De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




HEYLISSEM - ABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Abdij van Heylissem.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

De Abdij van Heylissem was een norbertijnerabdij in Haspengouw in Opheylissem in de Belgische gemeente Hélécine (Heylissem) in de provincie Waals-Brabant.

De abdij lag aan de Kleine Gete en werd in 1129 gesticht op een terrein dat door de heer van Zittert aan de Abdij van Floreffe werd geschonken. Oorspronkelijk was Heylissem een dubbelklooster. Vanaf 1142 verhuisden de norbertinessen echter naar de boerderij van Stocquoy in Geldenaken.

Van 1768 tot 1780 vond een complete herbouw van de abdij plaats onder leiding van de bekende architect Laurent-Benoît Dewez. Vrijwel alle gebouwen die men tegenwoordig nog ziet, zijn in deze periode tot stand gekomen. Het paleis van de abt heeft een 47 meter lange neoclassicistische façade met in het midden de hoge koepel van de abdijkerk, die in 1780 werd ingewijd.

De abdij werd door de Franse revolutionairen in 1796 opgeheven en het jaar daarna verkocht. Na 1800 werd een deel van de gebouwen omgedoopt tot weverij en werden meerdere kloostergebouwen afgebroken. Het voormalige paleis van de abt werd ingericht als prelatuur en woning van de prefect, en ontkwam zo aan de slopershamer, evenals een deel van de kerk.

In 1870 verbouwde de architect Alphonse Balat de gebouwen en het park.

De restanten van de abdij liggen momenteel in het uitgestrekte landgoed Provinciaal domein van Hélécine.

De Abdij van Heylissem werd gesticht in het begin van de 12e eeuw door de Heer René de Zétrud. In die tijd waren Norbertijner kanunniken, een zeer rijke en machtige gemeenschap in Haspengouw, ingeplant op de site.

In de twee daaropvolgende eeuwen kon de Abdij van Heylissem haar patrimonium fors uitbreiden en zij verstevigde nadien ook haar religieuze autoriteit. De Abdij bezat toen verschillende molens, een brouwerij en een aantal boerderijen die voorzagen in haar behoeften.

Vanwege de strategische ligging van de Abdij, aan de grens van het Hertogdom Brabant langs de kant van Haspengouw, genoot ze bescherming van de Hertogen van Brabant die haar de rol van versterking toekenden. Verschillende keren werd strijd geleverd rond de Abdij en in haar omgeving.

In de 16e en 17e eeuw dwongen bloedige oorlogen de monniken verschillende keren om de Abdij te verlaten, maar telkens keerden ze terug om de schade te herstellen.

De abdijgebouwen gingen een eerste keer in rook op tijdens de oorlog van 1507. De kerk, de refter de slaapzaal en de woning van de abt werden in 1568, tijdens de Godsdienstoorlogen, opnieuw in brand gestoken.

In 1635 werd de Abdij bezet door de Prins van Oranje en zijn leger, in 1693 werd ze geplunderd na de slag van Neerwinden.

Pas in de 18e eeuw keerde de rust terug in de Abdij van Heylissem. In die periode kon ze opnieuw haar patrimonium uitbreiden en bereikte ze een zeker niveau van praal.

Na de Franse Revolutie werd de Abdij ontwijd en kreeg ze een bestemming als kasteel dat in verschillende handen overging, tot het in het begin van de 19e eeuw door de toenmalige eigenaar, Gustave van den Bossche, in gebruik werd genomen als bietsuikerfabriek.

Op het einde van de 19e eeuw gebeurden enkele verbouwingen: de koepel werd verhoogd en er werd een terras met een balustrade toegevoegd. Ook werd de zijgevel herwerkt in een neoclassicistische stijl.

In 1962 kocht de Provincie Brabant het kasteel, de bijgebouwen en het park dat werd opengesteld voor het grote publiek.
Restauraties en nieuwe voorzieningen moeten het dienstenaanbod uitbreiden en de vrijetijdszone meer stofferen, terwijl anderzijds het kasteel als historisch erfgoed zal bewaard blijven.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)