk.
In 1608 werd het
Kapucijnenklooster (4)
en de kerk ingewijd.
In 1611 gaven de aartshertogen Albrecht en Isabella toelating aan de zusters om geld in te zamelen om het klooster en de kerk, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
, te herbouwen. Onder druk van de stedelijke overheid moest ook voorzien worden in de verzorging van de zieken van de stad. In 1616 waren de kerk en het klooster
heropgebouwd en werd het Sint-Jorisaltaar van de kerk ingezegend.
Vanaf 1627 was er voor het eerst sprake dat onderwijs werdt verstrekt in het klooster. Bovendien bood het klooster onderdak aan oudere vrouwen op rust die hiervoor betaalden.
In 1635 verklaarde Frankrijk de oorlog aan Spanje. De oorlog (die tot 1678) zou duren, werd in 1644 ook in Vlaanderen uitgevochten.
Van 1639 tot 1641 werd een nieuwe kloosterkerk bij het
Kapucijnenklooster (4)
gebouwd.
Menen, tot dan nog steeds in Spaanse handen, werd in 1645 ingenomen door het Franse leger.
Door de vrede van de Pyreneeën (1658) werd de stad opnieuw bij de Spaanse Nederlanden gevoegd.
In de overtuiging van een definitieve vrede werden de wallen en bastions afgebroken, de grachten werden gedempt en enkel de stadspoorten bleven overeind.
De oorlog tussen Frankrijk en Spanje kende echter nog een vervolg met de "Devolutieoorlog" in 1667 en 1668.
In 1673 werd de kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
verlengd en voorzien van een nieuwe voorgevel.
Door het verdrag van Nijmegen (1678) werd Menen van de kasselrij van Kortrijk losgemaakt en werd het opnieuw Frans grondgebied.
Door de bezetting van de Nederlanden door de Spanjaarden werden in opdracht van de Fransen tussen 1678 en 1689 de vestigingsmuren aangepast.
De aanleg van de versterkingen hadden als gevolg dat heel wat privéwoningen moesten afgebroken worden en ook het stratenpatroon onderging wijzigingen. In Halewijn werden de kerk en een 80-tal huizen gesloopt.
In 1684 werd een nieuwe kloostervleugel opgetrokken van het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
. Tijdens de oorlogen worden zowel de ziekenverzorging als de onderwijstaken uitgebreid.
In 1694 brak opnieuw brand uit in het
Stadhuis (2)
. Het schepenhuis werd vernield, maar het belfort ernaast bleef gespaard. De Franse koning Lodewijk XIV gaf toestemming om het schepenhuis te herstellen, maar enkele jaren later werd Menen betrokken in de Spaanse Successieoorlog.
In het begin van de 18e eeuw zorgde de Spaanse Successieoorlog (1702-1723) ervoor dat Menen nogmaals werd belegerd.
In 1706 trokken de geallieerde troepen onder leiding van de hertog van Marlborough door Vlaanderen. Kortrijk werd veroverd en van daaruit werd de noordelijke Franse grens belegerd, zo ook de stad Menen.
In hetzelfde jaar capituleerde de stad en werden de Franse legers verdreven. De schade was zeer groot.
Bij de beschietingen werd een deel van het
Stadhuis (2)
verwoest.
Ook de
Sint-Vedastuskerk (1)
werd sterk beschadigd tijdens deze belegering.
De spits van het
Belfort (3)
werd er afgeschoten. Daarna werd het belfort hersteld en kreeg het er meteen nog een derde, achthoekige bovenlaag bij. En ook op deze derde verdieping bouwde men opnieuw een houten spits, met een koepelvormig dak met lantaarn.
Tijdens het beleg van Menen werd ook het
Kapucijnenklooster (4)
vernield.
In 1706 kwam de stad in Oostenrijks bezit.
Omstreeks 1710 werd het
Stadhuis (2)
hersteld.
Tussen 1710 en 1713 werden ook de
Sint-Vedastuskerk (1)
en het
Kapucijnenklooster (4)
heropgebouwd.
Met de vrede van Utrecht in 1713 werd Menen toegevoegd aan het Oostenrijks grondgebied.
Door het Barrièretractaat van 1715 werden in Menen Hollandse troepen gelegerd om een Franse aanval te voorkomen.
In 1736 werd een nieuwe pensionaatsvleugel gebouwd aan het klooster, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
.
Met de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) verklaarde Frankrijk de oorlog aan Oostenrijk en trok het de Nederlanden in.
In 1744 werd gestart met een systematisch bombardement van de stad Menen. Het Hollands garnizoen gaf zich over en één dag later deed Lodewijk XV zijn plechtige intrede in de stad.
