De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
HEULE - DORPSGEZICHT
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus is een dorpsgezicht van Heule te zien omstreeks 1640.
Heule is een dorp in de huidige provincie West-Vlaanderen en sinds 1977 een deelgemeente van de stad Kortrijk.
We nemen bij dit dorpsgezicht de gelegenheid te baat om dieper in te gaan op de rijke, maar woelige geschiedenis van dit dorp.
Er werden neolithische nederzettingen op het grondgebied van Heule aangetroffen en ook de Romeinen hadden er nederzettingen, getuige vondsten van Gallo-Romeinse nederzettingen. Zij legden wegen aan door dit gebied.
In 1111 werd Heule voor het eerst schriftelijk vermeld als “Sigerus de Hula”. Rond 1143 werd een eerste kerkje gebouwd op de plaats waar nu de huidige Sint-Eutropiuskerk staat (Heuleplaats). In 1143 was er al sprake van een zelfstandige parochie.
Het kerkje was een romaans kerkje met een toren van 5 op 5 meter die in het midden stond. Deze eerste kerk was meer dan waarschijnlijk toegewijd aan de heilige Amandus van Gent. In 1295 stichtte Willem van Grysperre, een belangrijk leenman van de Heren van Heule, een kapelanij ter ere van de heilige Eutropius van Saintes, bisschopmartelaar van Saintes in Frankrijk. Die was hier min of meer bekend via bedevaarten naar het zuiden en zou later Amandus als patroonheilige verdringen.
Vanaf de 14e eeuw maakte Heule deel uit van de Roede van Menen, op zijn beurt een onderdeel van de Kasselrij Kortrijk.
Heule was een heerlijkheid die afhankelijk was van de Graaf van Vlaanderen.
In de loop van de 15e eeuw bouwde men tegen de noordelijke gevel van het uitgebouwde koor van de kerk de Onze-Lievevrouwekapel, bestemd als grafkapel van de Heren van Heule.
In 1545 bouwde men een nieuwe toren en die staat er nu nog altijd. Hij is ongeveer 40 meter hoog en heeft een gotische stijl. Het schip van de kerk werd toen ook uitgebreid, want de kerk was te klein geworden.
Van 1566 tot 1579 woedde de beeldenstorm, waarbij het koor van de kerk en de grafkapel van de heren van Heule werden verwoest.
Aanvankelijk bestond het foncier van de heren van Heule uit een opperhof met een kasteel en een neerhof. Het kasteel bevond zich ten noordoosten van het huidige neerhof “Heerlijkheid van Heule”, dat eertijds waarschijnlijk het neerhof moet zijn geweest.
De “Heerlijkheid van Heule”, ook “Hof van Heule” genoemd, bestaat nu nog en is gelegen aan de Zeger van Heulestraat.
De “Heerlijkheid van Heule” is op deze prent te zien bovenaan links. Het is thans de historisch belangrijkste hoeve van
Heule. De hoeve was een leen van het kasteel van Kortrijk. De oudste vermelding van deze hoeve gaat terug tot 1369.
De grootste heerlijkheid in Heule gedurende de Middeleeuwen was die van Heule met de “Heerlijkheid van Heule” als centrum.
De heerlijkheid van Heule was in het bezit van de heren van Heule die vanaf de 14e eeuw ook heren werden van de parochie. De heer van Heule was één van de 12 voornaamste leenmannen van het Kasteel van Kortrijk.
Deze prent van Sanderus werd gemaakt door Vedastus du Plouich en toont de dorpskern met de kerk van Heule, de Heulebeek en op de achtergrond de hoeve met duiventoren, hoge ingangspoort, boerenhuis en een reeks van gebouwen in vakwerk. Ook de omwalling is duidelijk herkenbaar.
De eerst bekende heer, Zeger van Heule, wordt vermeld vanaf 1111. De volgende, Walter van Heule, alias van Zomergem vanaf 1195. Na hem kwamen achtereenvolgens de families van Heule, van Fléchin, Boetelin, die de naam van Heule overnam, van der Gracht, van Liedekerke, Basta en d’Ennetières.
Op de prent staat de naam vermeld van Ferdinand-Georges (of Ferdinand-Joris) van Liedekerke (1611-1645). Hij was de Heer van Heule bij de opmaak van de tekening van Heule.
Hij was de zoon van Ferdinand van Liedekerke (1570-1612) en Eleonora van Noyelles (overleden in 1612).
Ferdinand-Georges van Liedekerke stierf ten gevolge van een verwonding opgelopen tijdens de belegering van Hulst. Hij was getrouwd in 1636 met Cosima Maria Magdalena Spinola, maar dit huwelijk bleef kinderloos.
Na hem werd Ferdinand Basta de heer van Heule. Deze was getrouwd met Anna van Liedekerke.
Vermoedelijk reeds in 1578 werd het kasteel (het opperhof) definitief verwoest door de geuzen.
