De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




HEMIKSEM - SINT-BERNARDUSABDIJ


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van de Sint-Bernardusabdij in Hemiksem.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Het tekenwerk is van de hand van David Coster.

Hemiksem is thans een gemeente in de provincie Antwerpen.

De Sint-Bernardusabdij is een voormalige cisterciënzerabdij. Thans is op dezelfde locatie nog steeds een rechthoekig abdijcomplex aanwezig uit de 17e tot de 20e eeuw omringd door voormalige militaire gebouwen uit de 19e tot de 20e eeuw. Het geheel is gelegen binnen een uitgestrekt ommuurd terrein ten zuiden begrensd door Benedenvliet en ten westen door de Schelde. Nu leidt een brede betonbaan in het verlengde van de Depotstraat naar de huidige ingang. De huidige toegangspoort dateert uit de 18e eeuw.

In augustus 1233 schonk Hendrik I, hertog van Brabant, aan de abt van Villers allodiale goederen te Westmalle en het bos Hooidonk, om in deze streek een abdij van de cisterciënzerorde op te richten. Deze stichting ging toen niet door, maar wel toen Egidius Berthout, heer van Berlaar, in 1236 zijn rechten schonk aan de abt van Villers met de uitdrukkelijke wens in één van deze plaatsen een klooster op te richten. De hertog van Brabant deed afstand van zijn rechten als overheer, zodat deze goederen allodiaal,  dit is niet-leenroerig werden.

Zo ontstond in juli 1237 te Vremde de eerste Sint-Bernardusabdij, bevolkt door monniken van de abdij van Villers. In 1243 kocht de abdij van Goswin van Plusenghem, bijgenaamd Boch, gronden te Hemiksem, die aan de abdij geschonken werden door de hertog van Brabant. Het uitblijven van schenkingen, ruzie met de pastoor van Vremde en voornamelijk de nabijheid en het conflict met de stichters van de abdij, de familie Berthout van Berlaar, veroorzaakten haar verplaatsing naar Hemiksem aan de samenloop van Schelde en Vliet. Vóór december 1244 begon de opbouw van de nieuwe abdij en in 1246 betraden de monniken hun nieuwe gebouwen. De eerste kloostergebouwen lagen bij de waterpoort, dit is de poort aan de Vliet met onder meer een portierswoning en een aalmoezenkamer. In 1266 kon dank zij een gift van Jan van Antwerpen een kapel opgericht worden bij de poort, die afgebroken werd in 1665.

Voor het grootste gedeelte van de 15e en de 16e eeuw ontbreken historische gegevens. De abdij werd beschadigd bij een overstroming in 1552. In 1559 werd het bisdom Antwerpen opgericht. Vanaf 1561 stond de Sint-Bernardusabdij in voor de geldelijke inkomsten van het bisdom Antwerpen. De bisschoppen van Antwerpen werden tevens aangesteld tot abt van de abdij en resideerden vanaf 1571 in het voormalig refugehuis van de abdij op de Schoenmarkt te Antwerpen. Deze incorporatie duurde tot 1649, nadat de abdij bepaalde goederen had afgestaan aan het bisdom, zoals haar voormalig refugehuis aan de Schoenmarkt.

In 1578 had de abdij te lijden onder de godsdienstoorlogen. De monniken trokken naar hun refugehuis te Lier en daarna begaven ze zich naar dat van Coolhem te Puurs. Tijdens de daarop volgende militaire gebeurtenissen werd de abdij, omwille van haar strategische ligging, gedeeltelijk versterkt in 1579; en op bevel van de Staten van Brabant startten in 1582 verdere versterkingswerken, zodat onder meer de omheiningsmuur voorzien werd van schietgaten.

Bevreesd voor een bezetting door de Spanjaarden gaf de Staten van Brabant op 10 augustus 1582 bevel tot afbraak van de abdij. Gelukkig werd korte tijd nadien deze afbraak stopgezet. Inmiddels had een brand de abdij wel zwaar geteisterd.

De afbraak werd in 1583 terug aangevat en de materialen afkomstig van deze afbraak werden gebruikt voor de versterking van de stad Antwerpen en de opbouw van de Beurs. In 1584 nam Farnese de abdij in en wierp op beide Scheldeoevers schansen op, zodat de toegang tot Antwerpen langs de Schelde afgegrendeld was.

Pas in 1612 werd de abdij in haar vroegere functie hersteld, terwijl de religieuzen slechts in 1616 naar hun abdij terugkeerden. Inmiddels had de bisschop de abdij gedeeltelijk laten herstellen.

Tal van tuinen, boomgaarden en visvijvers, sierden het immense, ommuurde abdijdomein met een waterpoort en een landpoort met een kapel en een poortwachterswoning.

Op deze prent van Sanderus van omstreeks 1650 is de abdijkerk te zien. In 1672 brandde deze kerk totaal uit en werd het grootste gedeelte van de abdijgebouwen geteisterd. Korte tijd nadien werden er herstellingswerken uitgevoerd.

Tussen 1700 en 1790 werden vrijwel alle gebouwen van de abdij onder handen genomen; de westvleugel werd herbouwd, de sacristie, de zuidvleugel, de middenvleugel en de noordvleugel gebouwd. Ondertussen werd ook circa 1738 de bouwvallige omheiningsmuur hersteld.

In 1796 werden bij wet de kloosters afgeschaft. In 1797 werden de overgebleven kloosterlingen uitgedreven. In hetzelfde jaar werd de abdij te koop gesteld. De kopers konden toen de koopsom echter niet betalen zodat de abdij terugkeerde tot de nationale goederen. Blijkbaar vond men toen geen passende functie voor het gebouw, want kort daarop begon de afbraak, die uiteindelijk beperkt bleef tot de kerk.

In 1811 werd de abdij herschapen in een algemeen marinehospitaal. Ook gebouwen werden toegevoegd, zoals een kazerne, een directiegebouw en een vrijstaand amfitheater. De abdij werd ingenomen door Pruisische soldaten in 1814, maar kort daarop verlaten. Daarna diende de abdij als een graanmagazijn en startten er in 1816 dringende herstellingswerken. Tussen 1821 en 1867 werden de gebouwen ingericht en gebruikt als een correctionele gevangenis. De gebouwen werden vanaf 1867 gebruikt als een militaire opslagplaats.

Van 1945 tot 1948 diende de abdij als een interneringskamp voor incivieken en werd het overgemaakt aan het Ministerie van Justitie. Daarna werden de gebouwen terug in gebruik genomen als legerdepot, maar ontruimd circa 1977-78.
Sindsdien bleef het gebouw zonder functie.

Vanaf 1833 vonden de religieuzen onderdak in het voormalig klooster van de Engelse dominicanen te Bornem, waar ook de bibliotheek en het archief werden ondergebracht. Omdat een herstel van het kloosterleven uitbleef hadden de monniken in de 19e eeuw het belangrijke kerkmobilair verkocht.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)