De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
GERAARDSBERGEN - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent van Sanderus zien we de stad Geraardsbergen omstreeks 1640. Geraardsbergen is een stad in de huidige provincie Oost-Vlaanderen.
We schetsen hier in een kort bestek de historiek van verschillende voor de stad belangrijke plaatsen die we op de prent van Sanderus hebben genummerd.
Verschillende van deze plaatsen zijn thans nog in deze stad aanwezig, zij het in een verbouwde of uitgebreide toestand.
Het graafschap Vlaanderen was tot 1046 in het oosten begrensd door de Schelde. In dat jaar palmde Boudewijn V, graaf van Vlaanderen het gebied tussen de Schelde en de Dender in. De oostgrens werd vanaf dan de Dender en de steden op deze rivier moesten het nieuw verworven gebied beschermen.
Geraardsbergen werd gesticht tussen 1067 en 1070 als een versterking van het Vlaamse grondgebied door Boudewijn VI, Graaf van Vlaanderen en Henegouwen, op een van Geraard, heer van Hunnegem, aangekocht erfleen, gelegen tussen de Dender en westelijke helling van de Oudenberg op de grens met de graafschappen Henegouwen en Brabant.
Deze stad heeft zich vrij snel ontwikkeld, dankzij de toen verleende vrijheidsvoorrechten van de stadskeure.
De oudste pre-stedelijke bewoningskern van Geraardsbergen was te situeren rond de parochiekerk van Hunnegem, op de linkeroever van de Dender.
Belangrijk voor de sociale, economische, culturele en geestelijke expansie was de overplanting in 1081 van de benedictijnenabdij van Dikkelvenne naar Geraardsbergen.
De
Sint-Adriaansabdij (2)
van Geraardsbergen was een benedictijnenabdij, gelegen langs de huidige Abdijstraat.
In 1081 werd de Sint-Pietersabdij van Sint-Pieter te Dikkelvenne op verzoek van de graaf van Vlaanderen Robrecht II van Jeruzalem overgeplaatst naar Geraardsbergen. In 1110 verkreeg de abdij een aantal relieken van de Heilige Adrianus, waardoor ze uitgroeide tot een belangrijk bedevaartsoord. De naam van de abdij werd in 1175 daarom ook gewijzigd in Sint-Adriaansabdij.
De abdij, die van grote betekenis zou worden voor de stad, kende een grote bloei en een belangrijk abdijcomplex werd uitgebouwd. De verering van Sint-Adrianus als beschermheilige tegen de pest gaf Geraardsbergen zulk een uitstraling dat de stad ook wel Adrianopolis werd genoemd. Verscheidene mirakels zouden toegeschreven zijn aan de verering van de heilige Adrianus.
Geraardsbergen kende een snelle groei tot een centrum met een lokale economische functie en een belangrijk marktrecht.
Er was vooral een bloei van de huidenvetterij en voornamelijk van de lakenweverij, laatst genoemde vooral vanaf het begin van de 13e eeuw.
Langs de Gasthuisstraat bevond zich het
Gasthuis (7)
, thans waarschijnlijk beter bekend als het Oud-Hospitaal of Onze-Lieve-Vrouwhospitaal.
Het is een voormalig hospitaal of gasthuis dat waarschijnlijk in zijn oorspronkelijke vorm rond 1200 werd opgetrokken.
Gedocumenteerde giften vermelden de graven van Vlaanderen als stichter en waarschijnlijk Robrecht II van Jeruzalem na zijn terugkeer uit het Heilig Land.
Het
Begijnhof (6)
van Geraardsbergen bevond zich langs de huidige Begijnhofkaai.
Het “Senter Margrieten Begijnhof”, werd waarschijnlijk omstreeks 1245 door Margaretha van Constantinopel in het stadscentrum aan de Denderoever gesticht.
De begijnen bewoonden een klein “hofje” rond de kerk en hielden zich niet alleen met godsdienstige zaken bezig, maar ook met ziekenzorg, onderwijs en de vervaardiging van kant en van laken.