Ook de twee Frans-Spaanse oorlogen berokkenden veel schade in Heule.
In het begin van de 17e eeuw tekende zich een veelbelovend herstel af, dat echter snel tenietgedaan werd door nieuw oorlogsgeweld.
In 1646 had Heule te lijden onder de aanwezigheid van de prins van Orléans die vanuit Heule zijn aanvallen op Kortrijk organiseerde.
In 1667-1668 volgde een nieuwe belegering van Kortrijk.
In de periode 1672-1677 raakte Heule opnieuw in het strijdgewoel betrokken.
Het Verdrag van Nijmegen (1678) beëindigde de oorlog tussen Lodewijk XIV en Karel II van Spanje. In uitvoering van het verdrag werd de stad Kortrijk en de Roede van Menen, met inbegrip van Heule, overgedragen aan Frankrijk.
In 1678 werd Kortrijk aan Spanje teruggeschonken, met uitzondering van de Roede van Menen, en dus ook Heule.
Tijdens het Franse beleg van Kortrijk (1683-1684) ondervond Heule zware beschadigingen.
In de loop van de Negenjarige Oorlog (1688-1695), hielden in 1690 Franse soldaten zwaar huis in het dorp.
Vier jaar later brak vervolgens een pestepidemie uit die het inwonersaantal sterk deed teruglopen. Als gevolg hiervan ontstond een economische crisis die zou aanslepen tot in de 18e eeuw, en die de landbouwproductie en de werkgelegenheid volkomen ontredderde.
Gedurende de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) hadden de dorpelingen te lijden onder allerlei opeisingen. Door het Verdrag van Utrecht (1713) werd de Roede van Menen opnieuw bij de Zuidelijke Nederlanden gevoegd; ze zal tot aan het einde van het Ancien Régime evenwel een afzonderlijke Kasselrij blijven vormen.
Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) werden de Zuidelijke Nederlanden vanaf 1744 opnieuw door Franse troepen bestormd. De felle gevechten om Kortrijk in 1745 en de driejarige Franse bezetting brachten andermaal verwoestingen met zich mee.
De Vrede van Aken (1748) had tot gevolg dat de Zuidelijke Nederlanden opnieuw Oostenrijks grondgebied werden. Onder de regering van Maria-Theresia (1740-1780) kenden onze gewesten een zekere voorspoed. Na de Brabantse Omwenteling en het korte bestaan van de Verenigde Belgische Staten (1789-1790) kwam de Oostenrijkse restauratie (1790-1792). In 1794 heroverden de Franse troepen onze gewesten. Dit ging in Heule gepaard met zware plunderingen van onder meer de Warandekapel en de kerk, waarvan de sacristie in die tijd werd ingericht als paardenstal.
In 1782 werd de kerk een tweede maal vergroot, opnieuw omdat de bevolking aangroeide.
In 1839 wordt Heule overgeheveld naar het decanaat Kortrijk.
In Heule was de huisnijverheid al in de 18e eeuw aanwezig, maar vanaf 1850 nam vooral de vlasnijverheid een hoge vlucht.
Heule liep in de Eerste Wereldoorlog heel wat schade op maar na oorlog ging de industrialisatie verder.
Ook de Tweede Wereldoorlog leverde schade op bij de Leieslag. In 1944 werd Heule getroffen door geallieerde bombardementen en op 7 september 1944 werd het dorp bevrijd.
In 1944 werd de kerk tijdens de bombardementen bijna volledig verwoest. Enkel de toren bleef gespaard. Meer dan 10 jaar werd de mis opgedragen in een schuur, die als noodkerk was ingericht. De vernieuwde kerk werd pas in 1956 ingewijd.
Na de Tweede Wereldoorlog schakelden veel vlasverwerkers over op weverijen. Vanaf 1960 kwam er meer gemengde industriële bedrijvigheid en werden er ook verschillende nieuwe woonwijken gebouwd. Zo evolueerde Heule verder tot een sterk verstedelijkt dorp.
Het nog bestaande neerhof “Heerlijkheid van Heule” is te bereiken via een dreef. Het poortgebouw, dat dateert van 1722, maar werd vernieuwd na een brand in 1901, draagt het wapenschild van de familie d’Ennetières en geeft toegang tot het erf. Aan de woning is het wapenschild van Heule nog te zien. Het aanwezige traprad is een restant van een vroegere karnmolen.
Tijdens de 18e eeuw worden er heel wat verbouwingen aan de “Heerlijkheid van Heule” uitgevoerd. In 1722 werd ook het woonhuis volledig herbouwd.
Voor het poortgebouw staat een cichorei-ast van omstreeks 1885.
In 1944 werd het woonhuis uitgebreid met een twee verdiepingen hoge vleugel met villa-achtige allures.
De omwalling bleef achtvormig tot na de Eerste Wereldoorlog. Toen werd het gedeelte tussen het neerhof en de mote gedempt.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)