De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
GENT - PANORAMA - DEEL 5
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Refugehuis Abdij van Baudeloo
Sinds 1259 bevond zich in de Waterwijk aan de Ottogracht te Gent een refugehuis voor de cisterciënzers van de abdij van Baudeloo bij Sinaai.
Het refugehuis lag samen met het aanpalende Huis van Overmaele en Hof van Herzele op een pseudo-eiland gevormd door de Leie, Baudeloovest en Ottogracht, en werd in de loop van de 15e en de 16e eeuw herhaaldelijk verbouwd en uitgebreid.
Na de totale vernieling in 1578 van hun abdij te Sinaai en na hun terugkeer uit Keulen (ballingschap) in 1584 besloten de cisterciënzers hun intrek te nemen in hun refugehuis te Gent.
In 1602 verkregen ze de toestemming om het klooster uit te breiden en een kerk te bouwen ter vervanging van de oude kapel van hun refugehuis.
Vanaf het einde van de 16e eeuw werd het oude refugehuis vervangen door nieuwe kloostergebouwen. De kapel werd vermoedelijk gebouwd tussen 1602 en 1606 op de plaats van de oude patriciërswoning, het zogenaamde "Huis van Overmaele". De klokkentoren werd pas in 1660 gebouwd.
Het merendeel van de kloostergebouwen werd opgetrokken in de eerste helft van de 17e eeuw. Het klooster beschikte tijdens de 18e eeuw over rijke inkomsten.
Het aanpalende Klooster der Engelse Jezuïeten werd in 1773 afgeschaft en samen met de uitgestrekte hovingen aangekocht door het Refugehuis van de Abdij van Baudeloo.
In 1777 werd een nieuwe abtswoning gebouwd op de Steendam. Een vleugel langs de Baudeloostraat werd verlengd in de tweede helft van de 18e eeuw.
De kloostergemeenschap werd in 1796 afgeschaft door de Franse Republikeinen.
Het kloostercomplex werd in 1797 omgevormd tot een centrale school en de kapel tot een « Tempel der Rede ».
In de huidige Baudeloohof werd in 1797 een botanische tuin aangelegd.
Vanaf 1800 werden de bibliotheken van alle kloosters van de stad ondergebracht in de kapel. Tussen 1819 tot circa 1935 werden deze geïntegreerd in een universiteitsbibliotheek. Ten behoeve van de bibliotheek werden ten zuiden van de kapel op het voormalig Hof van Herzele nieuwe gebouwen opgetrokken.
Vanaf 1832 werd het oude klooster ingenomen door het Koninklijk Atheneum.
Op het einde van de 19e, begin 20e eeuw werden enkele vleugels gesloopt terwijl andere verbreed en verhoogd werden.
De zogenaamde « Stadsbibliotheek » is nog steeds ondergebracht in de 19e-eeuwse vleugels ten zuiden van de kloosterkerk.
De oorspronkelijke kloostergebouwen ten noorden van de kapel waren gerangschikt rondom vier onregelmatige rechthoekige binnenplaatsen; de huidige plattegrond vertoont een half open voorhof en een rechthoekige, nog oorspronkelijke binnentuin langs de Ottogracht, en een grote langgerekte speelplaats langs de Baudeloohof, ontstaan door sloping van de dwarsvleugel.
Er gebeurden restauratiewerken tegen het einde van de 20e eeuw.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
Klooster Engelse Jezuieten
Minstens sinds 1624 waren de Engelse jezuïeten aanwezig in Gent.
De Engelse jezuïeten, gevestigd aan de Steendam, ondersteunden immers in dat jaar de zustergemeenschap van het Engelse Nonnenklooster (in de huidige Sint-Pietersnieuwstraat) krachtig. Zij leverden de latere geestelijke directeurs en de biechtvaders. Met behulp van leden van deze orde slaagden de Engelse nonnen er in voldoende nieuwe kandidaatzusters aan te trekken uit Engeland.
De jezuïetenorde werd in 1773 door paus Clemens XIV afgeschaft.