Na het beleg werden de kazematten opgeblazen en de meeste militaire gebouwen afgebroken. Menen werd weer een open stad.
In 1744 werd ook het
Kapucijnenklooster (4)
vernield door de troepen van Lodewijk XV. In 1745 werd, onder impuls van dezelfde Lodewijk XV, reeds begonnen met de heropbouw van dit klooster.
Door het verdrag van Aken (1748) werden de Zuidelijke Nederlanden opnieuw onder Oostenrijks bewind geplaatst.
In 1748 werd Menen opnieuw een barrièrevesting, nu onder Habsburgs gezag.
Economisch kende Menen een korte bloeiperiode na 1748.
In 1773 werd de toren van de
Sint-Vedastuskerk (1)
deels afgebroken.
In 1781 werd deze toren opnieuw geconstrueerd op de natuurstenen sokkel die terugging tot de kerk van 1453.
Er werden plannen gemaakt om de vestingen te herstellen maar Keizer Jozef II ging in 1782 over tot de verkoop van de militaire terreinen. Menen verloor als een open stad zijn militaire waarde.
Op 10 augustus 1782 verleende keizer Jozef II de toestemming voor de bouw van het huidige
Stadhuis (2)
op de Grote Markt, dat "het Landhuys" werd genoemd. Er kwam een vergaderplaats voor de baljuw en de schepenen van de roede van Menen en voor de stedelijke magistraat. Voorts kwam er een woning voor de griffier, een gevangenis en een archiefbewaarplaats.
Zowel tijdens als na de Franse Revolutie werden de gebouwen van het klooster, het latere
Sint-Jorishospitaal (5)
zwaar beschadigd.
Tussen 1792 en 1794 wisselde Menen opnieuw verschillende malen van bezetter.
Op 18 juni 1792 werd het veroverd door Franse troepen onder leiding van maarschalk Lucker, die vanuit Menen ook Kortrijk onderwierp. Op 29 juni werden de Fransen opnieuw verdreven door de Oostenrijkse troepen.
In 1793 werd Menen afwisselend bezet door Fransen, Oostenrijkers, Hollanders, nogmaals Fransen en opnieuw Oostenrijkers.
Menen werd in 1794 opnieuw zwaar geteisterd door een Frans bombardement vanuit Halewijn. De Oostenrijkse troepen capituleerden en Menen werd opnieuw Frans bezit.
De beschietingen hadden als gevolg dat één tiende van de woningen in puin lag.
Ook de
Sint-Vedastuskerk (1)
werd zwaar beschadigd.
De hallen en de waag bij het
Stadhuis (2),
aan de zijde van de Groentenmarkt werden in puin geschoten en een groot deel van het complex bleef jarenlang in ruïne. Het schepenhuis bleef gelukkig gespaard.
Na de overwinning van de Fransen werd de roede van Menen afgeschaft, de gebouwen van het stadhuis werden aangeslagen en verhuurd aan het stadsbestuur.
In 1794 schoten de Franse republikeinse troepen nog een keer de lantaarn van het
Belfort (3)
. Deze werd niet meer vervangen.
De vestingen werden grotendeels platgebombardeerd. Slechte enkele delen in het noordwesten van de stad en twee bolwerken bij de Leie bleven bewaard.
Alle kerkelijke eigendommen worden in 1794 verbeurd verklaard en verkocht.
De
Sint-Vedastuskerk (1)
werd gesloten.
De kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
werd door de Fransen aangeslagen en ingericht als paardenstal en bevoorradingsmagazijn.
Het Sint-Jorisklooster, het latere
Sint-Jorishospitaal
(5) bleef gespaard omdat de zusters zich ten dienste stelden van het openbaar nut namelijk de armen en de zieken.
Tussen 1795 en 1806 werd de kloostertuin van het
Kapucijnenklooster (4)
ingericht als kerkhof.
In 1796 werden de kapucijnenmonniken uit hun klooster verdreven. De kloostergebouwen werden echter niet verkocht maar bleven staatseigendom.
De gebouwen zelf kenden een wisselende bestemming zoals onder meer magazijn, militair hospitaal, arsenaal, stadsmagazijn, concertzaal, lagere school, circus en vredegerecht.
In 1801 stortte de door oorlogsgeweld sterk beschadigde
Sint-Vedastuskerk (1)
na een zware storm gedeeltelijk in.
Er werd besloten de kerk, met uitzondering van de toren, volledig te slopen en herop te bouwen.
Tussen 1807 en 1820 fungeerde de de kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
als parochiekerk ter vervanging van de door een orkaan verwoeste Sint-Vedastuskerk.
