De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




HERSEAUX - BURCHT


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




De plaats Herseaux (in het Nederlands Herzeeuw genoemd) is een plaats in de Belgische provincie Henegouwen en een deelgemeente van Moeskroen.

Herseaux ligt tegen de Franse grens. Het dorpscentrum van Herseaux ligt ruim een kilometer ten zuiden van de verstedelijkte kern van Moeskroen.

Bij het vastleggen van de taalgrens in 1963 werd de gemeente ingedeeld als franstalig met taalfaciliteiten voor de nederlandstalige minderheid, als gevolg hiervan werd de toen nog zelfstandige gemeente van de provincie West-Vlaanderen overgeheveld naar Henegouwen. In 1977 werd het een deelgemeente van Moeskroen.

De oudste vermeldingen van het dorp gaan terug tot het begin van de 12de eeuw.

Pas aan het begin van het feodalisme verscheen de naam “Herseaux”.

De naam wordt in 1010 vermeld op kaarten uit de Sint-Pietersabdij van Gent. In deze periode werd Herseaux verdeeld, en dat bleef zo
​​tot aan de revolutie.

Een kwart van het grondgebied was afhankelijk van Doornik, de rest was een vrij leengoed (zonder afhankelijkheid van een heer) tot het in 1412 werd ingelijfd bij de chatellenie van Kortrijk.

Onder de grootgrondbezitters vinden we vervolgens het hof van de heerlijkheid Herseaux, de Sint-Pietersabdij van Gent en het feodale hof van Moeskroen voor Herseaux-Vlaanderen. Op het andere deel van het grondgebied zijn de grote eigenaars opnieuw het hof van de heerlijkheid, het kapittel van de kathedraal van Doornik, de abdij van Sint-Maarten van Doornik, het Hospitaal van Roubaix en de kruisheren van Lannoy.

In 1096 verschijnt de naam van Frans d'Herseaux als plaatselijke heer, die een van de eerste kruisvaarders zou geweest.

De heren van Herseaux-Doornik verschenen pas op het einde van de 13e eeuw.

Een adellijke familie, namelijk de familie le Courtroisin, regeerde meer dan een eeuw over de heerlijkheid van Herseaux.

Waarschijnlijk werd de burcht gebouwd in opdracht van deze familie.

Tot deze familie behoorde ook Sohier le Courtroisin. Sohier le Courtroisin (ook genoemd Zeger de Kortrijkzaan) werd geboren te Gent omstreeks het midden van de 13de eeuw. Hij was een waardige telg van het oude geslacht van de burchtheren van Kortrijk, dat ooit waardevolle krijgslieden heeft geleverd aan Willem van Normandië om Engeland te kunnen veroveren, aan Godfried van Bouillon om koning van Jeruzalem te kunnen worden en aan Boudewijn van Constantinopel om keizer te kunnen worden van het Griekse rijk in 1204.

De ironie wil dat later, in 1380, Filips van Aftevelde de Kortrijkse burcht zal innemen waardoor, na de slag bij Westrozebeke, de Fransen in 1382 de burcht zullen verwoesten. Sohier was een wijs raadsman van de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. Het politiek klimaat waarin Zeger leefde zat kort samengevat als volgt ineen.

De Franse koning, Filips IV de Schone, die feodaal suzerein was over Vlaanderen, probeerde omstreeks 1285 weer méér invloed te krijgen over ons gewest, vooral wegens de grote economische bloei die wij hier kenden. Gwijde verzette zich daartegen en zocht steun bij de Engelse koning Edward I. Gwijdes dochter, die zich in 1294 verloofd had met de Engelse kroonprins, werd op een bepaald ogenblik door de Franse koning gevangen genomen waardoor in 1297 een openlijke strijd ontstond tussen Frankrijk en Vlaanderen.

De Vlaamse graaf had er inmiddels voor gezorgd dat hij Gent, de machtigste stad van ons gewest, achter zich kreeg, want zonder stedelijke milities en financiële bijdragen betekende zijn leger niet veel. In maart 1297 had hij drie charters uitgevaardigd, die later als de Grote Keuren der Gentenaars zouden worden beschouwd. Deze 3 grondwettelijke keuren kan men beschouwen als het "palladium der vrijheid" van Gent, een vrijheid die pas definitief ophield in 1540.

Vlaanderen werd aanvankelijk gesteund door Engeland. In 1299 liet Engeland, ingevolge het Verdrag van Montreuil (19 juni 1299), Gwijde in de steek en in mei 1300 bezetten de Franse troepen Vlaanderen vrijwel volledig.

