De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




GENAPPE -  BURCHT VAN GENAPPE


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659)




Op deze prent van omstreeks 1659 is de Burcht van Genappe te zien.

Genappe (in het Nederlands: Genepiën) is een stad in de huidige provincie Waals-Brabant.

De hertogen van Brabant hadden in de Middeleeuwen in hun veroverde gebieden verschillende burchten.

Leuven was de oorspronkelijke hoofdstad van het hertogdom Brabant. De Burcht van de Keizersberg in Leuven fungeerde als residentie en machtscentrum.

Vanaf de 13e eeuw won Brussel aan belang als residentiestad. De hertogen lieten het Coudenbergpaleis uitbouwen tot een luxueus hof, de Hertogelijke Burcht van Brussel.

De Burcht van Tervuren was meer een jachtverblijf en zomerresidentie van de hertogen. Vooral onder hertog Jan I was deze locatie populair.

De Burcht van Vilvoorde was een strategische versterking aan de Zenne en maakte deel uit van de Brabantse verdedigingslinie.

Ook de Burcht van Genappe was één van de belangrijkste kastelen van de hertogen van Brabant.

De benaming "Castrum Genapiense" op de prent van Sanderus verwijst naar de Burcht van Genappe.

Over deze burcht is weinig bekend. Ondanks het feit dat deze burcht meer dan 4 eeuwen heeft bestaan, heeft ze nauwelijks de aandacht getrokken van historici en archeologen.

We weten wel dat deze burcht waarschijnlijk werd gebouwd rond het jaar 1200 in opdracht van de toenmalige hertog van Brabant.

Ze was een van de residenties van enkele hertogen van Brabant, diende ook als een administratief centrum en maakte deel uit van een netwerk van verdedigingswerken in het hertogdom.

De burcht was voorzien van een hal, een woongedeelte, slaapkamers en een kapel. In de openlucht waren er een wijngaard, een kegelbaan en een omwalling, die tevens dienst deed als visvijver, aanwezig.

In 1200 was de hertog van Brabant Hendrik I, de zoon van Godfried III, de eerste hertog van Brabant en Neder-Lotharingen.

Daaropvolgende hertogen van Brabant waren Hendrik II, Hendrik III, Hendrik IV en Jan I.

Tussen 1294 en 1312 was de hertog van Brabant Jan II.

Jan II was niet direct verbonden met specifieke kastelen die als zijn residentie dienden. Hij was wel een belangrijke figuur in de Brabantse geschiedenis en speelde ook een rol bij de ontwikkeling van het kasteel van Tervuren, dat later ook een belangrijk verblijf van de hertogen van Brabant werd.

Als hertog van Brabant was Jan II een belangrijke figuur die invloed uitoefende op de regio en de ontwikkeling van kastelen en burchten in zijn tijd.

Daarnaast wordt de naam van hertog Jan II verbonden met de burcht van Genappe, waar vervolgde Joden een toevlucht zochten tijdens de Armenkruistocht.

Jan II (1275-1312), bijgenaamd de Vreedzame, was hertog van Brabant en Limburg, van 1294 tot aan zijn dood. Hij is bijgezet in de Kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele te Brussel. Hij was een zoon van Jan I en Margaretha van Dampierre.

Op buitenlands vlak voerde hij in de rivaliteit tussen Frankrijk en Engeland een neutraliteitspolitiek zodat hij zowel de wolinvoer uit Engeland als de lakenuitvoer naar Frankrijk veiligstelde.

Op het binnenlandse vlak had hij af te rekenen met sociale onrust in de steden, waarbij hij het patriciaat steunde. In 1306 versloeg hij de opstandige Brusselse ambachtslieden.

In de middeleeuwen vonden oproepen tot kruistochten veel gehoor. Ook de Brabantse hertogen namen deel aan expedities om het christelijk geloof te verdedigen. Maar in 1309 streed hertog Jan II juist tegen een leger van kruisvaarders.

Na het succes van eerdere kruistochten werden de staatjes die Europese kruisvaarders in het nabije oosten hadden gesticht aan het einde van de 13e eeuw wederom door de Saracenen bedreigd.

Als gevolg werd in Europa de roep om een nieuwe kruistocht steeds sterker. Rijke edelen met grote legers en gevierde ridders die als huurling door Europa zwierven waren de voornaamste doelgroep van deze preken. Aangetrokken door de kans op rijkdom en vergeving voor hun zonden, waren het echter vooral de armen, die gehoor gaven aan de oproep en naar de pauselijke hoofdstad Avignon trokken. Omdat zij de overtocht naar het Heilig Land zelf niet konden betalen, hoopten zij zich met pauselijke zegen in te schepen bij de Hospitaalriddders, die zich aan het pauselijk hof opmaakten voor de kruistocht.

Op hun tocht naar Avignon werden vele Joden het slachtoffer van hun agressieve ‘verdediging van het Christendom’. In de beleving van de kruisvaarders, was het belangrijk zowel binnen als buiten Europa het Christendom te beschermen tegen haar ‘vijanden’. Zo werden in het Gelderse Born bij Maastricht 110 Joden vermoord die zich tevergeefs in het kasteel verschanst hadden.

