De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
JETTE - ABDIJ VAN DIELEGEM
(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)
Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Abdij van Dielegem in Jette.
Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).
We hebben hieronder ook de originele prent uit de editie 1659 opgenomen.
De Abdij van Dielegem is een voormalige abdij in het noordoosten van de Belgische gemeente Jette. Dielegem is een wijk in deze gemeente in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het voornaamste restant van deze abdij is de abtswoning (prelaatswoning) uit 1783-1791.
Door toedoen van Onulfus van Wolvertem vestigde zich in de 11e eeuw een gemeenschap van reguliere augustijnerkanunniken in de hoeve Auwderheyden. Hun priorij werd in 1095 ingezegend door bisschop Walcher van Kamerijk. De akte preciseerde dat het klooster los stond van de parochie “Jetta”, meteen de oudste vermelding van deze gemeente.
In 1140 ging de gemeenschap over naar de premonstratenzers, met bisschoppelijke bekrachtiging in 1145. De streek werd geteisterd door de Grimbergse Oorlogen, wat vermoedelijk al rond 1150 leidde tot de verplaatsing van de abdij naar Dielegem.
Ten laatste in 1217 nam ze haar huidige naam aan. Eeuwenlang had de abdij een grote uitstraling in haar wijde omgeving.
De kanunniken bedienden verschillende parochies, zoals deze van Denderleeuw.
Het regime van de Franse Revolutie schafte de abdij af. De kanunniken werden verdreven naar een eiland voor de Bretoense kust, waarna het gebouwencomplex grotendeels vernield en geplunderd werd.
Van de abdij rest enkel nog het classicistische prelaatshuis dat tussen 1783 en 1791 werd gebouwd. De stenen voor dit gebouw werden in nabije groeven ontgonnen (onder andere op de plaats van het huidige Laarbeekbos).
In de 19e eeuw wisselde de woning vaak van eigenaar en van bewoners. Heel even namen Portugese jezuïeten er hun intrek. Dokter Capart kocht het domein in 1896 en bewoonde het met zijn grote familie.
In de jaren 1920 werd de abtswoning een tehuis voor mentaal gehandicapte kinderen. In de eerste helft van de 20ste eeuw, wanneer de wijk uitbreiding nam, deed de woning tijdelijk dienst als kapel. Ook jeugdgroeperingen vonden er een onderkomen.
In 1950 werd het gebouw uiteindelijk door de gemeente gekocht en in 1953 beschermd. Pas in 1972 kon de prelaatswoning, na een grondige renovatie, worden heropend.
Thans is er het Gemeentelijk Museum van het Graafschap Jette in gevestigd. Het gebouw doet ook dienst als gemeentelijke trouwzaal.
(Bronvermelding: Wikipedia)