Het klooster werd samen met de uitgestrekte hovingen aangekocht door het refugehuis van de Abdij van Baudeloo. In 1777 werd een nieuw classicistisch herenhuis gebouwd op de Steendam voor de prelaat van de Abdij van Baudeloo, op de gronden van het gesloopte klooster.
Van het begin van de 19e eeuw tot in 1845 was dit herenhuis het Bisschoppelijk Paleis en thans het Sint-Lievenscollege.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Sint-Jacobskerk
Links op de voorgrond op deze prent is de Sint-Jacobskerk te zien. De kerk is gewijd aan de apostel Jacobus de Meerdere.
Op deze plaats werd in 1093 een eerste houten kerk gebouwd, toegewijd aan de heilige Jacobus. Het gebouw werd verwoest door troepen van Robert Curthose. Ze werd vervangen door een gebouw uit hout en steen.
Een nieuwe romaanse kerk werd gebouwd waarvan de kern stamt uit de periode na 1120. Het is de oudste romaanse kerk in België met een dubbele westertoren. Uit de romaanse periode resten verder nog de pijlers van het transept. De achtkantige vieringtoren en de verbouwing van het koor vonden plaats rond het midden van de 13e eeuw, in de stijl van de Scheldegotiek. Een brand rond 1400 legde de zuidelijke van de twee westtorens in de as. Hoewel deze werd herbouwd met een spits in steen, is het aangezicht sindsdien niet meer symmetrisch. In de 15e eeuw breidde men de kerk uit met zijkapellen voor de gilden. Op het einde van de 15e eeuw kreeg de verbouwde toren een gotische spits.
Het interieur had erg te lijden van de bekende godsdiensttroebelen in de 16e eeuw. De herstelling werd uitgevoerd in een barokke stijl. De kerk werd tweemaal grondig verbouwd en gerestaureerd, tussen 1733 en 1784 en nogmaals tussen 1866 en 1906.
Op de afbeelding is ook de Vrijdagmarkt te zien. Het is één van de oudste pleinen in de stad. Het plein is ongeveer één hectare groot en speelde een grote rol in de geschiedenis van de stad. Het was het forum van de Gentenaars en ze hielden er steekspelen. Het plein was ook het toneel van terechtstellingen en afrekeningen.
De “wekelijkse” markt werd er sinds 1199 op vrijdagmorgen gehouden. Hier speelde zich het grootste deel van het openbare leven af, zowel op politiek als sociaal vlak. De Vrijdagmarkt was hét plein bij uitstek voor grote volksverzamelingen en feestelijkheden en vormde het decor voor officiële ontvangsten van vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders, waarvoor de markt moest plaats maken. In de middeleeuwen deden de graven van Vlaanderen hier hun talrijke blijde inkomsten en zwoeren daarbij de voorrechten van de stad te respecteren.
In 1599 richtte men centraal op de Vrijdagmarkt een standbeeld op voor keizer Karel V ter gelegenheid van de blijde inkomst van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Door verrotting verloor het in 1662 zijn hoofd en een nieuwe versie werd in 1717 geveld door een storm. Het standbeeld werd hersteld en in 1775 een derde keer vervangen, om in 1792 definitief te verdwijnen tijdens de Franse veldtocht in de Nederlanden.
In de 19e eeuw werd midden op de Vrijdagmarkt het standbeeld geplaatst van Jacob Van Artevelde (1290-1345).
(Bronvermelding: Wikipedia)
Sint-Janshospitaal
Circa 1191 stichtten de schepenen van de stad een krankzinnigengesticht in dit hospitaal dat men Sint-Janshospitaal of Godshuis van Sint-Jan-ten-Dullen noemde.
Reeds van bij de opstart hiervan was het gesticht vergezeld van een kapel, de Kapel « Sint-Jan-in-d'olie ».
De kapel werd verbouwd en vergroot in 1467 en 1550.
De oorspronkelijke kapel werd afgebroken in 1742.
De huidige kapel in rococostijl werd gebouwd in 1743-1745.
Broeders en zusters verzorgden in het hospitaal geesteszieken en behoeftigen tot het einde van de 18e eeuw.
Het oorspronkelijke complex in beluikvorm rondom een vierhoekige en een trapeziumvormige binnenplaats werd in de 19e eeuw verbouwd.
