De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




DESSELGEM  -  MUNKENHOF


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus is een weergave te zien van het goed “Munkenhof” in de Munkenhofdreef 2 tot 6 in Desselgem. Desselgem is een deelgemeente van de stad Waregem.

Het Goed "Munkenhof" of het Hof van de Sint-Pietersabdij van Desselgem is gelegen in een bocht van de Oude Leie-arm.

De hoevenaam verwijst naar de monniken van de Gentse Sint-Pietersabdij die er gedurende tien eeuwen woonden.

De huidige gebouwenconfiguratie kwam in de 17de eeuw tot stand, wanneer de hoeve werd herbouwd in steen. Het gebouwenbestand dateert uit de 17de en 18de eeuw (er zijn nog 16de-eeuwse kelders) en werd verbouwd in de daarop volgende eeuwen.

De site werdt voor het eerst bebouwd in de loop van de 5de of 6de eeuw, wanneer een groep Franken zich vestigt bij de Leie onder leiding van Thrassald. De hofstede, genaamd "Thrassaldinghem", is vermoedelijk omwald en zou later uitgroeien tot het "Munkenhof".

De hofstede wordt enkele jaren vóór 964 door graaf Arnulf de Grote geschonken aan de Gentse Sint-Pietersabdij. De monniken van de Sint-Pietersabdij kiezen het "Munkenhof" als bestuurscentrum voor hun bezittingen in de streek. Het "Munkenhof" vormt het foncier van het uitgestrekte allodium van Sint-Pieters, met gronden in Desselgem, Beveren-Leie, Deerlijk en Waregem. In de loop van de 10de eeuw verkrijgt de hofstede een achtvormige omwalling, mogelijk tot stand gekomen nadat de monniken een omwalde motte toevoegen aan de reeds omwalde hofstede.

In 1281 werd de hoeve volgens een inventaris van de abdijbezittingen vermeld verpacht aan Heinric van Gavere. Het "Munkenhof" wordt in de inventaris "curtis" (hof) genoemd en het woonhuis "domus abbatis" (huis van de abt). De monniken hadden dus vóór 1281 het "Munkenhof" reeds verlaten.

In de 14de eeuw werden er omvangrijke herstellingen uitgevoerd, wellicht als gevolg van de Slag van Westrozebeke in 1382. De hoeve is opgebouwd in vakwerkbouw op stenen fundamenten en bestaat uit een woning (verblijf van abt en pachter) en keuken, stallingen, een grote en kleine schuur, een wagenhuis, een poort, een bakhuis en een duiventoren.

In de jaren 1380 ondervond de hoeve waterschade veroorzaakt door overstromingen van de Leie.

In de 15de eeuw had de abdij nog steeds een vertrek of een aantal vertrekken ter beschikking in de woning.

In 1451 vonden er nieuwe herstellingen plaats.

In 1452 worden er, naar aanleiding van de onlusten in het Leiegebied, militairen gelegerd op de hoeve.

In de 16de eeuw werd het Munkenhof gepacht door de familie van Aken. De hoeve bestond toen uit de woning, het wagenhuis, "de groote schuere", "de maertsche schuere" (nederschuur), schaaps-, lammer- en kalverstallen, een paardenstal, varkenshokken, het bakhuis en de duiventoren (tevens gevangenis). In het poortgebouw waren kamertjes voor het personeel en gasten ondergebracht.

In 1598 werd de hoeve door de vrijbuiters/geuzen van Oostende volledig platgebrand.

De hoeve werd door de Sint-Pietersabdij heropgebouwd in steen en was circa 1620 volledig hersteld.

De hoeve wordt op deze prent van Sanderus uit de Flandria Illustrata weergegeven als het "Praetorium Abbatiae Blandiniensium in Desselghem" (de tekening was van de hand van Vedastus du Plouich).

Het is de eerste waardevolle grafische bron van deze site. Het hof of het praetorium op de tekening wordt omringd door water en bestaat uit een hoofdgebouw van twee bouwlagen met trapgevels en lagere bijgebouwen (onder meer brouwerij, paardenstallen en bakhuis) met een achthoekige toren boven de gevangenis.

De prent geeft een beeld van het Munkenhof, gezien van op de overzijde van de Leie, van op het kasteel van Ooigem dus.