In de “firmerie” (het ziekenhuis) konden ook niet-begijnen worden opgenomen, maar dan wel tegen betaling, wat voor de instelling een niet onbelangrijke bron van inkomsten zou worden.
Andere inkomsten werden onder meer gehaald uit het kantwerk van de begijnen en uit de lakens die op het nabije “raamhof” werden opgehangen en tot in het buitenland werden verkocht.
Naast het
Gasthuis (7)
werd in 1304 een hospitaalkerk opgetrokken.
In 1332 werden de vestingmuren aangelegd met versterkte torens en 6 stadspoorten: de Duts- of Oudenaardse poort, de Boelarepoort, de Vlieguit - of Gentsepoort, de Over of Brusselse poort, de Putsemeyn- of Buisemontpoort, en de Hunnegem- of Lessense poort. In Geraardsbergen ontwikkelde zich een middeleeuws stadspatroon met een hoge stad en een lage stad.
In 1373 werd een kruiskerk opgericht bij de
Sint-Adriaansabdij (2)
met een omringend kerkhof; verder bevonden zich op het terrein een brouwerij, een binnenplaats, een U-vormig kloosterpand, een abdijvleugel met prelaatskwartier, een aantal stallingen en bergplaatsen. Deze kruiskerk werd gebouwd vlak naast de parochiekerk van Sint-Lucas (in 1627 heeft de abdij deze kerk overgenomen). Naast Hunnegem was Sint-Lucas immers de hoofdkerk van Geraardsbergen.
Mede door haar strategische ligging werd Geraardsbergen dikwijls geteisterd door oorlogen onder meer tijdens de grote Gentse opstand van 1380-86.
In de strijd tussen de graven van Vlaanderen en de stad Gent koos Geraardsbergen de kant van Gent en werd om deze reden in 1381 door de troepen van de graaf platgebrand.
In 1446 werd de hospitaalkerk en het kloosterpand van het
Gasthuis (7)
afgewerkt.
In 1448 liep het
Gasthuis (7)
schade op toen Gentenaars de stad belegerden.
Geraardsbergen kende een dieptepunt in de 15e eeuw met het verdwijnen van de lakennijverheid en de plundering zowel door de Gentenaars als door de troepen van Filips de Goede in 1452-1453.
Zo werd in 1452 de hospitaalkerk bij het
Gasthuis (7)
verwoest.
In de tweede helft van de 15e eeuw werd deze hospitaalkerk hersteld.
Het
Karmelietenklooster (1)
(later: Jozefietencollege) was een klooster gelegen langs de huidige Karmelietenstraat. Op de plaats van het klooster stond het 12e-eeuwse Kasteel ter Gracht, dat deel uitmaakte van de verdedigingsgordel van Geraardsbergen.
In 1466 schonk kasteelvrouwe Maria van der Gracht het kasteel aan de Geschoeide Karmelieten.
In 1476 werd op de huidige Grote Markt de 12e-eeuwse Capelle van Onze Lieve Vrouw ter Maerct omgedoopt tot de
Sint-Bartholomeuskerk (4)
.
In de 16e eeuw was er de opkomst van de kantnijverheid en de tapijtweverij in Geraardsbergen. Er waren in deze eeuw wel ernstige moeilijkheden ten gevolge van de godsdiensttroebelen en wanbeleid.
De
Sint-Adriaansabdij (2)
bleef evenwel een belangrijk centrum, onder meer voor het onderwijs met het college.
In de 16e eeuw werd de
Sint-Bartholomeuskerk (4)
vergroot.
Het abtenhuis van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werd gebouwd in 1506.
In 1514 kwam een kerk van het
Karmelietenklooster (1)
tot stand.
In 1548 werd het Karmelitenklooster verder uitgebouwd.
In 1549 werd Geraardsbergen geteisterd door een grote brand en door verscheidene pestepidemieën tussen 1558 en 1585.
Er was bovendien een rampzalig Spaans bewind met grote plunderingen tijdens de tweede helft van de 16e eeuw.
In 1566 werd de
Sint-Bartholomeuskerk (4)
beschadigd door de beeldenstormers.