In de eerste jaren van de 19e eeuw was dit een verblijf voor oude vrouwen.
Van 1820 tot 1863 was er een tehuis voor vondelingen.
Van 1828 tot 1834 werden gebouwen ingericht als kosteloze gemeentelijke jongensschool.
In de kapel werd van 1833 tot 1840 een school voor meisjes ondergebracht.
Vanaf 1866 fungeerde de kapel als de protestantse « Saint-John's-Church ».
In 1902 werd de stadsgevangenis, zogenaamd "het rolleken" hier ingericht.
In de vroegere kamers van de kloosterlingen zetelde begin 20ste eeuw het bestuur van de burgerlijke godshuizen.
Sinds enkele jaren is de kapel privaat eigendom en gesloten voor de diensten.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Kartuizerklooster
Het klooster ‘Sint-Jan in Eremo’ werd gesticht in 1456 door de fraters van de Derde Orde van Sint-Franciscus belast met verzorging van zieken en krankzinnigen.
In de 15e eeuw hoorde de moerassige en dun bevolkte wijk Meerhem tot de Sint-Michielsparochie. De fraters van de Derde Orde van Sint-Franciscus vestigden zich hier vermoedelijk in 1457 in een hoeve met aanpalend weiland. Hun taak bestond in de zorg voor bejaarden en geesteszieken.
Vermoedelijk omstreeks 1480 werd gestart met de opbouw van een klooster en de zogenaamde Weverskapel toegewijd aan Sint-Jan in Eremo.
De calvinisten verdreven in 1578 de paters en de kloostergebouwen werden in 1583 ingenomen door de kartuizers van Rooigem, een contemplatieve orde. Hun klooster op Rooigem was door de calvinisten vernield in 1578. In oktober 1584 trokken de kartuizermonniken naar hun priorij en gaven het de naam Sint-Bruno in Eremo. De monniken moesten de gedeeltelijk verwoeste gebouwen weer optrekken en/of herstellen, en in het begin van de 17e eeuw werden rond het grote pand een aantal kluizen gebouwd.
De stad verleende omstreeks 1642 toestemming tot het herstel van de kaai, mits de kloosterkerk werd opengesteld voor de omwonenden. De kapel gebouwd door de fraters van de Derde Orde was te klein en er werd besloten om een grotere kerk te bouwen. Er werd omstreeks 1651 eerst een afzonderlijke priorswoning gebouwd in de voortuin. Later werd tussen dit huis en de refter een toren gebouwd. Hierna begon de bouw van de kerk. Reeds in 1660 was de bouw voltooid.
Ook het klooster zelf werd uitgebreid. Tussen het priorshuis en de kerk kwam een kerkhof met een galerij, aan oost- en westzijden omsloten door de refter en de kapittelzaal. Dit afgesloten gedeelte was het kleine pand. Rond het grote pand was een overdekte galerij, waaraan de kluizen van de monniken lagen.
Het klooster werd vanaf 1668 verder uitgebouwd. Tijdens de negenjarige oorlog tussen Frankrijk en de coalitie gevormd door Engeland, Spanje en het Duitse Rijk diende een gedeelte van het klooster als kruitmagazijn voor de Engelse artillerie.
Pas in 1696 werd het klooster door de Engelsen ontruimd.
Keizer Jozef II hief in 1783 de kartuizerkloosters op en hun goederen werden openbaar verkocht. Vanaf februari 1785 gebruikten de Oostenrijkse troepen het kartuizerklooster als doorgangshuis voor doortrekkende soldaten. Waarschijnlijk stond de kazerne reeds in 1787 leeg. Enkele monniken waagden het in 1790 naar hun klooster terug te keren, en begonnen zelfs aan het herstel van het klooster. In hetzelfde jaar werd het beslag op hun goederen gelicht en konden alle monniken naar het klooster terugkeren. Doch in 1792 kwam definitief een einde aan het kartuizerleven hier omdat de monniken niet meer aan hun financiële verplichtingen konden voldoen. Tussen 1792 en 1795 werd het klooster een militair hospitaal voor het Franse en het Oostenrijkse leger.