Gwijde moest zich overgeven, samen met zijn twee zonen Robrecht van Béthune en Willem van Crèvecoeur. Zij werden in Franse burchten opgesloten.

Ondanks de afwijzing van zijn raadgevingen bleef Sohier toch aan zijn graaf gehecht en protesteerde hij heftig tegen de ontrouw van de edelen die zich onderwierpen aan de koning van Frankrijk (de Leliaerts). Ook Sohier zelf werd opgesloten in het kasteel van Joinville.

Omdat de Gentenaars hun "vrije" grondwet te danken hadden aan Gwijde deed de Franse koning een tegenzet en verschafte de Gentenaren een bijkomende “vrijzinnige” grondwet. Jan van Namen, de oudste zoon van Gwijde, die een groot aandeel in de strijd van zijn vader had, werd na de succesrijke Guldensporenslag ruwaard van Vlaanderen.

Op 18 augustus 1304 leed het Vlaamse leger, onder leiding van Jan van Namen, een nederlaag tegen Filips IV bij de Pevelenberg. Het was Filips repliek op de Brugse metten en de Guldensporenslag. Zijn persoonlijke aanwezigheid bij de Vlaamse nederlaag moest overkomen als een bevestiging van zijn autoriteit over Vlaanderen.

Pevelenberg leidde tot de Vrede van Athis-sur-Orge op 24 juni 1305. Het was een verdrag tussen Filips enerzijds en de graaf van Vlaanderen en de Vlaamse steden anderzijds.

Het zette een punt achter de inlijving van 1300 en de gevangenen van beide kampen verkregen opnieuw hun vrijheid. Zo kwam Zeger de Kortrijkzaan ook weer vrij.

Ondertussen was tijdens de onderhandelingen een eind gekomen aan het leven van Gwijde (7 maart 1305) en Robrecht van Béthune, zijn zoon, zat nu met de zware vernedering opgezadeld.

De tijdens de oorlog beroofde Leliaerts moesten voor hun verliezen vergoed worden en de stadsversterkingen van Gent, Brugge, Ieper en Dowaai, moesten worden afgebroken. Mogelijk verdween daardoor het binnengedeelte van de oudste Gentse stadspoort, de "Nieuwpoort".

Het verdrag van Athis-sur-Orge was veel te streng gebleken en de steden zochten alsmaar uitvluchten waardoor de ove eenkomst pas geratificeerd werd in mei 1307 te Poitiers. Bovendien maakte de koning de investituur van Robrecht als graaf van Vlaanderen, ondergeschikt aan de uitvoering van het verdrag. Nieuwe besprekingen werden aangevangen eind 1307. Tot in 1310 bleef men vruchteloos onderhandelen, datum waarop de paus zich resoluut aan de zijde van de Franse koning schaarde. Te Doornik, herfst 1311, verenigden twee conferenties de Vlaamse en Franse partijen, waardoor verwarring ontstond binnen het Vlaamse kamp. De solidariteit onder de Vlamingen stond op de helling. De graaf Robrecht en zijn zoon Lodewijk van Nevers de Oude werden niet meer unaniem door de Vlaamse steden gevolgd. De verwarring werd nog groter toen Lodewijk van Nevers de Oude te Parijs werd aangehouden wegens meineed en majesteitsschennis.

Om het verdrag van Athis-sur-Orge ten allen koste te doen naleven werden tussen 1315 en 1326 meerdere Vlamingen gegijzeld als onderpand. Een lang leven was de Oude echter niet meer beschoren want in 1322 stierf hij, even voor de dood van Robrecht van Béthune (17 september 1322).

Na zijn vrijlating in 1305 bewoonde Zeger enige tijd zijn heerlijkheid te Drongen en nam zonder aarzeling de titel aan van "deken van de poorterij" van Gent.

Mogelijk omstreeks 1320 schonk Zeger de hand van zijn dochter Catharina van Drongen aan Jacob van Artevelde.
Inmiddels volgde Lodewijk van Nevers de Jonge in 1322 zijn grootvader Robrecht van Béthune op als graafvan Vlaanderen. Opgevoed als gijzelaar aan het Franse hof was deze intussen gehuwd met de dochter van de Franse koning Filips V (21 juli 1320).