In 1578, tijdens de godsdiensttwisten, werd het
Karmelietenklooster (1)
verwoest en daarna weer herbouwd.
Tijdens aanpassings- en herstellingswerken tussen 1580 en 1618 werd de gotiek van de
Sint-Bartholomeuskerk (4)
vervangen door barok.
In de middeleeuwen was het
Stadhuis (3)
van Geraardsbergen een schepenhuis met vier hoektorens die tot op de grond reikten.
In 1598-99 werd dit gebouw gerestaureerd na plunderingen en belegeringen. Drie van de vier hoektorens werden flink verkort en er werd een klokkentorentje opgetrokken midden op het dak. Het is dit stadhuis dat we zien op deze prent
Een deel van het Stadhuis werd in die periode gebruikt als lakenhalle en als rederijkerskamer.
Vanaf de 17e eeuw begon Geraardsbergen opnieuw te bloeien. De lakennijverheid kende haar hoogtepunt.
De
Oudenberg (9)
is op deze prent van Sanderus goed zichtbaar. Deze bevindt zich ten oosten van Geraardsbergen. De omgeving van Geraardsbergen is heuvelachtig, met, naar Vlaamse normen, steile en hoge hellingen.
De ‘Muur van Geraardsbergen’ is er een bekend voorbeeld van; deze ligt op de Oudenberg (110 meter).
Boven op de top van de Oudenberg staat een kapel die ook op de prent te zien is. De berg zou oorspronkelijk een heidense offerplaats geweest zijn en in de middeleeuwen was het een refuge voor kluizenaars. De bijzondere
Mariaverering leidde tot de oprichting van de kapel Onze-Lieve-Vrouw-van-Oudenberg in het begin van de 17e eeuw, waar een miraculeus beeldje werd ondergebracht en nog steeds aanwezig is.
De eerste kapel werd enkele keren opnieuw gebouwd.
Met de naam Hunnegem werd eens de plaats aangeduid waar een Frankische nederzetting zich langs de linkeroever van de Dender ontwikkelde. In de stadskeure van Geraardsbergen werd voor het eerst gesproken over Hunnegem.
Boudewijn VI, graaf van Vlaanderen, kocht in 1068 van Gerald, heer van Hunnegem, een vrijbezit om er een burcht op te richten, die de juridische bakermat vormde van de stad Geraardsbergen. Geraardsbergen ontwikkelde zich echter niet op de linkeroever van de Dender maar op rechteroever rond de Sint-Lucaskerk (die later werd geïntegreerd in de kerk van de Sint-Adriaansabdij) op de flank van de Oudenberg.
De parochie van Hunnegem was gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, en bezat reeds vóór de stichting van de stad een eenbeukig romaans zaalkerkje. Rond 1081 werd het zaalkerkje aan de Sint-Adriaansabdij geschonken.
In de loop der eeuwen hebben vele verbouwingen plaatsgevonden, zoals de aanbouw van een gotisch koor, een spitsboogvenster, een transept en een achtkantig vieringtorentje.
Dit kerkje was sinds de 14e eeuw een bedevaartsoord gewijd aan Maria (moeder van Jezus). Later kwam Hunnegem onder het kerkelijk territorium van de Sint-Bartholomeusparochie.
Omstreeks 1623 kwam zich zusters benedictinessen vestigen rond het kerkje. In 1624 werd het
Klooster van Hunnegem (8)
(Priorij van Hunnegem) gebouwd. Het kerkje deed dienst als kloosterkerk.
In 1627 heeft de
Sint-Adriaansabdij (2)
de parochiekerk van Sint-Lucas overgenomen.
In 1629 werd binnen de
Sint-Adriaansabdij (2)
een Latijnse School opgericht.
Het abtenhuis van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werd na een brand opnieuw opgebouwd en vergroot in 1629.
De orde van de paters miniemen, gesticht in de 15e eeuw in Italië, kende in de 17e eeuw een grote bloei in heel Europa.
