De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




LO - PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Deze prent van Sanderus toont ons een panorama van omstreeks 1640 van de gemeente Lo in de huidige provincie West-Vlaanderen, gezien vanuit het oosten.

Lo is een deelgemeente van Lo-Reninge. Lo is een klein middeleeuws stadje; de fusiegemeente Lo-Reninge verkreeg in 1985 opnieuw de stadstitel.

Reeds in de Romeinse tijd zou het gebied van Lo doorsneden zijn door een weg, waar tegenwoordig ongeveer de hoofdstraat loopt. Ten noorden ontstond geleidelijk een nederzetting rond een grafelijke residentie van het type mote met opperhof en neerhof.

In de 12e eeuw bewoonde Willem van Lo een versterkte vesting in Lo. Deze vesting bevond in de noordwestelijke kant van de stad. Het ging waarschijnlijk om een omwalde mote met een typerende opperhof-neerhofindeling.

Volgens een recente hypothese zou deze versterking gegroeid zijn als onderdeel van een verdedigingsgordel in de tweede helft van de 9e eeuw aangelegd tegen de invallen van de Noormannen.

Vanaf de 12e eeuw kreeg de plaatselijke Sint-Pietersproosdij (1093-1797), die later een augustijnerabdij werd, de controle over de gebieden ten noorden van de hoofdweg. Aan de zuidzijde ontstond de stad Lo rond het marktplein, onder controle van de graaf van Vlaanderen.

Tijdens het Frans-Vlaams conflict van 1213-1214 werden de stad en de abdij met een wal en gracht en houten poorten beveiligd.

In 1340 kende de lakennijverheid in Lo een hoogtepunt.

In 1382 werd de stad Lo bezet door de Engelsen, gesteund door de Gentenaren.

In 1435 plunderden de Engelsen ook de stad Lo. In dat jaar werd de kerk in brand gestoken.

In 1438 en waarschijnlijk ook in 1455 braken pestepidemieën uit te Lo.

In 1468, 1478, 1481 en 1489 werd Lo belegerd door Franse troepen.

In 1492 werd het Grauwzustersklooster gesticht.

De twee delen, Noordover en Zuidover, zouden tot aan de Franse Revolutie een enigszins eigen evolutie kennen.

Economisch volgde een neergang toen de lakennijverheid rond het midden van de 16e eeuw uitdoofde.

In 1565 werd het stadhuis gebouwd.

In 1580 werd Lo in het strijdgewoel geteisterd door een felle brand.

Op last van de hertog van Anjou en de Prins van Oranje werden de poorten omstreeks 1580 ontmanteld, zodat Lo, op de Westpoort en de stadsmuur na, een 'open stad' werd.

Wellicht werd ook het kasteel, dat op de plaats van de mote werd gebouwd, door de Geuzen vernield.

In 1584 werd Lo heroverd door de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, hertog van Parma.

In 1596 had Lo te lijden onder de expeditietochten van het garnizoen van de Verenigde Provinciën vanuit Oostende.

In 1621 werd de Proosdij van Sint-Pieters officieel verheven tot abdij.

In 1630 werd de kapelanie gebouwd. Het huidige gemeentehuis gaat hierop terug, doch werd na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwd.

Omstreeks 1640 beeldde Sanderus in zijn "Flandria Illustrata" Lo af, onder meer met afbeelding van de "kerck van het Clooster ende de Prochie", het « Clooster » (de abdij), het "Stadt-huys ofte Halle", het « Gasthuis », de Grauwe zusters en " 't Sieck-Huys van 't Clooster".

In de tweede helft van de 17e eeuw werd Lo beurtelings veroverd en heroverd door de Fransen en Spanjaarden gedurende de Frans-Spaanse oorlogen.

Als onderdeel van Veurne-Ambacht behoorde Lo sinds de Vrede van Aken (1668) tot Frankrijk. De stad werd tussen 1645 en 1688 verschillende keren geplunderd. Bovendien brak in 1666 en 1669 de pest uit.

Door het Verdrag van Utrecht ressorteerde Lo vanaf 1713 onder de Oostenrijkse Nederlanden.

In 1717 was er de verovering van Lo door de Fransen. Vanaf 1725 behoorde Lo opnieuw tot de Oostenrijkse Nederlanden.

Tijdens de Franse Revolutie en de verovering en bezetting van onze gewesten die daarmee gepaard gaat, wordt Lo tussen 1791 en 1802 opnieuw belegerd.

In 1796 werden de goederen van alle geestelijke instellingen genationaliseerd. De Sint-Pietersabdij werd in 1797 aangeslagen en verkocht. Enkel de kerk, de abtswoning, de kapelanie, enkele huizen in de Noordstraat, de duiventoren en enkele hoevegebouwen werden van de sloop gered.

Ook de goederen van het klooster van de Grauwe Zusters werden aangeslagen. Lo verloor in deze periode het statuut van stad. Ook de opdeling in Noord- en Zuidover viel weg.

De stad Lo behoorde tot de Franse revolutie tot de kasselrij Veurne-Ambacht. Kerkelijk behoorde de stad Lo tot 1559 tot het bisdom Terwaan; van 1559 tot 1801 tot het bisdom Ieper; van 1801 tot 1834 tot het bisdom Gent en sinds 1834 tot het bisdom Brugge.

In 1836 werd de gemeenteschool opgericht.

Vóór 1849 werd een gedeelte van de stadsgracht tussen de huidige Ooststraat en de abdijhoeve (Noordstraat) gedempt.

In 1868 werd een nieuwe gemeenteschool gebouwd.

De stad werd in de Eerste Wereldoorlog door de beschietingen zwaar getroffen.

De toren van de Sint-Pieterskerk werd in 1915 opgeblazen door de Belgische genietroepen. De Sint-Pieterskerk, het Stadhuis, het Gasthuis, het Grauwzustersklooster, de pastorie en de huizen in de omgeving van de markt en de Ooststraat werden door de Duitsers gebombardeerd.

Verschillende gebouwen in Lo werden zwaar beschadigd, maar de meeste historische monumenten en gebouwen bleven gespaard. Doorheen de eeuwen bleef het stadje redelijk klein, en de stadskern bleef grotendeels binnen het middeleeuwse gebied.

Op 1 januari 1971 annexeerde Lo het dorpje Pollinkhove. Op 1 januari 1977 volgde de fusie met Reninge tot de nieuwe gemeente Lo-Reninge. Reninge had zelf in 1971 al de gemeente Noordschote geannexeerd.

(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)


Hieronder tonen we de meest markante plaatsen van omstreeks 1640 die op de prent van Sanderus werden afgebeeld:




1. Grauwzustersklooster

Het Grauwzustersklooster werd in 1492 gesticht in Lo, dit , vanuit het huis van de derde-ordelingen van de Heilige Franciscus in Nieuwpoort.

De oorsprong van de Grauwzusters is nauw verbonden met de armoedebeweging van de 12e en 13e eeuw en ontstaan uit de derde orde van de Heilige Franciscus. Een groep devote vrouwen legde zich toe op ziekenzorg en onderwijs en kreeg naderhand de toelating van Rome om kloostergeloften af te leggen.

In 1493 kochten de zusters een gebouw met aanhorigheden in de Zuidstraat.

Met toestemming van Maximiliaan van Oostenrijk werd hierop een kleine kapel, eetzaal, slaapplaats en torentje met klok
opgetrokken.

Omstreeks 1550 werd het klooster aan de westzijde nog uitgebreid met een T-vormige vleugel. Omstreeks 1560 werd een traptoren gebouwd in de oksel van de kapel en de haakse uitbouw.

Het tot op vandaag bewaarde blok van kapel, doksaal, keuken en mogelijk ook de haakse uitbouw (zuidoostelijke vleugel) gaan wellicht terug op deze fase.

Het klooster bevond zich op de Markt aan de hoek met de huidige Zuidstraat. Het klooster was een ommuurd geheel met ten noorden de kloostergebouwen.

In de tweede helft van de 16e eeuw en de 17e eeuw werd het klooster wellicht verscheidene malen beschadigd ten gevolge van het oorlogsgeweld in het kader van de godsdiensttroebelen en de Franse invallen.

De toren werd bijvoorbeeld in 1560 verbouwd, in 1579 verwoest en daarna kleiner heropgebouwd.

In 1654-1655 was er een uitbreiding van het klooster in zuidelijke richting.

De grauwzusters stichtten in 1763 een school.

In de 18e eeuw was er een uitbreiding van de zuidwestelijke vleugel door de aanbouw van vier traveeën.