Na 1795 werd het hospitaal opgeheven en als nationaal goed verbeurd verklaard. De beheerder van het klooster liet een aantal bijgebouwen afbreken en verkocht het materiaal. In 1797 werden de gebouwen verkocht. Er werden in 1798 een slagerij en paardenstallen ingericht in de gebouwen. Daarna deed het enige tijd dienst als danszaal.
Het klooster werd het centrum van de opkomende textielnijverheid door toedoen van Lieven Bauwens die waarschijnlijk in 1799 het complex aankocht. Aanvankelijk werden in de gebouwen een leerlooierij ingericht en in 1800 schakelde Lieven Bauwens over naar een mechanische spinnerij en weverij, dankzij het oversmokkelen van de spinning mule, een spinmachine van Samuel Crompton die Lieven Bauwens de mule jenny noemde. Bauwens was de eerste op het vasteland die de vliegende schietspoel gebruikte. Hij verbouwde de kloosterkerk tot een fabrieksgebouw door er drie verdiepingen in onder te brengen en de ramen aan te passen. Bauwens wijzigde de voormalige priorswoning tot een luxueuze woning met lusttuin voorzien van een chinees paviljoen op rotsen (1803). De fabriek werd voortdurend vernieuwd.
In één van de oude kloostergebouwen werd een magazijn ondergebracht voor de opslag van de afgewerkte producten.
Achter de kerk stond een gebouw dat hij als kaardenmakerij inrichtte. Naast de paardenstallen maakte hij van een soort schuur een stapelplaats voor de grond- en brandstoffen. In begin 1814 plaatste hij achter de kerk een stoommachine in een stoomhuisje. Bauwens ging volledig overkop toen hij na de val van Napoleon in 1814 gedwongen werd zijn staatslening aan de Franse staat terug te betalen. Bauwens vluchtte en zijn eigendommen werden aangeslagen en verkocht.
In 1823 werd dan de congregatie van de broeders van Sint-Jan de Deo opgericht. De regel vormt nagenoeg een kopie van de regel van de broeders van Liefde, maar met toevoeging van de gelofte van thuisverzorging. De broeders vonden eerst onderdak in een deel van het karmelietenklooster op de hoek van de Theresianenstraat en de Holstraat. In 1836 raakte hun woning te klein en in 1844 kochten deze broeders de voormalige fabriek van Lieven Bauwens.
De gebouwen moesten aangepast worden en in 1853 werden de paardenstallen en het koetshuis aan de straatkant afgebroken om plaats te ruimen voor onder meer een portiersloge en spreekkamers. Vanaf 1852 was er ook een afdeling voor psychiatrische patiënten. In een gesloten afdeling werd ook ruimte gemaakt voor een noviciaat.
De vroegere kloosterkerk werd grotendeels ontmanteld en gerestaureerd. In 1869 was de restauratie zo ver gevorderd dat de kerk kon gewijd worden.
Er kwam een nieuw gebouw voor de kloostergemeenschap palend aan de kerk namelijk een keuken, een refter, een recreatiezaal, slaapkamers en een washuis. Deze vleugel werd rond 1872 nog met een verdieping verhoogd. Ook in 1896 werden bijkomende kamers opgetrokken en langzamerhand werd het fabriekscomplex terug een echt klooster en rusthuis.
De congregatie zette zich in voor armen en rijken, voor lichamelijk en geestelijk zieken zowel binnen als buiten het klooster. Het aantal broeders daalde echter en er werd een fusie voorgesteld met de hiëronymieten. Dit gebeurde in 1946 en dit betekende het einde van de congregatie van Sint-Jan de Deo. Het complex werd uitgebouwd tot een psychiatrische kliniek. Tussen 1961 en 1981 werden opnieuw uitbreidingen van het complex gerealiseerd (wasserij, recreatiezaal en revalidatiecentrum).