Zijn oom Robrecht van Kassel betwistte hem de troon, omdat hij hem als verrader beschouwde, doch met de steun van de grote Vlaamse steden zegevierde Lodewijk. Weldra brak echter een opstand uit in de Vlaamse kuststreek tengevolge van de belastingen die hij hief om het verdrag van Athis-sur-Orge te kunnen naleven. Brugge en Ieper sloten zich aan bij de opstandelingen. Gent bleef Lodewijk trouw. Zij zocht de toorn niet van graaf en koning want zij had veel te verliezen. In 1325 werd Zeger de Kortrijkzaan bevelhebber van de Gentse troepen. Hij genoot van een grote populariteit.

Toen de Bruggelingen in 1325 de graaf te Kortrijk gevangen namen en de oproerlingen, geleid door Nicolas Zannekin, en Robrecht van Kassel, de oom van de graaf, die illegaal was uitgeroepen tot ruwaard van Vlaanderen, het graafschap in vuur en vlam zetten, droeg hij veel bij om Oudenaarde en Aardenburg terug onder de heerschappij van de graaf te krijgen.

Zeger koos voor gehoorzaamheid aan de graaf van Vlaanderen, die gehoorzaam moest zijn aan de Franse koning. Nabij Assenede kwamen de Gentse troepen van Zeger in botsing met het Brugse leger. Het was een bloedig gevecht maar de Gentenaars behaalden de overwinning. In 1328 snelde de Franse koning Filips VI zijn vazal, Lodewijk van Nevers, ter hulp en verpletterde de opstandelingen. Het verdrag van Athis-sur-Orge kon eindelijk worden nageleefd.

Op 12 augustus 1336 sleepte de koning van Engeland Vlaanderen mee in een hachelijk avontuur. Hij verbood iedere export van grondstoffen waaronder dus ook wol. En wol had Vlaanderen, vooral Gent, broodnodig zowel voor de lakenhandelaars als voor de wolbewerkende neringen. Het is dan ook meer dan normaal dat Gent kost wat kost weer aan Engelse wol wou geraken en zo gingen er stemmen op om toenadering te zoeken tot Engeland. Rood van woede werd Lodewijk van Nevers toen hij hoorde dat zijn trouwe Zeger de Kortrijkzaan, openlijk begon te pleiten voor een alliantie met de Engelse koning.
Zeger had zelfs al een verdrag getekend met Hendrik van Vlaanderen, (nog een zoon van Gwijde van Dampierre, bijgenaamd graaf van Lodi) en andere ridders, waarin overeengekomen werd dat voortaan Vlaanderen, Brabant en Henegouwen nooit nog een oorlog zouden voeren zonder onderling akkoord.
Op 6 juni 1337 werd Sohier gearresteerd en overgebracht naar het kasteel van Rupelmonde. Sohier had zich, volgens de koning van Frankrijk en de graaf van Vlaanderen, schuldig gemaakt aan verraad.
Vruchteloos hebben de Gentse afgevaardigden, en later ook die van de andere steden, zijn vrijheid opgeëist. Op bevel van de Franse koning liet Lodewijk van Nevers Sohier le Courtroisier onthoofden op zijn ziekbed te Rupelmonde op 23 maart 1338.

Over de precieze geschiedenis van het kasteel dient dus nog enige klaarheid te worden geschept.

Op een infopaneel van de lokale toerische dienst staat te lezen dat het kasteel zou zijn gebouwd omstreeks 1130.

Volgens Sanderus zelf bestond het kasteel uit “een ronde omheining, verdedigd door 3 grote cilindrische torens gebouwd op een heuvel van 12 meter hoog en 60 meter lang”.

Vanaf het jaar 1500 onderging het kasteel een langzame degradatie. Op het ogenblik dat de prent werd gemaakt moet het kasteel dus al in een zekere graad van verval zijn geweest.

Tijdens en na het verval van het kasteel vestigde de hoofdzetel van de heerlijkheid Herseaux zich in het neerhof nabij het kasteel. Deze hoeve werd gedurende de eeuwen verschillende keren verbouwd. De bossen in de omgeving, en de oprijlaan die naar de hoeve leidde, verdwenen met de jaren.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de hoeve zelfs volledig afgebroken en herbouwd. De grote omwalling werd in 1962 gedempt. Omheen de hoeve werden weilanden ingericht.

Het landgoed ging intussen door verkoop over naar verschillende families (Preud'homme, Della Faille, Duvilliers-Watine, Coppenol).

(Bronvermelding: deze tekst is grotendeels gebaseerd op vertaalde teksten van Jaques Hossey in Grand-mouscron.forumgaming.fr/t8-rue-de-l-ancien-chateau-chateau-d-herseaux-herseaux-place (2018); Sohier.free.fr/courtrayfr.htm (2018))