De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




LESSINES  -  PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent is het panorama te zien van Lessines (Lessen) omstreeks 1641. Lessines is een stad in de provincie Henegouwen.

Een belangrijke site in deze stad is het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos.

Het bevindt zich op de Place Alix de Rosoit in de stad Lessines.

Het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos (Frans: Hôpital Notre-Dame à la Rose) is een voormalig ziekenhuis dat thans is ingericht als museum.

Deze instelling, die in 1242 door de Franse prinses Alix de Rosoit werd gesticht als opvang voor armen en zieken, diende bijna 750 jaar, tot 1980, als ziekenhuis en in recentere tijden als bejaardentehuis. Tegenwoordig fungeren de kloostergebouwen, uit de 16e tot de 18e eeuw, als een museum dat aandacht besteedt aan de eigen geschiedenis. Er zijn ziekenzalen, bedden, medische instrumenten, recepten, tinnen vaatwerk (voor de patiënten), Doorniks porselein (voor de zusters), een bibliotheek met 2000 antieke boeken, schilderijen en kostbaar goud- en zilversmeedwerk te zien. Bij het complex horen bovendien een kloostergang, kapel, kruidentuin en ijshuis.

Dit ziekenhuis, dat werd gebouwd langs de Dender in het hart van de stad, werd gesticht in het midden van de 13e eeuw. 

Dit gebeurde op initiatief van Arnulf IV van Oudenaarde, heer van de stad en grootbaljuw van Vlaanderen, en van zijn echtgenote, Alix de Rosoit, prinses afkomstig uit de Franse Thiérache. Arnulf IV, de rechterhand van Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, raakte betrokken bij de politieke en militaire twisten van zijn tijd (1e helft 13e eeuw).

In 1242 was heer Arnulf IV de 60 al voorbij. Hij hoopte ongetwijfeld zijn leven in rust en vrede te kunnen eindigen. Maar dat was zonder de Franse koning Lodewijk IX gerekend. De hulp van de Vlaamse heren werd ingeroepen in de oorlog tegen de Engelse koning Hendrik III op basis van het gehoorzaamheidsverdrag dat zij een twintigtal jaren ervoor hadden getekend. Er zat voor Arnulf IV dus niets anders op dan, ondanks zijn leeftijd, weer ten strijde te trekken. Maar eerst stelde hij zorgvuldig zijn testament op. Dat bevatte een bepaling ten bate van de armen. In die tijd koesterden de rijken en machtigen immers de hoop om hun fouten goed te maken en in het paradijs te komen met de schenking van een fikse som geld die dan op hun begrafenis aan de armen werd uitgedeeld. Arnulf raakte in 1242 gewond in de slag van Taillebourg vlakbij Poitiers en overleed enkele weken later.

Zijn echtgenote, Alix, erfde een aanzienlijk fortuin. Zij besloot de laatste wens van haar gemaal in te willigen. Het geld zomaar uitdelen, vond ze echter geen goed idee. Ze zag meer in het beleggen in de oprichting van een hospitaal voor armen. Ze investeerde het geld in een stichting die zich wijdde aan de opvang en de verzorging van de noodlijdenden van de stad en haar omgeving. Uiteraard werd daar ook gebeden voor de zielenrust van Arnulf en zijn nakomelingen.

Deze liefdadigheidsinstelling ligt volledig in de lijn van de beweging die in de middeleeuwen tot de oprichting van hospitalen heeft geleid.

In 1246 stelde Alix de Rosoit een dubbele religieuze gemeenschap aan: enerzijds enkele lekenbroeders die zich hoofdzakelijk bezighielden met het werk op de boerderij van het hospitaal en anderzijds 7 zusters augustinessen aan wie het toezicht en de verzorging van de zieken werd toevertrouwd. In die tijd was het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos een bescheiden gebouw dat uit slechts twee vleugels in L-vorm bestond: één langs de Dender en een tweede, loodrecht op de eerste. Toch waren alle zalen, die voor het leven in een hospitaal van essentieel belang waren, toen reeds voorhanden, zoals een ziekenzaal, een kapel, een refter, een slaapzaal en een noviciaat.

In de loop der eeuwen werden de hospitaalgebouwen getransformeerd, zodat de ruimtes beter aangepast waren zowel aan het hospitaalleven als aan het kloosterleven.

Het hoofdgebouw evolueerde in de 16e, 17e en begin 18e eeuw tot de vierhoek zoals we die vandaag kennen met zijn harmonieuze combinatie van renaissance en laat-gotiek (voor het klooster). Het gasthuis, met zijn subtiele mix van religie en geneeskunde, was een oord waar begrippen als geloof, wetenschappen, zaligheid, heil, spiritualiteit, lijden en remedies elkaar raakten, elkaar afwisselden en wederzijds beïnvloedden.

Het hospitaal werd bestuurd door de priorin evenals door de meester-directeur die waakte over de juiste spirituele houding in klooster en hospitaal. Deze laatste diende zich te wenden tot de bisschop van Kamerijk, in geval van geschil of enige andere bezorgdheid.

Het was inderdaad het bisdom dat statuten en levensregels toekende aan elke hospitaalinstelling die binnen zijn invloedssfeer gevestigd was.

Met de Franse Revolutie nam de stad het beheer van het hospitaal op zich via de ‘Commissie der Burgerlijke Hospitiën’ en vervolgens via de ’Commissie van Openbare Onderstand’. In de loop van de 19e eeuw had het hospitaal te kampen met een groeiende vraag naar verzorging ten gevolge van de exploitatie van de lokale porfier-groeven. De registers van het hospitaal getuigen van het grote aantal gewonde steengroevearbeiders, zieken en invaliden die in die periode in het Gasthuis Onze-Lieve-Vrouw met de Roos werden verzorgd en geopereerd. Derhalve werd dan ook omstreeks 1830 een tweede ziekenzaal ingericht, waaraan tussen 1860 en 1870 nog twee bijkomende zalen werden toegevoegd.

Zelfs met de intrede van lekenpersoneel in de instelling (verpleegsters, verzorgenden, onderhoudspersoneel) was het duidelijk, dat de religieuze gemeenschap een dominerende rol bleef spelen tot 1980, het jaar van vertrek van de laatste patiënten uit het hospitaal, dat inmiddels een geriatrische instelling was geworden.

Een groep vrijwilligers bleef tussen 1980 en 1990 ijveren voor een toekomst voor deze bijzondere site. Ze slaagden erin om de lokale en regionale politieke verantwoordelijken ervan te overtuigen om heel dringende restauratiewerken te laten uitvoeren. De gebouwen werden degelijk gerestaureerd en ingericht als een museum. Het vierhoekig hoofdgebouw omsluit een binnentuin die op zijn beurt omringd wordt door de kloostergangen. Deze vormen de belangrijkste assen waarlangs de bezoekers naar het geheel van de museumzalen worden geleid.

Archeologische opgravingen brachten aan het licht dat een gevonden grafmonument (van het einde van de 13e eeuw) wel degelijk dat zou kunnen zijn van Arnulf IV van Oudenaarde, de stichter van het hospitaal.

(Bronvermelding: Wikipedia)