Tijdens de Franse bezetting werden het klooster en de school in 1798 aangeslagen en openbaar verkocht. De koper was een vertrouweling van de grauwzusters en in augustus 1798 werd de school alweer heropend.

In de periode 1815-1820 kochten de zusters systematisch al hun goederen terug van de kopers.

In 1836 startten de kloosterzusters met een katholieke jongensschool in de Zuidstraat.

Het klooster werd tijdens de beschietingen in de Eerste Wereldoorlog sterk beschadigd.

Tussen 1922 en 1926 werd het klooster gedeeltelijk heropgebouwd en hersteld.

De grauwzusters boden het klooster te koop aan aan het gemeentebestuur van Lo-Reninge toen nog twee zusters in het klooster verbleven.

In 2007 werd beslist het klooster aan te kopen.

Op 11 mei 2012 werd het officieel ingehuldigd als nieuw Stadhuis van Lo-Reninge.

(Bronvermelding : Wikipedia)



2. Gasthuis

Het Gasthuis (Sint-Jansgasthuis of Hospitaal) bevond zich aan de oostzijde van de Markt.

Dit Gasthuis werd waarschijnlijk reeds in 1260 opgericht door Margareta van Constantinopel.

Behoeftige vrouwen, pelgrims en ouderen vonden er een onderkomen. 

Het gebouw werd volledig verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog en op die plaats niet heropbouwd.

Het werd na de Eerste Wereldoorlog vervangen door een huizenrij.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed)



3. Stadhuis met belfort

Het (oud) Stadhuis met belfort bevond zich op de huidige Markt in Lo.

Het Stadhuis werd in 1565-1566 gebouwd in renaissancestijl, ter vervanging van een ouder,  vervallen stadhuis. Op de hoek van het Stadhuis staat een belforttoren, die op twee Toscaanse zuilen steunt. Bovenaan eindigt de toren in vier trapgevels, met galmgaten voor de klokken.

De onderkant van de toren, met rondbogen boven de zuilen, is opengewerkt tot een pui, waarvan vroeger officiële mededelingen werden voorgelezen.

In het begin van de 12e eeuw werd Lo opgedeeld in twee aparte juridische entiteiten waarbij de as van de huidige Oost- en Weststraat de grens vormde. Het zogenaamde « Zuidover » viel onder de bevoegdheid van de graaf van Vlaanderen, het « Noordover » onder de bevoegdheid van de proost van de abdij. Elk gebied beschikte over zijn eigen baljuw, burgemeester en schepenbank.

Deze opdeling zorgde regelmatig voor betwistingen, bijvoorbeeld over het onderhoud van de kloosterkerk die ook als parochiekerk fungeerde, of over de aanstelling van de stadsmagistraten.

In 1520 werd een nieuwe overeenkomst afgesloten: de proost en de graaf bleven elk hun burgemeester en schepenen benoemen, maar het opperste, middelste en lager gerecht van de stad werd voortaan geregeld door een gemengd college.

Reeds in de tweede helft van de 19de eeuw deed het stadhuis ook dienst als herberg, eethuis en logementshuis.

In 1906 werd het Stadhuis gerestaureerd.

Het gebouw wordt thans als hotel-restaurant gebruikt.

De diensten van het Stadhuis werden overgebracht naar een gebouw van het voormalig Grauwzustersklooster.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)



4. Sint-Pieterskerk

De Sint-Pieterskerk is gelegen langs de huidige Ooststraat in Lo. Deze kerk is thans nog steeds de kerk van de Sint-Pietersparochie.

Het oudste gedeelte van deze kerk, het gotische priesterkoor, stamt uit de 13e eeuw.

In 1119 werd reeds melding gemaakt van de kerk; later is die verschillende malen verbouwd. Tussen 1435 en 1496 werden de zijbeuken en het zuidertransept verder opgetrokken.

In 1478 werd de kerk geplunderd.

De hallenkerk in laatgotische stijl was vroeger een deel van de Sint-Pietersabdij van de augustijnen.

In 1566 vernietigden de beeldenstormers de Sint-Pieterskerk.

Een brand in 1580 maakte een heropbouw noodzakelijk. Die gebeurde in dezelfde stijl.

De monniken gebruikten het deel van de kerk tussen het transept en het priesterkoor, voorzien van een houten koorgestoelte uit 1624.

De noorderbeuk deed dienst als abtskapel.