De paters miniemen vestigden zich in 1621-1622 in Geraardsbergen in de huidige Collegestraat naast de Sint-Kathelijnekapel, de kapel van het weversambacht. De eigenlijke vestiging van het
Miniemenklooster (5)
kwam er in 1636.
De paters miniemen bouwden in 1640 bij het
Miniemenklooster (5)
een nieuwe kerk in barokstijl, in 1641 ingewijd als de nieuwe kloosterkerk gewijd aan Sint-Catharina. Het Miniemenklooster was voorzien van een pandgang ten zuiden van de kloosterkerk omgeven door kloostervleugels van twee bouwlagen.
De afgesloten voortuinen van kerk en klooster werden gescheiden door een haaks op het complex gelegen gebouw.
Tussen 1644 en 1647 werd de oudste, heden bewaarde, kloostervleugel van het
Gasthuis (7)
gebouwd.
In 1690 werden de stadsmuren onder de Franse bezetting gesloopt.
In 1697 bloeide de kantnijverheid in Geraardsbergen op.
Bij het
Begijnhof (6)
was een schooltje, dat volgens een aartsbisschoppelijk schrijven uit 1701 in dat jaar maximaal tien klassen met elk twaalf leerlingen tussen 6 en 16 jaar mocht tellen.
In 1717 werd een nieuwe kerk gebouwd bij het
Karmelietenklooster (1)
.
In de jaren 1751-1756 werd de abdijkerk van de
Sint-Adriaansabdij (2)
deels afgebroken en ontdaan van haar gotische elementen. Ze werd sterk verbouwd met een barokke klokgevel en 8-hoekige kruisingstoren. De ernaast gelegen Sint-Lucaskerk werd waarschijnlijk in deze periode volledig geïntegreerd in deze nieuwe abdijkerk. Ook het abtenhuis van de abdij werd in de 18e eeuw voorzien van rococo-stucwerk.
In 1752-53 werd het
Stadhuis (3)
verbouwd in Lodewijk XV-stijl met een bepleisterde gevel.
In 1761 werd een volledig nieuwe hospitaalkerk bij het
Gasthuis (7)
gebouwd aan de Grotestraat.
De gebouwen van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werden in 1794 tijdens de Franse Omwenteling gedeeltelijk verwoest.
Ook het
Klooster van Hunnegem (8)
werd in hetzelfde jaar opgeheven.
Na de verkoop van het
Klooster van Hunnegem (8)
in 1796 werd het kerkje volledig verbouwd.
In 1796 werd het
Karmelietenklooster (1)
verkocht maar een jaar later kwam het weer in bezit van de Karmelieten.
In 1796 werd de kerk bij het
Gasthuis (7)
gesloten en het gasthuis overgedragen aan leken.
De overblijvende gebouwen van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werden in beslag genomen en in 1797 openbaar verkocht.
De kerk en de kloostervleugel werden vervolgens gesloopt.
Onder het Frans bewind werd het
Miniemenklooster (5)
afgeschaft en de gebouwen werden in 1797 verkocht.
De kasseiwegen op de Muur getuigen van een belangrijke en langdurige fase in de evolutie van infrastructuurwerken, in casu de wegenbouw. Deze kasseiwegen zijn nog een van de laatste voorbeelden van een geplaveide wegverharding, een techniek die reeds ten tijde van de Romeinse militaire aanwezigheid werd toegepast bij de aanleg van heirbanen.
Op het einde van de 18e eeuw werden de eerste steenwegen aangelegd. De haarspeldbochten van de Muur ten zuidoosten van Geraardsbergen zijn vrij steil (meer dan 15 procent) en beklimmen een helling die tot 36 procent bedraagt.
De kasseiweg op de
Oudenberg (9)
of Muur van Geraardsbergen slingert steil naar boven.
In de 19e eeuw kreeg de infrastructuur van de stad meer vorm. De overgebleven vesten en stadspoorten werden gesloopt.
Een oud-miniem kon het
Miniemenklooster (5)
terugkopen en schonk het bij testament in 1812 aan de kerkfabriek. In het vroegere klooster werd een zondagsschool voor meisjes ingericht.