Ze werd waarschijnlijk tijdens de zomermaanden gemaakt want in de Leiemeersen vooraan staan de hooioppers overeind.

Het woonhuis met verdieping is overzolderd en heeft twee topgevels. Een reusachtige schoorsteen is aan de noord-westgevel uitgebouwd. De dakbedekking bestaat dan waarschijnlijk niet meer uit stro.

De Sint-Pietersabdij bleef eigenaar van het goed tot aan de Franse revolutie. Met de Franse revolutie werden alle eigendommen van de abdij, waaronder het "Munkenhof", opgekocht door Joannes Verhaeghe, landbouwer op het "Munkenhof" en vermoedelijk een stroman voor de abdijheer.

Tussen 1770 en 1834 verscheen het "pakhuis" langs de dreef naar het "Munkenhof". Dit onderkelderde gebouw lag bij het veer dat voor de verbinding over de Leie tussen Desselgem en Ooigem zorgde.

Joannes Verhaeghe werd in 1801 de eerste burgemeester van Desselgem (de bewoners van het "Munkenhof" leverden jarenlang de baljuws en burgemeesters van Desselgem).

Vermoedelijk in de 19de eeuw werd de brouwerij overgebracht van de zuidelijke vleugel naar de oostelijke schuurvleugel. Daarbij werd langs de toegangsdreef een steenput opgetrokken om de brouwerij van water te voorzien.

Circa 1834 werd de hoeve bewoond door burgemeester Jacob Verhaeghe.

In de jaren 1850 werd een tweede pakhuis opgetrokken. De rosmolen aan de westzijde van het erf werd omgevormd in een landgebouw en een klein landgebouw centraal op het erf werd omgevormd tot rosmolen.

In 1865 werd het goed verkocht aan nieuwe eigenaars. In 1883 werden de rosmolen op het erf, de brouwerij aan de oostzijde van het erf en het magazijn ("pakhuis") langs de toegangsdreef omgevormd in landgebouwen.

Volgens kadastergegevens werd in 1887 een gedeelte van de gebouwen aan de oostzijde van het erf ingericht als stoombrouwerij. Daarnaast worden in 1887 nog twee landgebouwen opgetrokken ten noorden van de koestallen (onder meer het wagenhuis). In 1888 werd het landgebouw aan de westzijde van het erf verbouwd. In 1888 werd het pakhuis uit de jaren 1850 langs de toegenagsdreef afgebroken. In 1891 werd de stoombrouwerij vergroot en werden de paardenstallen opgetrokken centraal op het erf.

In 1897 werd de stoombrouwerij aangevuld met een stoomstokerij.

In 1902 werd de woning uitgebreid met een volume tegen de zuidgevel. In 1905 werd de stoomstokerij omgevormd tot een stoombrouwerij met een stoommachine.

Rond 1920 werd de hoeve opnieuw verkocht aan een vlasnijveraar. Rond 1925 worden aan de zuidkant van de Leie enkele betonnen rootputten gebouwd.

In 1931 werd de stoombrouwerij omgevormd in een landgebouw. De paardenstallen aan de westzijde van het erf werden vermoedelijk in de jaren 1930 of 1940 vervangen worden door de huidige tabaksast.

Bij de slag aan de Leie werden de gebouwen beschadigd en was de dakbedekking en een aangebrachte klokkenstoel op de woning verwoest.

Kort na de Tweede Wereldoorlog werden de nodige restauratiewerken uitgevoerd.

In de jaren 1940, vermoedelijk na de oorlog, wordt het oostelijke gedeelte van de woning ingericht als woning voor de meestergast. In 1945 werd er een keuken gebouwd en werd het washuis afgebroken. Daarnaast werd het trappenhuis tussen de woning en de zuidelijke zijvleugel gebouwd.

Na 1945 werd de woning van trapgevels voorzien.

In de jaren 1950-1960 was de hoeve een gemengd bedrijf. In 1953 werden er warmwaterrootputten gebouwd naast de bestaande rootputten.

Vanaf de jaren 1970 werd de hoeve gerestaureerd. In 1983-1984 werd de oude brouwerij met de vroegere gevangenistoren herbouwd en werd de kleinste woning verruimd en aangepast aan het hedendaagse wooncomfort.

Het poortgebouw werd in 1992 gerestaureerd.

(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Wikipedia)