De Hollandse periode werd gekenmerkt door een actieve heropbouw.
In 1807 startten de werken van de heropbouw van de
Sint-Vedastuskerk (1)
die in 1809 stilvielen wegens geldgebrek.
In 1808 gaf Napoleon toelating om het
Stadhuis (2)
("Landhuys") te restaureren.
Menen bleef Frans grondgebied tot in 1814. Op 16 februari 1814 werd Menen namelijk door de geallieerden bezet, maar 10 dagen later wisten de Fransen de stad te heroveren. Op 20 maart 1814 bleef Menen dan definitief in handen van de geallieerden.
Vanaf dat jaar werd dus het Franse bewind verdreven en brak de Hollandse periode aan.
Na het congres van Wenen in 1815 werden een aantal steden aan de grens met Frankrijk versterkt als voorzorgsmaatregel tegen eventuele nieuwe aanvallen. Door zijn rol als bufferstad tegen Frankrijk werd Menen opnieuw voorzien van vestingen.
Nadat de rust was weergekeerd, werd vanaf 1815 weer de ziekenzorg van het Sint-Jorisklooster opgenomen, zodat men vanaf nu het complex als het
Sint-Jorishospitaal (5)
kon benoemen. Dit hospitaal was het eerste burgerlijk hospitaal van Menen. Voordien werd immers hoofdzakelijk aan thuisverpleging gedaan. De gebouwen werden naast hospitaal ook tijdelijk gebruikt als kruidmagazijn en gevangenis.
In Menen werden vanaf 1817 nieuwe vestingen opgericht.
In 1819 werden de werkzaamheden aan de
Sint-Vedastuskerk (1)
heropgestart.
Tussen 1823 en 1840 werden de waag en de hallen hersteld. In plaats van hallen werden er echter vijf woningen met winkelruimte voorzien en twee ruime burgerhuizen.
In 1825 werd de nieuwe spits op de westtoren van de
Sint-Vedastuskerk (1)
geplaatst.
In 1828 werd het
Belfort (3)
hersteld en werd er een vierde, achthoekige verdieping toegevoegd, dit keer afgesloten met een opengewerkte balustrade.
In 1828 werden ook de zwaar beschadigde gebouwen van het
Sint-Jorishospitaal (5)
gerestaureerd. In 1829 werd nieuw gebouw langs de Leie opgetrokken.
Vanaf 1830 werd de Sint-Joriskapel van dit hospitaal opnieuw opengesteld voor religieuze diensten.
In 1838 werd er begonnen met de bouw van nieuwe vleugels om het vierkantcomplex van het
Stadhuis (2)
terug te sluiten. Langs de zuidzijde werd de waag heropgebouwd. In de Ieperstraat werd een rij van vijf aaneengeschakelde woningen met winkelpuien gebouwd, en langs de Groentenmarkt werd het geheel afgesloten door twee statige woningen, een voor de secretaris en een voor de commissaris.
In 1839 werd een nieuwe hospitaalvleugel gebouwd bij het
Sint-Jorishospitaal (5)
. Ook het schoolgebouw aan de overzijde van de straat werd grondig uitgebreid.
In 1852 werd de vleugel van het
Sint-Jorishospitaal (5)
langs de straatkant, die als pensionaat dienst deed, met één verdieping verhoogd.
Een deel van de terreinen van de vestingen van Menen werd verkocht. Een aantal van de nieuwe eigenaars sloopten op eigen kosten de vestingen. Toch bleven er nog belangrijke fragmenten en militaire bouwwerken (zoals een wapenarsenaal) bewaard.
Enkele militaire gronden en gebouwen worden verkocht in juli 1856.
Het militair hospitaal werd eerst omgevormd tot kazerne en nadien tot regimentsschool.
In 1857 werd het
Kapucijnenklooster (4)
aangekocht door de stad en gerestaureerd in 1861. Onder meer de grafcrypte werd dichtgemetseld (en in 1973 herontdekt bij de restauratie van het gebouw).
In 1873 werd de Sint-Franciscusparochie opgericht die gebruik maakte van de voormalige kerk van het Kapucijnenklooster. De kerk werd vanaf dan Sint-Franciscuskerk genoemd.
De andere kloostergebouwen deden achtereenvolgens dienst als school, vredegerecht en pastorie.
In 1887 kon men de oude pensionaatsgebouwen van het
Sint-Jorishospitaal (5)
, die waren aangeslagen door het liberale stadsbestuur terugkopen.
Het
Stadhuis (2)
werd gerestaureerd in 1896.
