De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




BRUSSEL - PREDIKHERENKLOOSTER


(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)




Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van het Predikherenklooster in Brussel.

Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).

Het Predikherenklooster van Brussel bestond van 1465 tot 1796.

De stichting was een initiatief van hertogin Isabella van Portugal, de vrome echtgenote van Filips de Goede, die daarmee eeuwenlange weerstand van het stadsbestuur en het Sint-Goedelekapittel overwon. De geleerde dominicanen genoten groot prestige en konden niet langer ontbreken in een hoofdstad.

Isabella bekwam de toestemming van de toenmalige paus Calixtus III en kocht voor de dominicanen het Hof van Rummen aan de huidige Schildknaapstraat (toen Lange Ridderstraete).

In 1465 kon het kapittel-generaal van Navarra de status van klooster verlenen aan deze Brusselse vestiging.

Het klooster breidde uit door terreinaankopen in 1477 (aan de Wolvengracht) en in 1480 (onder meer het Wit Huys).

Er werd een predikherenkerk opgetrokken, een gotisch gebouw met drie beuken. De broeders hadden nauwe banden met het hof als predikers en biechtvaders.

Intellectueel stonden de broeders dicht bij de Leuvense universiteit.

Onder de Brusselse republiek speelden de dominicanen een grote rol in het onmogelijk maken van de aanvankelijk ingestelde tolerantie. De incidenten leidden ertoe dat alle Brusselse dominicanen uiteindelijk in 1581 uit de stad werden
verdreven. Hun klooster werd in 1583 afgebroken op de kerk na, waarvan de inboedel evenwel verkocht werd.

Het duurde niet lang voor de dominicanen konden terugkeren en aan de heropbouw beginnen, want in 1585 maakte
Alexander Farnese een einde aan het calvinistische bewind over de stad. Het Predikherenklooster was populair bij de grote Spaanse populatie van Brussel, voor wie een eigen kapel werd opgetrokken (1594).

Dankzij de gunst van Albrecht en Isabella braken weldra nieuwe glorietijden aan.

In 1636 openden de Brusselse predikheren een groot noviciaat.

De zogenaamde confrerieën waren een belangrijk onderdeel van het kloosterleven. De grootste was de broederschap van de Heilige Rozenkrans, die 30.000 (vooral Spaanse) leden telde.

De Franse bombardementen van 1695 herleidden het klooster opnieuw tot puin.

Een nieuwe reconstructie volgde: het kerkkoor was gereed in 1704, het klooster in 1705, het tweede klooster in 1709 en het noviciaat in 1731.

Keizer Jozef II, die vele conventen deed sluiten, liet het predikherenklooster bestaan, zij het dat hij hen om urbanistieke redenen wilde laten verhuizen naar het vrijgekomen Miniemenklooster.

Het waren de Franse revolutionairen die kort nadien het einde van de dominicanen in Brussel inluidden. Vóór de verdrijving van de laatste broeders in 1796, waren de meeste kostbaarheden reeds het land uit gesmokkeld. Het klooster ging in februari 1797 als nationaal goed onder de hamer. De koper verkocht de resterende materialen en liet de gebouwen nadien slopen.

De gebouwen werden afgebroken om plaats te ruimen voor een manège (1812) en later voor de Muntschouwburg (1817).

Een ander deel van het voormalige kloosterdomein werd ingenomen door hotel The Dominican.

Begin 20e eeuw keerden de predikheren terug naar Brussel en installeerden zich aan de rand van het Jubelpark. Van 1904-1906 werd de Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkranskerk gebouwd. Na een renovatie in 1999-2002 heeft die vestiging een internationaal karakter gekregen. Tegenwoordig heet de kerk Sint-Dominicuskerk.

(Bronvermelding: Wikipedia)