Levensloop van Antonius Sanderus
Antonius Sanderus werd geboren in Antwerpen op 15 september 1586.
Sanderus was een historicus, filosoof en theoloog uit de Zuidelijke Nederlanden.
Zijn echte naam was Antoon Sanders, maar als schrijver latiniseerde hij zijn naam, zoals toen gebruikelijk was, tot Antonius Sanderus.
Hij stamde uit een voorname Gentse familie die, gevlucht uit de Gentse Republiek, tijdelijk in Antwerpen verbleef.
Hij werd op zijn geboortedag in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen gedoopt. Hij was een kind uit het tweede huwelijk van zijn vader Lieven met Maria De Keyzer.
Hij verliet Antwerpen na de dood van zijn moeder. Hij begon Latijnse studies in het jezuïetencollege van Oudenaarde en voltooide deze in het Gentse jezuïetencollege. Voor het betalen van zijn studies deed hij beroep op de abt van de Sint-Pietersabdij, Cornelis Vrancx. Nadien studeerde hij filosofie aan het jezuïetencollege van Dowaai, waar hij in 1609 magister artium (meester in de kunsten) werd.
Op 28 mei 1611 werd hij tot priester gewijd in Gent. In datzelfde jaar werd hij pastoor van Sleidinge, wat hij bleef tot in 1622. Hij werd tussen 1617 en 1618 ook nog pastoor van het naburige Oosteeklo.
De toestand in het Meetjesland was echter, ondanks het Twaalfjarig Bestand, voor hem onveilig aangezien hij enkele controversiële geschriften tegen onder andere het anabaptisme in Vlaanderen had geschreven.
In 1615 werd hij ondertussen aan de universiteit van Leuven baccalaureus in de theologie en in 1619 keerde hij terug naar Dowaai waar hij aan de universiteit het licentiaat in de theologie verwierf.
In 1621 dook hij opnieuw op te Gent waar hij bescherming genoot van bisschop Antonius Triest die er in 1623 voor zorgde dat hij aalmoezenier en secretaris werd van kardinaal Alfonso de la Cueva, die in de Zuidelijke Nederlanden gouverneur van Filips IV van Spanje was.
Deze kardinaal zorgde ervoor dat Sanderus in 1625 kanunnik werd van de Sint-Maartenskerk in Ieper.
In 1637 werd hij bibliothecaris en in 1640 ook scholaster van het kapittel van deze kerk en in 1650 theologaal en penitentiarius. Zijn titel van kanunnik liet hem toe om opzoekingen te doen waarvan hij de resultaten later zou gebruiken voor de uitgifte van zijn “Flandria Illustrata”.
Voor die opzoekingen bezocht hij kloosters en kastelen om er de archieven te raadplegen. Hij stelde zelfs een vragenlijst op die aan de pastoors, stadsmagistraten en kasteelheren werd toegezonden.
In 1654 legde hij zijn religieuze functies neer, kreeg de post van censor librorum en vestigde zich gedeeltelijk in Brussel.
In 1658 bood hij zijn ontslag aan als kanunnik van het kapittel van Ieper en verliet definitief de stad om zich in de abdij van Affligem te vestigen.
Hij overleed er op 16 januari 1664 en werd er in de abdijkerk begraven.
Reeds in 1609 schreef Sanderus Latijnse sermoenen en theologische en controversiële geschriften tegen het protestantisme.
Vanaf 1610 publiceerde hij een zestal geschiedkundige werken.
In 1641 verscheen een inventaris van manuscripten in Belgische bibliotheken: Bibliotheca belgica manuscripta en in 1657 Bibliotheca Sacra et Profana.
Zijn magnum opus is het met zowel tekeningen als gravures rijk geïllustreerde “Flandria Illustrata” waarvan een eerste deel in 1641 en een tweede in 1644 werd uitgegeven. Het derde deel (met Frans Vlaanderen) van dit omvangrijke werk bleef onafgewerkt. Het is een historische beschrijving van tal van Vlaamse steden en gemeenten. Dit boek werd in 1725 vertaald in het Nederlands onder de titel Verheerlykt Vlaandre; vertaling in het Nederduytsch (Leiden, 1725).