De Joodse gemeenschappen in de Brabantse steden Leuven en Tienen wachtten dit leger niet af en vluchtten naar het kasteel van Genappe. Ook hier konden zij echter niet rusten, want het kruisvaardersleger belegerde de burcht en verzocht om uitlevering van de Joden.

Het was hertog Jan II zelf die de burcht wist te ontzetten. Hij bracht een leger in slagorde en streed zelf in de eerste gelederen; terstond geraakte de menigte in paniek en nam de vlucht; de hertog doodde er velen en dreef de rest uit zijn gebied. Eenmaal aangekomen bij het pauselijk hof in Avignon werd de bende door de paus naar huis gestuurd met de boodschap dat hun hulp niet langer nodig was.

Op het einde van zijn leven moest Jan II, door de toenemende macht van de steden en de deplorabele toestand van de financiën, in het Charter van Kortenberg (27 september 1312) grote concessies doen aan de standen.

Na Jan II behoorde de burcht toe aan de hertogen van Bourgondië, vervolgens aan de koningen van Spanje en aan de keizer zelf. 

De burcht had vooral een residentiëel karakter. Het complex was niet voorzien van schietgaten, valhekken of zwaar geschut. De burcht was gelegen aan de rand van het Zoniënwoud en werd tevens gebruikt als jachthuis van de hertogen. 

De burcht had wel een omwalling en ophaalbruggen.

In de burcht was er tevens een staatsgevangenis van het hertigdom Brabant ingericht tot in 1375, toen de gevangenis van Vilvoorde werd gebouwd.

Later diende het als een "bijzondere gevangenis" voor belangrijke figuren of voor degenen die ondergeschikt waren aan de Grootbaljuw van het Romeinse Land.

De hertogen van Bourgondië boden aan de toekomstige Lodewijk XI om tijdens zijn ballingschap van 1456 tot 1461 in het kasteel van Genappe te verblijven.

Later verbleven ook Maria en Maximiliaan van Hongarije in deze burcht.

In de burcht was er ook een gerechtszaal ingericht. Er werden minstens twee soorten vergaderingen gehouden: die van de Grootbaljuw van het Romeinse Land Brabant en zijn assessoren, bevoegd in zaken van hoge rechtspraak (strafrecht), en die van het feodale hooggerechtshof van Brabant, bestaande uit leenmannen, bevoegd in heerlijke zaken.

De burcht werd uiteindelijk door Franse troepen, Franse troepen, onder bevel van de graaf van Monterrey, verwoest in 1671.

Er zijn weinig zichtbare sporen van de Burcht ter plaatse in Genappe achtergelaten.

De locatie van de verdwenen burcht zou zich situeren aan de kant van het huidige stationsplein (Place de la Gare), aan de vroegere spoorlijn en de omliggende wijk.

Het hoofdstation van Genappe zou gebouwd zijn op de resten van de fundering, terwijl de wachtkamers werden gebouwd op de plaats van de voormalige omwalling (visvijvers). Deze zouden reeds licht zijn verzakt, waardoor er reeds een scheur bij de toegangsdeur ontstond.

Het gebied dat door het kasteel werd ingenomen, strekte zich uit tot onder de oostelijke gevel van Hôtel Leblanc (nu verwoest door brand, het bevond zich aan de Place de la Gare, bijna tegenover het warenhuis).

Omdat een groot gedeelte van het gebouw boven de gedempte grachten was gebouwd was ook dit gebouw reeds verzakt.

De rue du Château du Lothier liep langs de noordzijde van het kasteel, ervan gescheiden door een watergracht. De scherpe bocht van deze laan naar het zuiden kruiste het eilandje waar de halvemaanvormige zuil die de ingang van het fort beschermde, was gebouwd.

In 1978 stortte, tijdens bouwwerkzaamheden aan de Rue de Charleroi, de grond in onder de slagen van een graafmachine: er werd een "vrij diepe" holte ontdekt.

De Cercle de Topographie Souterraine stuurde diezelfde avond een team naar de locatie. De speleologen daalden af in het gat in de weg en ontdekten een ruime, gewelfde bovengalerij, waarvan de stenen muren bedekt waren met gegraveerde markeringen.

Het kostte de Cercle twee jaar om volledig te onderzoeken wat ze hadden ontdekt: de verwarmde waterafvoeren van de suikerfabriek, die destijds deze galerijen hadden omgevormd tot Turkse baden. Het was een overblijfsel van de dijk van de visvijvers van het kasteel van Genappe, evenals een brug die kort na de verwoesting van het kasteel werd gebouwd met stenen die uit de ruïnes waren gehaald.

In 1671 besloot men de visvijver droog te leggen en een kanaal aan te leggen om het water van de drooggelegde gronden (waarschijnlijk afvalwater en water uit de bronnen op het grondgebied) af te voeren: dit was de latere Ry des Prés du Roi, die in 1978 door speleologen werd herontdekt.

(Bronvermelding: Genappe et son château, Gaston Braive, 2009; Facebook/ChateaudeGenappe; Histoiregenappe.be; Wikipedia)