De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




HOEILAART - PRIORIJ GROENENDAAL


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Priorij Groenendaal in Hoeilaart.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Hieronder tonen we ook de originele prent die in de Chorographia verscheen.

Hoeilaart is een gemeente in de provincie Vlaams-Brabant. Groenendaal is een gehucht van Hoeilaart.

De voormalige Priorij Groenendaal (Latijn: Viridis Vallis) ligt in het Zoniënwoud bij de plaats Groenendaal op het grondgebied van Hoeilaart, zo'n 10 km ten zuidoosten van Brussel.

Ze had een grote uitstraling onder haar eerste prior Jan van Ruusbroec en stond later dicht bij de Habsburgse jagersvorsten. Haar vroegere pracht is grotendeels verdwenen, maar er zijn nog enkele merkwaardige overblijfselen.

Hertogin Johanna van Brabant kende woudland toe aan religieuze vestigingen in de streek. In 1304 stond ze een oud jagersverblijf van Jan II af aan de kluizenaar Johannes de Busco, op voorwaarde dat het na zijn dood naar een ander godvruchtig persoon zou gaan.

Hertog Jan III schonk de kluis in 1343 aan Vrank van Coudenberg, kanunnik van het Sint- Goedelekapittel.
Met de kapelaans Jan Hinckaert en Jan van Ruusbroec, die dan al mystieke teksten schreef, zocht hij stilte buiten de stadsdrukte.

Hoewel ze niet de bedoeling hadden om hun gemeenschap als een klooster in te richten, kwam het er onder kerkelijke druk toch van. Op 13 maart 1349 werd hun gemeenschap erkend als één van augustijnse reguliere kanunniken, volgens de regel en binnen de congregatie van de Parijse abdij van Saint-Victor.

Coudenberg werd de eerste proost en Ruusbroec de eerste prior. Hun inkomsten haalden ze uit de verkoop van hout, naast schenkingen en nalatenschappen. Ondanks de gedwongen inlijving bleef hun band met Saint-Victor vrij los.

Het klooster maakte spoedig naam, grotendeels door Ruusbroecs reputatie als een spirituele gids en schrijver.
Groenendaal was betrokken bij een aantal nieuwe stichtingen, onder meer het Rood-Klooster in Oudergem (1373) en Eemsteyn in Holland (omstreeks 1378). Monniken van Groenendaal leerden hun aangepaste Victorijnenregel ook aan de Priorij van Zevenborren.

In 1402 nam Groenendaal de leiding over een monastieke congregatie met vijf instellingen, om ze in 1413 samen te brengen in deze van Windesheim, die de Moderne Devotie aanhing.

Groenendaal werd een priorij, die herbouwd werd na een brand in 1435 en uitgebreid onder het prioraat van Thomas Monincx (1467-1483).

De site werd een geliefkoosde pleisterplek van jagende Habsburgers: Maximiliaan van Oostenrijk en Filips de Schone, maar vooral de op jagen verzotte keizer Karel V en aartshertogin Isabella.

Om de kloosterlingen niet al te zeer te belasten, richtte Filips van Kleef in de nabijheid van de priorij een jachtpaviljoen op (1520). Het kreeg de naam van zijn heerlijkheid, Ravenstein.

In 1578, onder de Brusselse republiek, werd Groenendaal door de kloosterlingen verlaten. Ze trokken zich terug in hun refuge in Brussel en keerden pas in 1606 naar Groenendaal terug. Met de steun van de aartshertogen Albrecht en Isabella herstelden ze de site en richtten ze aan de linde van Ruusbroec een Loretokapel op. Buiten het kloosterdomein kwam een stoeterij.

Na 1700 werden het Huis van Ravenstein en het gastenkwartier afgebroken. Tegen de late 18e eeuw had de site zijn glans verloren.

Het "nutteloze klooster" verscheen op de lijst van instellingen die keizer Jozef II in 1784 met een pennentrek ophief. De kerk en aanhorigheden werden op drie jaar tijd verkocht en grotendeels gesloopt (1787).

Tijdens de Brabantse Omwenteling liet men het klooster herleven (1790), maar de komst van de Fransen betekende het definitieve einde (1796).

Het klooster was eenvoudig van constructie en had boogramen.

Het priorshuis was gebouwd in 1783, net vóór de sluiting.

In 2009 is het gerestaureerd.

Het scriptorium dateert van kort na 1435 en is door een stijgende waterspiegel in de vroege 16e eeuw verlaten. Het gebouw raakte bedekt en ontsnapte daardoor aan vernieling. In 2005 is dit staaltje van authentieke kloosterarchitectuur teruggevonden. Het wacht evenwel nog op restauratie.

Het washuis uit 1743 is in de 19e eeuw omgebouwd tot boswachterswoning.

Het kerkschip werd getransformeerd tot schuur en het meubilair kwam soms elders terecht.

De kloosterhoeve, die na 1777 opgetrokken werd, doet nu dienst als het Bosmuseum Jan van Ruusbroec.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)