In 1816 keerden enkele gevluchte zusters van het
Klooster van Hunnegem (8)
terug en zetten er het kloosterleven verder. De priorij werd heropgericht met behulp van de benedictinessen van Gellingen.
In 1818 verkochten de karmelieten het
Karmelietenklooster (1)
aan de pas opgerichte congregatie der Jozefieten.
In 1823 gaf Willem I, koning der Nederlanden, de toelating om in het voormalige
Miniemenklooster (5)
een koninklijk stadscollege op te richten. De kerkfabriek van Sint-Bartholomeus stelde het schoolgebouw ter beschikking van het stadsbestuur en voerde restauratiewerken uit. Het college opende zijn deuren op 4 mei 1824.
Vanaf 1830 kwam het stadscollege, het voormalig
Miniemenklooster (5)
onder bisschoppelijke controle.
In 1838 kwam het
Gasthuis (7)
in handen van de Zwarte Zusters van Aalst.
De resterende gebouwen en het park van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werden vanaf 1839 omgebouwd tot een waterkuuroord.
Vervolgens is het domein bij erfenis eigendom geworden van de stad Geraardsbergen, op voorwaarde dat die er een museum en openbaar park van zou maken.
Na het overlijden van de laatste begijn in 1846 werden de 22 huisjes van het
Begijnhof (6)
door burgers bewoond.
In 1850 werd het stadscollege, het voormalig
Miniemenklooster (5)
, het Sint-Catharinacollege genoemd, naar de patroonheilige van de kerk.
In 1865 kocht de stad het ommuurde domein van het
Begijnhof (6)
aan om er onder meer de posterijen en de muziekschool in onder te brengen.
De kapel van O.-L.-Vrouw van het Begijnhof werd nog een tijdje gebruikt door de “Congregatie der jonge dochters”.
Tussen 1876 en 1895 probeerde men bij een grote verbouwing van de
Sint-Bartholomeuskerk (4)
de oorspronkelijke gotische stijl te herstellen. Het hoge schilddak stamt ook uit die periode.
De Sint-Bartholomeuskerk werd een kerk met drie beuken, een transept, een koor met kooromgang en straalkapellen.
Het
Begijnhof (6)
werd omstreeks 1880 het slachtoffer van de Schoolstrijd: alle gebouwen werden gesloopt om plaats te maken voor een school (Rijksschool).
In 1885 kocht de Gentse bisschop het Sint-Catharinacollege, voormalig
Miniemenklooster (5)
over van de kerkfabriek en liet het grondig verbouwen in een neogotische stijl. De kloostervleugels werden met een bouwlaag verhoogd.
Gedurende de 19e en ook nog 20e eeuw vonden er diverse verbouwingen en uitbreidingen plaats aan het Jozefietenklooster, voormalig
Karmelietenklooster (1)
. Zo werd in 1889 de voorgevel van de kloosterkerk (Sint-Jozefkerk) van het voormalig Karmelietenklooster herbouwd in een barokke stijl. Achter de kerk ligt het vernieuwde Jozefietenklooster waarvan de oudste gebouwen wellicht dateren uit de eerste helft van de 19e eeuw. De kloostergebouwen zijn rond een vierkante binnenplaats gegroepeerd.
De grote en imponerende gevel van het
Gasthuis (7)
langs de Grotestraat werd opgetrokken tussen 1890 en 1908 in neogotische stijl.
In 1891 werd het
Stadhuis (3)
verbouwd in een neogotische stijl. De architect baseerde zich daarvoor op deze historische prent van Sanderus van omstreeks 1640.
Tegen het einde van de 19e, begin 20e eeuw begonnen de zusters van het
Klooster van Hunnegem (8)
zich toe te leggen op het onderwijs voor meisjes, met name het opleiden van kantwerksters.
Door het verdwijnen van de kantindustrie, het kwijnen van de sigarenfabricatie en het relatieve verval van de lucifersnijverheid vanaf de eerste helft van de 20e eeuw, en van de tabaksnijverheid na de Tweede Wereldoorlog, weken de arbeidskrachten uit en verminderde de hele economische activiteit.