Thans zijn enkele gebouwen van het voormalige Kartuizerklooster bewaard gebleven: de voormalige priorswoning van de prior, de verbindingsvleugel met de kerk en de kloosterkerk zelf. Deze oude kern waarvan de volumes gerespecteerd bleven is slechts sporadisch zichtbaar, de oude gevels zijn voorzien van een vernieuwd parement en het interieur werd gedeeltelijk gemoderniseerd.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)
Sint-Jacobsgodshuis
Het Sint-Jacobsgodshuis werd zeker reeds vóór 1257 gesticht door de broederschap van Sint-Jacob op Nieuwland. Deze broederschap was één van de drie aan Jacobus de Meerdere gewijde broederschappen in Gent.
De broederschap op Nieuwland was de oudste van de drie. Zij bestond uit zes parochiale afdelingen die samen om de drie jaar vijf « dekens » aanduidden die een overkoepelend bestuur vormden voor de zes parochiale afdelingen en tegelijk instonden voor het beheer van het godshuis.
Dit godshuis was voorzien van een kapel.
Na de Gentse Opstand in 1539-1540 werd de instelling door keizer Karel onder rechtstreeks beheer van de centrale overheid geplaatst (in de figuur van de baljuw en twee voorschepenen van Gent) en bleef er van de broederschap die voordien het bestuur voerde, geen spoor meer over.
Zoals zovele middeleeuwse liefdadigheidsinstellingen was ook het Sint-Jacobsgodshuis multifunctioneel. De belangrijkste activiteit bestond in het geven van onderdak aan een twintigtal proveniers, een aantal dat vanaf het begin van de 16e eeuw begon te stijgen.
Een provenier was iemand die in een stichting of proveniershuis woonde, in dit geval dus het godshuis, en daar levenslang onderhoud genoot, in ruil voor een eenmalige betaling of periodieke giften (preuves). Deze giften konden bestaan uit geld, goederen of andere vormen van onderhoud. Proveniershuizen waren vaak gesticht door rijke burgers die zo hun oude dag wilden verzekeren.
Een tweede activiteit van de instelling bestond in het geven van steun en onderdak aan armen en wellicht ook aan occasionele pelgrims.
Zoals in elke middeleeuwse liefdadigheidsinstelling, speelde de kapel ook in het Sint-Jacobshuis een centrale rol. Reeds in 1283 verleende de bisschop van Doornik toestemming aan de bestuurders van het godshuis om in de pas gebouwde kapel misdiensten te organiseren.
Het gebouwencomplex bevond zich in het noorden van de stad, in de Muidewijk, op de plaats van de huidige Jacob Van Caeneghemstraat en omvatte de traditionele gebouwen van een doorsnee-godshuis.
In het midden lag een plein met aan de oostzijde de kapel, in het zuiden het gastenverblijf en in het westen een poort.
Naar het zuiden toe liep er ook een straatje waarlangs de provenierswoningen stonden. Aan het uiteinde van dit straatje was er ook een poort.
Het hele complex verdween kort na 1864, nadat het door het Bestuur der Burgerlijk Godshuizen openbaar verkocht was.
In 1864 werd de Jacob Van Caeneghemstraat aangelegd.
Het Sint-Jacobsgodshuis werd gesloopt en vervangen door een reeks woonhuizen.
De straat Godshuishammeke is een smalle en oude straat die loopt van de Sleepstraat tot aan Nieuwland. De straat is vernoemd naar het Sint-Jacobsgodshuis. Het oorspronkelijke straattracé ging bijna totaal verloren, onder meer door de sloop van een straatbeluik zodat daar een uitgestrekt braakliggend terrein ontstond.
(Bronvermelding : deze tekst is gebaseerd op info van « Enkele vijftiende eeuwse inventarissen uit het Sint-Jacobsgodshuis te Gent, Stijn Meersseman, Bulletin de la Commission Royale d'Histoire, 1992, 158, pp. 51-74 ; Onroerenderfgoed.be)
Sint-Salvatorkerk
Hier is de Sint-Salvatorkerk te zien zoals ze er omstreeks 1640 uitzag.
Deze kerk is ook bekend als de Parochiekerk van de Heilige Kerst.
Oorspronkelijk bevond de Sint-Salvatorkerk zich in het Sint-Baafsdorp in Gent.
De kerk werd gesloopt in 1540 bij de aanleg van de citadel. De relieken en de parochiediensten werden in 1540 overgebracht naar de kapel van het Sint-Jacobsgodshuis, dat gelegen was op de plaats van de huidige Jakob Van Caeneghemstraat.
Reeds in 1541 werden de relieken en de parochiediensten opnieuw verplaatst, deze keer naar de zogenaamde "Kapel van de Nood Gods", gelegen op de plaats waar zich de huidige kerk bevindt, langs de huidige Sleepstraat.
Deze kapel werd omgevormd tot een parochiekerk en kreeg opnieuw de naam Parochiekerk van de Heilige Kerst of Sint-Salvatorkerk.
In 1550 werd de oude kapel gesloopt en een nieuwe kerk gebouwd, in een laatgotische stijl, onder meer met subsidies van Keizer Karel.
In 1722 werd een sacristie bijgebouwd.
Een zuil en een basis van de oude kapel bleven tot 1810 aan de westzijde van de kerk bewaard.
In 1810-1812 werd een nieuwe voorgevel in neoclassicistische stijl gebouwd voor de laatgotische kerk, die naar men vermoed onafgewerkt gebleven was.
Het interieur werd eveneens in het begin van de 19e eeuw aangepast in een neoclassicistische stijl, doch circa 1855 in vrij oorspronkelijke staat hersteld.
Gelegen aan het kruispunt van de drukke Sleepstraat en de Doornzelestraat, is de kerk haast volledig ingesloten door huizen. Enkel de westgevel, uitziend op een rechthoekig pleintje, en een deel van de noordzijde, vrijgekomen door de sloop van verschillende huisjes in de Doornzelestraat, is heden zichtbaar.
De plattegrond ontvouwt een basilicale kerk met driebeukig schip van zes traveeën, onderbroken na de tweede travee door een uitspringend transept van één travee met rechte sluiting en een twee traveeën diep koor met driezijdige sluiting.
De Sint-Salvatorkerk fungeert thans als Oekraïense Grieks-Katholieke Kerk, de parochiekerk van Oekraïners in Gent. Het is meer dan ooit een belangrijke ontmoetingsplek voor de Gents-Oekraïense gemeenschap.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Klooster van Doornzele
De Abdij van Doornzele was een abdij in de tot de Oost-Vlaamse gemeente Evergem behorende plaats Doornzele.
Deze abdij werd in 1234 gesticht en behoorde toe aan de cisterciënzerinnen. De zusters hielden zich bezig met de landbouw en de ontginning van de streek. In 1578 werd het klooster geplunderd door de beeldenstormers.
In 1586 trokken een aantal zusters naar Gent en stichtten daar een nieuw klooster, gelegen aan de huidige Doornzelestraat 15.
Dit klooster werd op het grondgebied van de stad Gent opnieuw « Klooster van Doornzele », soms zelfs ook "Abdij van Doornzele" genoemd.
De kloosterzusters bouwden er een klooster en kapel. Het werd afgeschaft in 1797 en heringericht door enkele religieuzen in 1823 onder de naam van "Dames de l'instruction Chrétienne". Sindsdien werden de gebouwen bezet door verschillende schoolinrichtingen.
De abdij te Doornzele zelf werd door het Franse bewind opgeheven in 1796. In Doornzele werd op het voormalige abdijterrein een park aangelegd.
Het Klooster van Doornzele bevond zich in Gent langs de huidige Doornzelestraat, de vroegere Paepe- of Priesterstraat.
De Paepestraat was een brede, rechte verbinding tussen de huidige Sint-Salvatorstraat en het Stapelplein.
De rechter straatzijde, tegen de noordzijde van de Sint-Salvatorkerk (Heilige Kerstkerk; thans Oekraïense Grieks-Katholieke Kerk) geplakt, werd gebouwd op de plaats van een vroeger kerkhof.
De overzijde was voorheen grotendeels ingenomen door het voormalige Klooster van Doornzele, waarnaar de straat nu genoemd wordt.
Heden blijft slechts een blinde straatvleugel met kloosterpand gedeeltelijk bewaard. Er werden in de laatste decennia vensters en een poort in de blinde gevel aangebracht.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)