De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




IEPER  -  ABDIJ VAN ROESBRUGGE


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Op deze prent van Sanderus is de Abdij van Roesbrugge te zien. De abdij is ook bekend onder de naam “Abdij van Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant” van de Reguliere Kanunnikessen.

In de 13e eeuw stichtten Willem van Bethune, heer van Meulebeke en Loker, en zijn vrouw, Elisabeth van Roesbrugge, een vrouwenabdij nabij de IJzer in Roesbrugge, volgens de legende nadat een bloedende boom waaruit later een Mariabeeld werd gesneden hen de plaats had aangewezen. De eigenlijke stichtingsdatum is niet met zekerheid bekend.

De oudste vermelding van de abdij van Roesbrugge, bekend als ‘Plantatio Beatae Marie Virginis’ of Onze-Lieve-Vrouw-ter-(Nieuwe-)Plant, dateert uit 1236. De abdijgemeenschap kreeg vorm nadat de bisschop van Kamerrijk 6 Reguliere Kanunnikessen van Sint-Augustinus uit de abdij van Prémy, behorende tot de congregatie van reguliere kanunnikessen van Sint-Victor, naar Roesbrugge had gestuurd.

De kanunnikessen van de abdij, ook wel ‘Roesbrugge Dames’ genoemd, verbleven meer dan 3 eeuwen in Roesbrugge.

In de tweede helft van de 16e eeuw leidden brand en de gevolgen van de godsdiensttroebelen echter tot hun vertrek.

In 1558 woedde een zware brand in de abdij. Tien jaar later werd ze geplunderd door calvinisten. De zusters sloegen op de vlucht en leefden sindsdien verspreid in Sint-Omaars, Ieper en Brugge. In 1579 werd de abdij uiteindelijk geheel verwoest door de troepen van Willem van Oranje.

In 1588 verzamelden alle religieuzen van de voormalige abdij van Roesbrugge zich in Ieper. De gemeenschap verbleef aanvankelijk in de Langemeers, maar verhuisde in het begin van de 17de eeuw naar een pand op de Boterstraat. De verhuis was ingegeven door het gebrek aan ruimte dat was ontstaan na de stichting van een meisjesschool om in het onderhoud van de religieuzen te voorzien. Mogelijk werd er ook al in de abdij in Roesbrugge onderwijs verschaft, maar zekerheid bestaat hierover niet. In 1604 openden de kanunnikessen in Ieper tevens een pensionaat.

Na de verhuis naar de Boterstraat kwam de abdijgemeenschap, onder de krachtige leiding van abdis Marguerite de Maigny (1606-1651), opnieuw tot bloei.

In de eerste helft van de 17e eeuw werden nieuwe abdij- en schoolgebouwen opgetrokken, evenals een nieuwe abdijkerk.

De prent van Sanderus toont de gebouwen zoals ze omstreeks 1640 bestonden in de Boterstraat te Ieper. Thans wordt deze straat de De Stuersstraat genoemd.

De gebouwen hadden in de 17e en 18e eeuw zo nu en dan te leiden onder oorlogsgeweld, maar al bij al slaagde de abdijgemeenschap er in zichzelf verder te ontwikkelen en haar onderwijsapostolaat te bestendigen.

Aan het einde van de 18e eeuw redden de schoolactiviteiten van de religieuzen de abdijgemeenschap van de ondergang.

De kanunnikessen ontsnapten zowel in 1783, tijdens het bewind van Jozef II, als in 1796-1797, in de Franse periode, aan de opheffing dankzij hun belang voor het Ieperse meisjesonderwijs. De Franse revolutionairen confisqueerden echter wel de abdijgebouwen die al in 1794 zwaar beschadigd waren geraakt bij gevechten tussen Franse en Oostenrijkse troepen en die in 1798 uiteindelijk openbaar werden verkocht. De religieuzen moesten zich met hun leerlingen noodgedwongen terugtrekken in het Sint-Janshospitaal. In 1798 huurde de overste van de gemeenschap achtereenvolgens een huis op de Recolettenstraat en op de Elverdingestraat. In 1802 werd uiteindelijk een huis aangekocht op de Boterstraat, in de omgeving van de voormalige abdijgebouwen. Ook de schoolactiviteiten waren intussen hervat.

In de loop van de 19e eeuw, toen de gemeenschap zich na de Belgische onafhankelijkheid opnieuw vrij kon ontwikkelen, werd werk gemaakt van de bouw van nieuwe school- en kloostergebouwen en een nieuwe kloosterkapel. Vooral het prioraat van Louise Bonefaes (1842-1865) werd gekenmerkt door een indrukwekkende bouwactiviteit die bepalend was voor het beeld van het vooroorlogse kloostercomplex. Intussen bloeide de school en het pensionaat van de abdijgemeenschap en openden de kanunnikessen in 1872 ook een bewaarschool.

In 1914 werd de abdij omgevormd tot een veldhospitaal voor het Engelse leger. De religieuzen werkten er zelf actief in mee tot ze later dat jaar het oorlogsgeweld ontvluchtten naar Engeland. Op hun terugreis in 1915 gingen ze op vraag van de Belgische autoriteiten in Normandië aan de slag in diverse schoolkolonies voor “les enfants de l’Yser”. Pas in 1919 keerden ze naar België terug. Ze vonden hun abdij totaal vernietigd terug en verbleven enige tijd in het kasteel Ter Walle in Izegem. De school werd al snel heropgericht in barakken op de oude abdijterreinen. In 1920 startte de abdijgemeenschap reeds met de heropbouw. De communauteit en de schoolactiviteiten kwamen tijdens het interbellum opnieuw tot bloei. In 1937 voegden de religieuzen een humaniora-afdeling toe aan hun onderwijsapostolaat.

Hoewel ook de Tweede Wereldoorlog angst, ontbering en schade aan het patrimonium met zich meebracht, waren de gevolgen ervan voor de abdij van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nieuwe-Plant minder ingrijpend dan in 1914-1918. Na de noodzakelijke herstelwerken maakte de gemeenschap in de naoorlogse periode werk van een uitbreiding van de schoolgebouwen als gevolg van een stijgend aantal leerlingen. Ook de kloostergemeenschap groeide tot in de jaren 1960 aan wat in 1967 een nieuwe stichting in het Zwitserse Sion mogelijk maakte. Enkele Ieperse kanunnikessen gingen er aan de slag in een school voor karaktergestoorde kinderen. Intussen had Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant intense contacten gelegd met andere kloosters.

In de tweede helft van de 20e eeuw daalde in de abdij van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nieuwe-Plant, net als in de meeste andere kloostergemeenschappen, het aantal intredes en nam de vergrijzing van de kloostergemeenschap toe. De zusters trokken zich meer en meer terug uit het onderwijsapostolaat en verhuisden in 1995 naar twee burgerhuizen op de Oude Houtmarktstraat 4 in Ieper.

Het Lyceum Onze-Lieve-Vrouw ter Nieuwe Plant in de Maloulaan in Ieper vloeit voort uit de werking van de kloosterzusters van de Abdij van Roesbrugge.

(Bronvermelding: Odis.be)