In 1847 werd de abdijkamer die de parochiekerk afsloot van de abtskapel afgebroken.

Een neogotische toren met een stenen spits verving de oude, romaanse vieringtoren (1866-1869).

Van 1911 tot 1913 gebeurden er ingrijpende restauratiewerken aan de Sint-Pieterskerk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, namelijk in 1915, werd de toren opgeblazen door de Belgische genietroepen en van de kerk zelf bleef alleen het opgaande muurwerk overeind.

Na de oorlog werd de kerk, opnieuw volgens de oude plannen, heropgebouwd. De vernielde 19e-eeuwse toren werd wel door een iets lager exemplaar vervangen.

Het huizenblok ten zuiden van de Sint-Pieterskerk werd na de Eerste Wereldoorlog niet heropgebouwd zodat de kerk min of meer vrij kwam te staan aan de zijde van de Markt.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)



5.  Sint-Pietersabdij

Op de prent van Sanderus van Lo is de Sint-Pietersproosdij prominent aanwezig.

Er zijn aanwijzingen dat de Sint-Pietersproosdij alsook de kerk gegroeid zijn uit een castrale kapel, waarbij wellicht door Filips van Lo op het eind van de 11de eeuw een kapittel van seculiere kanunniken werd gesticht.

De kapel maakte deel uit van een versterking waarvan de plaats van de mote in Lo was gelokaliseerd.

Zowel Filips van Lo (zoon van Robrecht de Fries en vader van Willem van Lo) als Willem van Lo (geboren voor 1104) kunnen tot de belangrijkste weldoeners van deze proosdij worden gerekend. Reeds in 1093 schonk Filips van Lo zijn tol- en opstalrechten aan de jonge proosdij.

Willem van Lo was een onwettige telg van het grafelijke huis van Vlaanderen. Hij was de bastaardzoon van Filips van Lo en een Ieperse wolkaardster. Hij was ooit kandidaat om graaf Karel de Goede op te volgen, maar moest naar Engeland vluchten. Na zijn terugkeer werd hij de mecenas van de Sint-Pietersabdij.

De bisschop van Terwaan verzocht in 1119 aan het kapittel om de regel van Augustinus aan te nemen.

In 1220 werd de Augustijnerproosdij van Sint-Pieters door de paus bevestigd.

In 1231 gaf de bisschop van Terwaan de toestemming aan de abdij om de werking van het in die periode opgerichte hospitaal verder te zetten.

In 1269 wordt bij de uitbreiding van de abdij een stuk van de omwalling opgenomen in het noordoostkwadrant.

De proosdij verwierf in 1537 een ommuurd terrein in de Mondstraat te Ieper. Dit werd uitgebouwd tot een refuge van de abdij.

In de Sint-Pieterskerk was een gedeelte voor de kloostergemeenschap gereserveerd.

De bewoners van de proosdij vluchtten naar het refugehuis in Ieper als in 1566 de beeldenstormers de abdij en de kerk van Lo vernietigden.

De Sint-Pietersabdij kende tussen 1604 en 1637 een grote expansie.

In 1608 werd een nieuwe kerk gebouwd. Wellicht werden in die periode nog een nieuwe hoeve en een gastenhuis gebouwd.

In 1621 werd de proosdij tot abdij verheven.

De duiventoren van de Sint-Pietersabdij werd in 1710 opgericht.

In 1782 werd de abtswoning van de abdij gebouwd. Deze werd deels bewaard als de huidige pastorie aan de Noordstraat, maar onderging wijzigingen na de oorlogsschade tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In 1797 verkochten de Franse revolutionairen de abdij en werd ze grotendeels afgebroken.

De Sint-Pietersabdijkerk werd vanaf dan volledig ingenomen door de parochiegemeenschap.

In 1913 werd de duiventoren gerestaureerd.

De Sint-Pieterskerk, de pastorie, de kapelanie en de duiventoren getuigen nog van deze aanwezigheid.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)



6.  Ziekenhuis van de Sint-Pietersabdij

Bij de Sint-Pietersproosdij (later -abdij) moet er tevens reeds een ziekenhuis zijn geweest.

In 1231 gaf bisschop Adam van Terwaan geeft de toestemming aan de abdij om de werking van het “onlangs opgerichte” hospitaal verder te zetten.

Over dit ziekenhuis is er vooralsnog weinig informatie te vinden.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)