In 1898 konden alle gebouwen worden teruggekocht door het
Sint-Jorishospitaal (5)
die tot dan beheerd waren door het bestuur van Burgerlijke Godshuizen.
De ontmanteling van de vestingen en de bevolkingsaangroei heeft het bewoningspatroon in de tweede helft van de 19e eeuw ingrijpend gewijzigd. De stad werd beter aangesloten op het wegennet en er kwamen spoorwegverbindingen tot stand.
In de 19e eeuw beschikte Menen niet over een bloeiende industrie. De geringe industriële bedrijvigheid in Menen bestond voornamelijk uit vlas, katoen, kant en tabak.
Tegen het einde van de 19e eeuw kende de vlas- en tabaksnijverheid een economische heropbloei.
De economische heropbloei van voornamelijk vlas- en tabaksnijverheid kende een einde door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.
Menen had enorm te lijden onder het oorlogsgeweld. Ongeveer de helft van de huizen werd vernield of zwaar beschadigd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het
Stadhuis (2)
gebruikt als hoofdkwartier door Duitse troepen. Maar het complex bleef tijdens deze oorlog gespaard van grote schade.
De Leie werd in 1921 gedeeltelijk rechtgetrokken.
In 1936 werd een deel van de gebouwen van het
Kapucijnenklooster (4)
gesloopt voor de aanleg van een éénrichtingsstraat rond de kerk.
De Tweede Wereldoorlog vormde een breekpunt; er kwamen betere en snellere verbindingen tussen de verschillende steden en de mechanisatie in de landbouw kwam op.
Na 1945 werd het
Stadhuis (2)
nog verder verbouwd.
In 1969 werden de overgebleven gebouwen van het
Kapucijnenklooster (4)
afgebroken om plaats te maken voor een parkeerterrein.
Voornamelijk rond het einde van de jaren 1960 en bij het begin van de jaren 1970 werden heel wat oude vleugels van het
Sint-Jorishospitaal (5)
gesloopt.
In 1973 werd de Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
gerestaureerd waarbij het interieur werd gewijzigd.
In 1974 werd 18e-eeuwse Sint-Jorisaltaar van het Sint-Jorishospitaal bij de afbraak overgebracht naar de Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
.
In 1978 werd een modern gebouwenblok van het
Sint-Jorishospitaal (5)
opgericht langs de Rijselstraat.
In 1994-1995 werd de Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
opnieuw gerestaureerd.
In 1998-1999 werd de
Sint-Vedastuskerk (1)
gerestaureerd.
De parochie Sint-Franciscus werd in 2014 opgeheven en gevoegd bij de parochie Sint-Vedastus. De Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
bleef wel in gebruik als hulpkapel.
De Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
, werd ontwijd in 2019 en sindsdien gebruikt voor culturele en sociale evenementen.
De
Sint-Vedastuskerk (1)
, gelegen langs de Rijselstraat in Menen, heeft thans een driebeukig schip van acht traveeën en een koor van één rechte travee en halfronde sluiting. De toren staat deels vrij.
Door de veelvuldige verbouwingen was het
Stadhuis (2)
aan het eind van de 20e eeuw binnenin dichtgeslibd, moeilijk toegankelijk en onleesbaar geworden. Met een grondige restauratie en vernieuwing werd het stadhuis hierna volledig gereorganiseerd en in ere hersteld.
Het
Belfort (3)
in Menen is thans elke dag gratis te bezoeken. Na een klim van 164 treden heeft men boven een schitterend 360° uitzicht over de stad en de omgeving.
De Sint-Franciscuskerk, de voormalige kerk van het
Kapucijnenklooster (4)
, werd grondig gerenoveerd tot een volwaardige culturele (theater)zaal (De Kapucine) met heel wat mogelijkheden. Verenigingen, bedrijven en particulieren kunnen de locatie huren voor allerlei activiteiten.
Heden blijft enkel de oude 18e-eeuwse hospitaalvleugel van het
Sint-Jorishospitaal (5)
behouden.
De zusters van het hospitaal verzorgden doorheen de eeuwen de patiënten. Het Sint-Jorishospitaal werd in 2001 overgenomen door het Heilig-Hartziekenhuis waarna dit ziekenhuis zijn naam veranderde in Heilig-Hartziekenhuis Roeselare-Menen.
Na een fusie maakt het ziekenhuis thans deel uit van AZ Delta. Ook na deze fusie functioneert het verder als het algemeen ziekenhuis voor de regio Menen.
(Bronvermelding: deze tekst werd opgemaakt in 2025 en is gebaseerd op info van Onroerenderfgoed.be)