Dit demografisch verval is er nu nog bij gebrek aan een administratieve functie en aan voldoende nijverheid.
De bedrijvigheid van Geraardsbergen is thans nog voornamelijk te danken aan haar commercieel-verzorgende functie.
In het begin van de 20e eeuw werd een nieuwe Onze-Lieve-Vrouw-van-Oudenberg op de top van de
Oudenberg (9)
gebouwd.
Begin 20ste eeuw werden nieuwe neogotische gebouwen door het
Gasthuis (7)
langs de Grotestraat en de Kattestraat opgetrokken
Vanaf 1906 werden de gebouwen van het
Klooster van Hunnegem (8)
in de loop van de 20e eeuw sterk uitgebreid.
Bij het Sint-Catharinacollege, voormalig
Miniemenklooster (5)
, werd na de Tweede Wereldoorlog een kloostervleugel voor de zusters gebouwd.
In de jaren 1950 vonden er nog ingrijpende wijzigingen aan de gebouwen van het Sint-Catharinacollege plaats. Omstreeks 1960 werd ook nog een nieuw schoolgebouw opgetrokken.
Toen de stad Geraardsbergen in 1986 collectorwerken liet uitvoeren werden de funderingen van dit
Begijnhof (6)
(tijdelijk) blootgelegd en archeologisch onderzocht.
In de jaren 1990 werd de kerk bij het Sint-Catharinacollege, voormalig
Miniemenklooster (5)
, volledig gerenoveerd.
In 2008 werd de kunstacademie ondergebracht in het
Gasthuis (7)
.
Begin 2009 verlieten de laatste benedictinessen definitief het
Klooster van Hunnegem (8)
.
De abdijgebouwen van de
Sint-Adriaansabdij (2)
werden omgeven door het Abdijpark, dat tussen 2019 en 2021 heringericht werd.
Het Jozefietencollege, voormalig
Karmelietenklooster (1)
, bestaat nog en is gelegen langs de Karmelietenstraat.
Enkel de poort, de abdijvleugel met prelaatskwartier, een zuidelijke stalvleugel en de restanten van een ijskelder zijn van de
Sint-Adriaansabdij (2)
overgebleven.
In het
Stadhuis (3)
gaan de burgerlijke trouwplechtigheden door in de oude schepenzaal op de eerste verdieping. De gemeenteraadszittingen vinden plaats in de Raadzaal op de tweede verdieping. De voormalige lakenhalle maakt thans deel uit van het toeristisch infokantoor. Hier is ook een museum met kant gevestigd.
De
Sint-Bartolomeuskerk (4)
is nog altijd een belangrijke parochiekerk in Geraardsbergen.
In het interieur van het Sint-Catharinacollege verwijst enkel nog een bewaard zandstenen korfboogdeurtje in de noordelijke pandgang aan de arduinen bordestrap naar de bovenverdieping, naar het 17e-eeuwse
Miniemenklooster (5)
.
Op de plaats waar zich vroeger het
Begijnhof (6)
bevond, bevindt zich nu de Rijksmiddelbare school, langs de
Begijnhofkaai en Wegvoeringstraat. Het betreft een groot gebouw in een neoclassicistische stijl.
Langs de Gasthuisstraat zijn twee armen van een kloostergang van het
Gasthuis (7)
uit 1636 bewaard gebleven, samen met een bisschopzaal (1644-1647).
Het kloostercomplex en het romaanse kerkje van het
Klooster van Hunnegem (8)
zijn nog steeds belangrijke bezienswaardigheden in Geraardsbergen. Het kloostercomplex en de kerk zijn gelegen langs de Gasthuisstaat. Thans is “Hunnegem” de naam van een wijk van Geraardsbergen.
De kasseiweg die de
Oudenberg (9)
oploopt, de zogenaamde “Muur van Geraardsbergen”, is een publiekstrekker die nog steeds graag wordt opgenomen in het parcours van wielerwedstrijden.
(Bronvermelding: deze tekst werd opgemaakt in 2025 en is gebaseerd op info van Wikipedia en Onroerenderfgoed.be)