Sanderus kon een groot aantal bekwame medewerkers rond zich scharen, die stipt, trouw en gedienstig hun akkoorden naleefden en borg stonden dat het hele opzet uiteindelijk met glans en luister voltooid werd. En hier vielen de namen onder van Lowys de Bersacques, Vaast du Plouich, Arrasius, Louis du Tielt en nog meer landmeters, etsers, tekenaars en drukkers.
De “Chorographia Sacra Brabantiae” (Latijn voor Heilige chorografie van Brabant) was ook een belangrijk werk van Sanderus. Het boek is verschenen in 1659 en geeft een historisch-geografische beschrijving van het hertogdom Brabant, met veel aandacht voor de religieuze aanwezigheid. Ooit was het een standaardwerk in elke abdij- of kasteelbibliotheek.
Nu is het vooral nog bekend om de gedetailleerde illustraties in vogelperspectief.
De chorografie of streekbeschrijving was een antiek genre dat in de renaissance terug in zwang raakte. Bij Sanderus lag de nadruk op het contrareformatorische programma. In 1641 had hij zijn eerste chorografische project gebundeld, Flandria Illustrata, en onmiddellijk begon hij aan een Brabants equivalent. Om het betrouwbaarder te maken had hij meer lokale informanten nodig. Daarom stelde hij twee uitgebreide vragenlijsten op die hij stuurde naar vrienden, kennissen, priesters, abten en andere personen die hem tot hulp konden zijn. Hij vroeg naar stichtingsgeschiedenissen, naar mirakels en relieken, naar lijsten van hoogwaardigheidsbekleders, maar zijn respondenten moesten ook afstanden, topografische gegevens, fauna en flora en ander geografisch materiaal aanleveren. Voor het schrijven installeerde Sanderus zich in de abdij van Affligem.
De editio princeps bestond uit een reeks afzonderlijk genummerde en betitelde monografieën, samengebracht in twee kloeke volumes. Uitgever-drukker was de Brusselaar Philips Vleugaert. Het eerste deel vermeldt hem als algemene uitgever en draagt de verschijningsdatum 1659.
Menig prominent die reikhalzend uitkeek naar het te verschijnen tweede deel, bleef teleurgesteld achter. Door een opeenvolging van vreemde voorvallen zou het nauwelijks verspreiding kennen. Onmiddellijk bij publicatie in 1663, liet de stad Doornik de verkoopsklare oplage om onbekende redenen in beslag nemen. Enkele jaren later slaagde de Brusselse drukker Frickx erin om het fonds van het tweede deel te verwerven. Hij had er veel geld voor betaald, maar voor hij tot een herdruk kwam vernielde het Franse bombardement van 1695 zijn hele hebben en houden. Op vandaag zijn er van het tweede deel maar vijf of zes exemplaren bewaard, en geen enkel ervan is volledig.
In twee volumes beschrijft de Chorographia het Spaans gebleven deel van het hertogdom Brabant. In de geest van de contrareformatie verheerlijkte Sanderus de glorie van de kerk, onder bescherming van het vorstelijk huis. Over de afgesplitste delen van het hertogdom en de enclaves bleef hij discreet. Hij verwees weinig naar de Tachtigjarige Oorlog, behalve waar hij het had over de katholieke martelaren.
Verschillende tekenaars werkten mee aan de prenten.
In 1726-27 liet Christiaan van Lom een herwerkte editie van de Chorographia verschijnen in Den Haag. Deze herwerkte editie omvatte 3 delen. Tegenover de eerste uitgave zijn een twaalftal seculiere hoofdstukken weggelaten en is de kwaliteit van de prenten minder. Voor historici zijn de nieuwe illustraties niettemin bijzonder interessant als vergelijkend materiaal: de topografische en bouwkundige situatie is geactualiseerd en wordt vaak vanuit een licht afwijkend gezichtspunt weergegeven. De voornaamste medewerkers/illustratoren van de Haagse uitgave waren Jean-Baptiste Berterham, Renier Blokhuysen, David Coster, Petrus De Doncker en Jacobus Harrewijn.
(Bronvermelding: Wikipedia)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE