De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
GENT - PANORAMA - DEEL 2
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Sint-Pietersabdij en Onze-Lieve-Vrouwekerk
De Sint-Pietersabdij is een voormalige benedictijnenabdij. Ze ligt op de 28 m hoge Blandijnberg, langs de oude loop van de Schelde, ook Muinkschelde (Monnikenschelde) genoemd.
De abdij werd door Amandus van Gent of een van zijn volgelingen in de 7e eeuw gebouwd op een terrein dat ooit zou toebehoord hebben aan een Gallo-Romein, genaamd Blandinus. De eerste abt werd door Amandus vanuit de abdij van Elnone naar Gent geroepen. De abdij was door haar rijkdom een aantrekkingspool voor belegeraars en ze werden beide door Karel de Grote betrokken in zijn verdedigingsgordel tegen de Vikingen. Deze invallers uit het noorden plunderden de abdij in de winter van 879-880.
In 941 werd de abdij hervormd waarbij de strenge regel van Benedictus werd ingevoerd.
In 1566 kreeg de abdij zwaar te lijden van de Beeldenstorm. Haar huidig uitzicht heeft de abdij na restauraties in de 17e en 18e eeuw.
In 1796 werden de laatste monniken verdreven. De gebouwen werden ingericht als kazerne. Later, tot 1948 deden ze dienst als gevangenis. Nu dienen ze als tentoonstellingsruimtes. De gebouwen van de voormalige abdij worden momenteel gebruikt door de Kunsthal Sint-Pietersabdij en De Wereld van Kina en zijn in beheer van Historische Huizen Gent.
De oorspronkelijke Sint-Pietersabdijkerk in romaanse stijl werd in de 12e-13e eeuw gebouwd. Tussen 1629 en 1651 ontstond een barokke kerk.
In de onmiddellijke buurt van de abdij stond de Onze-Lieve-Vrouwekerk die de parochie bediende. Toen Gent te maken kreeg met de Franse Revolutie en confiscatie werd de parochiekerk toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw in 1799 afgebroken.
De Sint-Pietersabdijkerk ontsnapte aan verwoesting. Het Concordaat van 1801 gaf een deel van de abdijkerk terug aan de katholieke eredienst en daarna kon de abdijkerk ook als parochiekerk functioneren onder de dubbele naam Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk.
(Bronvermelding : Wikipedia)
Sint-Kwintenskapel
Omstreeks 1300 werd een kapel langs de huidige Sint-Kwintensberg gebouwd in opdracht van een abt van de Sint-Pietersabdij.
De kapel was toegewijd aan Sint-Kwinten. Deze Sint-Kwintenskapel werd in 1580 samen met andere goederen van de nabijgelegen Sint-Pietersabdij in beslag genomen. Van 1641 tot 1648 was de Sint-Kwintenskapel hoogstwaarschijnlijk bediend door ongeschoeide karmelieten. Na 1760 werd de kapel verlaten.
In 1857 werd een nieuwe kapel gebouwd. Deze huidige eenbeukige kapel werd tot 1917 gebruikt door de jongensschool van de Broeders der Christelijke Scholen die kort na 1857 naast de kapel werd opgetrokken.
In 2017 werd er een initiatief opgestart om de kapel om te vormen tot een toneeldecor. Eerder huisde er al gedurende 28 jaar de dansstudio « D' Oude Kapel».
(Bronvermelding: Wikipedia)
Penitentenklooster
Op de hoek van de huidige Nederkouter en Bagattenstraat lag het voormalige "Penitentenklooster", van het einde van de 16e eeuw tot aan de openbare verkoping in 1787.
Vermoedelijk bevatten de opslagplaats, garages en scheidingsmuur van het burgerhuis, gelegen langs de Nederkouter 103, nog resten van het voormalige klooster.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Sint-Agneteklooster
De Gentse orde van Sint-Agnes, gesticht in 1434, vestigde zich op de zogenaamde "Ganzendries" in 1454.
Vanaf 1462 werd het klooster wederopgebouwd. De kerk werd ingewijd in 1482. Reeds in 1545 was er een school in onder gebracht.
De kloosterzusters werden verjaagd tijdens het calvinistisch bewind, maar keerden terug in 1585. De kapel werd wederopgebouwd in 1608. In 1624 was er een volledige heropbloei. Het complex omvatte verschillende hoven, binnenplaatsen en een boomgaard. De hoofdgebouwen waren voornamelijk opgetrokken aan de straatkant (huidige Lindenlei en Wijngaardstraat).
Naast de kerk bevonden zich rondom een vierkante binnenplaats een kloostergang met aanleunende gebouwen, onder meer een refter.
Na de afschaffing van de orde in 1783 werden de gebouwen onder meer ingericht als kantoor van de douane.
Op de plaats van de gesloopte kerk werd in 1785 een voedermagazijn gebouwd. Na het Franse bewind werd dit omgevormd tot een militaire bakkerij en rijschool (tot 1853).
Op de hoek met de Coupure werd een suikerraffinaderij met stoommachine opgericht.
In 1854 vond men er het "Werkhuis voor Liefdadigheid". De zogenaamde "Industriële of Nijverheidsschool" werd opgericht
in 1826.
In 1857-59 werd een nieuwe school gebouwd die werd uitgebreid in 1897. Er werd een gemeentelijke meisjesschool gebouwd in 1865-66 (de huidige straatvleugel) en toegevoegd aan de industriële school in 1912.
Thans is de Rijkshogere Technische en Handelschool er gevestigd.
Enkele oude huisjes in de Iepenstraat en de Wijngaardstraat maakten eertijds eveneens deel uit van het kloostercomplex, die als aparte huisjes werden verhuurd aan burgers.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Sint-Baafskathedraal
Recollettenklooster
Het Recollettenklooster of Minderbroedersklooster (nummer 24 op de prent) bevond zich van begin van de 13e eeuw tot in 1797 op het huidige Koophandelplein dat thans gedomineerd wordt door het neoclassicistisch Gerechtshof, dat in het eerste kwart van de 19e eeuw werd gebouwd.
Hier bouwden de Minderbroeders in 1225 op de plaats van het huidige Gerechtshof een kapel. In 1256 bouwden zij naast de kapel hun klooster dat in 1798 werd afgebroken. De recolletten zijn volgelingen van Franciscus van Assisi, die zijn volledige rijkdom aan de armen schonk om zelf in armoede verder te leven.
(Bronvermelding: Gentdekuip.com/recollettenbrug en kuipgat)
Schipperskapel
De Schipperskapel of Kapel van de Vrije Schippers was herkenbaar aan de windwijzer in de vorm van een zeilschip. Deze kapel stond waar zich nu de Schouwburgstraat bevindt).
(Bronvermelding: Gentdekuip.com/recollettenbrug)
Jezuietenklooster
In 1591 kwamen de eerste jezuïeten aan in Gent. Een eerste residentie werd ingericht op de hoek van de Voldersstraat en de Korte Meer op de gronden van het Hof van Hembyze. In 1592 kochten ze het naastliggende Sersandershof en richten daar hun eerste Gentse school op die geheel kosteloos onderwijs verstrekte.
In 1606 werd hier de eerste steen van hun jezuïetenkerk gelegd en de gebouwen waren voltooid in 1619. De kerk was toegewijd aan Sint-Lieven. In de omliggende straten werden huizen aangekocht om te voorzien in uitbreiding van de school en tussen 1623 en 1633 kwam er een nieuw patersverblijf en een eerste college dat in 1664 werd uitgebreid. In 1679 brandde de torenspits van de Sint-Lievenskerk af.
In 1773 werd de orde afgeschaft. In hetzelfde jaar werd het college in de Voldersstraat gesloten. Van dan af deed het gebouw dienst als Raad van Vlaanderen, tribunaal, bijzondere school der burgerlijke genie en gemeentelijke school. Het was een complex in renaissancistische en barokgetinte stijl, geschikt rondom een rechthoekige binnenplaats. De verbindingsvleugel met de kerk bevindt zich heden achter de huizen gelegen Voldersstraat 5 en 7. Tussen 1798 en 1801 werd de kerk afgebroken.
De Aula van de Rijksuniversiteit Gent langs de Voldersstraat werd opgetrokken op de gronden van de kerk van het voormalig Jezuïetencollege. De werken begonnen in 1819 en waren voltooid in 1826. Voor de bouw van dit complex inspireerde men zich op de klassieke oudheid.
(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)
Wolweverskapel
De Wolweverskapel, die in gotische stijl werd opgetrokken, dateert uit de 14e eeuw en stond ten dienste van de gilde van de wolwevers. Het gebouw was toegewijd aan de Heilige Leonardus. De exacte stichtingsdatum is niet gekend, maar de eerste vermelding van de Wolweverskapel duikt op in 1372.
De kapel hoorde bij een godshuis (een opvanghuis voor oude en zieke wevers) dat onder meer een dormitorium en een ziekenzaal omvatte. Hiervan zijn echter alleen de kapel en het rechthoekig gebouwtje achter de kapel (het calefactorium ofwel de keuken) bewaard gebleven.
Het gehele dak en de klokkentoren werden gerestaureerd in 1710. Dit werd bekostigd door de 'Broederschap van de Allerheiligsten en Zoeten Naam Jezus', die toestemming van de wolwevers hadden om de kapel te mogen gebruiken voor missen.
De teloorgang van de Wolweverskapel kwam er in 1796, toen de goederen van de wolwevers overgedragen werden aan de Commissie van Burgerlijke Godshuizen (het latere OCMW).
Vanaf de vroege 19e eeuw werd de Wolweverskapel gebruikt voor geheel andere toepassingen, zoals verkoopzaal, vleeshal (de plaats werd toen ook wel « Klein Vleeshuis » genoemd), theater en brasserie-cinema-concertzaal.
De Wolweverskapel werd in 1999 verkocht, waarna een winkel in de kapel werd ingericht.
Van het hele voormalige complex blijven nu alleen nog de kapel en de keuken over.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Sint-Barbaraklooster
In 1420 stichtte Joris Vranckx een augustinessenpriorij, het "Sint-Barbara- of Jeruzalemklooster", op het perceel gelegen tussen Savaanstraat en Ketelvest.
In de legende noemde Sanderus deze plaats het « S. Ioris Franc Clooster ».
Het complex had een kerk en een grote boomgaard en tuin. De voornaamste kloostergebouwen bevonden zich rondom een binnenplaats. De kloostertuin werd van de straat afgesloten door kleinere dienstgebouwtjes.
Het klooster werd opgeheven door Jozef II in 1783. Er was een korte herstelperiode van 1790 tot 1797. In 1814 werd een Klein Seminarie geopend.
Sedert 1833 werden de gebouwen ingericht als jezuïetencollege. De eerste bouwcampagne der jezuïeten betrof de zuidvleugel (straatzijde) in 1840
De jezuIeten bouwden in 1858 naast de eerste kerk een nieuwe kerk. De oude kerk werd gesloopt in 1862-1863. In de loop van de 19e en 20e eeuw waren er uitbreidingen en oprichtingen van nieuwe schoolgebouwen rondom een rechthoekige binnenkoer.
Heden is het Sint-Barbaracollege in de gebouwen gevestigd.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be)
Engelse Nonnenklooster
Waar nu in de St Pietersnieuwstraat het universitair technisch laboratorium is gevestigd, was vroeger de vlasspinnerij Feyerick. Maar vanaf 1628 was hier een groot klooster gevestigd.
Na de ontbinding vanaf 1534 van de kloosterorden in Engeland onder Hendrik VIII en Elisabeth I, vluchtten een aantal kloosterzusters naar het vasteland. In ons land was Brussel de eerste vestigingsplaats (1598) van de Engelse benedictinessen.
Dit werd in Gent in 1624 gevolgd door een eveneens Engelse stichting, genoemd ‘Abdij van de Onbevlekte Ontvangenis van de Moeder Gods’. Aldus kreeg Gent, naast de ‘autochtone’ benedictinessenabdij in het Rijke Gasthuis aan de Hoogstraat, er een ‘vreemd’ vrouwenklooster van dezelfde orde bij. Hierbij moet wel vermeld worden dat alle benedictinessenabdijen zelfstandig waren.
De Gentse stichting was het gevolg van een ernstig conflict over het al of niet aanvaarden van jezuïeten als biechtvaders en geestelijke leiders in het Brusselse klooster. Vier leden van de Brusselse kloostergemeenschap trokken er uit.
Aanvankelijk verbleven ze in een gehuurde woning in de Savaanstraat. Daar werd een kleine kapel ingericht waarin de
volgende dag reeds een eerste mis opgedragen werd. In 1624 werd de kapel ingewijd door Antonius Triest, bisschop van Gent. In april kwamen een paar postulanten (aspirant-kloosterzusters) uit Engeland hun intrek te nemen in het nog erg kleine kloostertje.
De Engelse jezuïeten, gevestigd aan de Steendam, ondersteunden de zustergemeenschap van het Engelse Nonnenklooster (in de huidige Sint-Pietersnieuwstraat) krachtig. Zij leverden de latere geestelijke directeurs en de biechtvaders. Met behulp van leden van deze orde slaagden de Engelse nonnen er in voldoende nieuwe kandidaatzusters aan te trekken uit Engeland.
Het klooster verwierf verschillende huizen met achtergelegen diepe tuinen op de helling van de Blandijnberg, rechtover de huidige Jozef Platteaustraat, later Engelse Nonnensteeg genoemd. Het klooster met kostschool werd daar vanaf 1628 gebouwd
Tussen 1650 en 1662 breidden de kloosterzusters het klooster sterk uit. In de daaropvolgende eeuw kende het klooster een veel minder bewogen bestaan. De abdijschool was ook toegankelijk voor gegoede meisjes uit onze streken. Toen keizer Jozef II aan het einde van de 18e eeuw de religieuze orden ophief, bleven de Engelse nonnen op Sint-Pieters buiten schot omwille van hun opvoedende rol.
In het vooruitzicht van een naderende inlijving van de Zuidelijke Nederlanden bij het revolutionaire Frankrijk, keerden de Gentse benedictinessen en de zusters van de andere vanuit Gent gestichte kloosters naar Engeland terug. Daar heerste inmiddels godsdienstvrijheid.
In Preston (Lancashire), waar de Gentse zusters in de Franse Tijd terecht kwamen, stichtten ze een nieuwe succesvolle school. In 1853 tenslotte, werd Oulton Abbey in Oulton, Staffordshire, ingericht. Daar huist nog steeds een benedictinessengemeenschap. In hun geschiedschrijving beschouwen ze zichzelf als een stichting vanuit Gent.
Het klooster verkocht in 1794 de eigendom aan de Sint-Pietersnieuwstraat. Het complex werd verdeeld in 13 woningen en aanvullende ruimte voor bedrijfswerkzaamheden. Onvermijdelijk in Gent was tenslotte de omvorming van het complex, of althans het grootste deel ervan, tot een spinnerij. De spinactiviteit werd voortgezet door de volgende eigenaar (Feyerick).
Deze verbouwde aan de Sint- Pietersnieuwstraatzijde het bestaande complex tot woningen in de typische strikt uniforme en sobere stijl van die tijd. De spinnerij was uitgegroeid tot een groot complex dat in de jaren 1930, toen de universiteit het verwierf, anderhalve hectare besloeg.
De fabriek moest in 1934-1938 plaats ruimen voor de universitaire Technische Laboratoria, samen met een stookcentrale.
Sinds 2009 wordt een gedeelte van het open voorterrein ingenomen door het nieuwe UFO (Universiteitsforum) gebouw, met het grootste auditorium van deze instelling.
(Bronvermelding : tekst gebaseerd op info van Gent.geprent.com/engelse-nonnenklooster)
Dominicanenklooster
In 1201 werd in Onderbergen een hospitaal met de naam "Uten Hove Hospitaal" opgezet. In 1228 moest het vanwege een gebrek aan capaciteit echter verplaatst worden en werd het gebouw geschonken aan de 12 jaar eerder gestichte orde van de paters dominicanen of ook wel predikheren genoemd.
Het voormalige hospitaalgebouw werd rond 1240 aan de zuidkant uitgebreid met een grote kerk.
Tussen de kerk en het voormalige hospitaalgebouw werd, op de oever van de Leie, een nieuwe vleugel gebouwd. Deze natuurstenen vleugel, nu bekend als de Leievleugel, kon gebouwd worden door financiële steun van de hertogin van Bourgondië, Margaretha van York, die tevens de inrichting van een kloosterbibliotheek financierde. De collectie van de bibliotheek werd echter volledig verwoest tijdens de Beeldenstorm in 1566.
In 1578 verdreven de calvinisten de dominicanen uit hun klooster en zij richtten het gebouw in als een calvinistische hogeschool. Ook werd het gebouw gebruikt als tempel. In 1584, na de inname van Gent door de hertog van Parma, kregen de dominicanen hun klooster terug.
Ten tijde van de Franse Revolutie werden de dominicanen echter opnieuw uit het klooster gezet en werd het gebouw openbaar verkocht. Een aantal voormalige kloosterlingen wist het echter aan te kopen en betrok het gebouw opnieuw.
Omdat de orden door het Franse revolutionaire bewind waren verboden bewoonden zij de gebouwen nu niet als kloosterlingen maar als gewone individuen.
De snel kleiner wordende orde en de hoge onderhoudskosten zorgden er echter voor dat de paar overgebleven dominicanen de gebouwen moesten verkopen. Het complex werd verkochten en ingericht als huurkazerne waardoor er onder meer een meubelwinkel en een wijnopslag werden gevestigd. Ook werden een groot aantal kamers verhuurd aan artiesten en studenten.
Het voormalige kloostercomplex begon echter in toenemende mate te vervallen. De kloosterkerk werd gesloopt. De gebouwen raakten steeds verder in verval en werden uiteindelijk onbewoonbaar verklaard.
In 1963 werd het complex verkocht aan de Gentse Universiteit, die het gebouw tussen 1971 en 1991 liet restaureren.
Sinds 1991 is er een congres- en cultuurcentrum van de universiteit, bekend onder de naam « Het Pand ». Het wordt gebruikt voor vieringen, recepties, doctoraatsverdedigingen en internationale congressen.
(Bronvermelding : Wikipedia)
Geeraard de Duivelsteen
Het zogenaamd "Geeraard de Duivelsteen" is een voormalig romaans gebouw (steen) uit de 13e eeuw, zogenaamd naar Ridder Gheeraert van Ghent, bijgenaamd de Duivel, die het steen bewoonde in de tweede helft van de 13e eeuw. Sinds de 14e eeuw is het gebouw eigendom van de stad.
Het werd in de loop der tijden voor talrijke doeleinden gebruikt: wapenarsenaal, school der Hiëronymieten, seminarie, krankzinnigengesticht, tucht- en weeshuis, en brandweerkazerne.
In de genummerde legende van deze prent van Sanderus wordt het gebouw onder nummer 50 als « Fraters of Knechtjes Weeshuis » (jongensweeshuis) aangeduid, een functie die het zal hebben vervuld omstreeks 1640.
Op het einde van de 19e eeuw werd het door het Rijk aangekocht, gerestaureerd tussen 1890 en 1902 en ingericht als Rijksarchief.
Voor dit doel werd ten noordwesten een nieuwe vleugel, in een gelijkaardige stijl bijgebouwd. Van het oorspronkelijke steen bleef in de 19e eeuw enkel de zeer vervallen oostelijke vleugel langs de Nederschelde met donjon bewaard.
Het gebouw, opgetrokken uit Doornikse kalksteen, vertoonde nog sporen van rechthoekige benedenvensters, gekoppelde doch sterk verbouwde spitsboogvormige bovenvensters en rechthoekige muuropeningen onder het zadeldak, bewaarde ronde hoektorentjes zonder spitsen en een verlaagde donjon met rechthoekige muuropeningen onder eenzelfde zijdelings afgesnuit dak.
In zijn huidige sterk gerestaureerde vorm heeft het gebouw de volgende plattegrond: een onregelmatig trapezium met ten zuiden een vierkante donjon.
(Bronvermelding : Onroerenderfgoed.be)