De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




BRUGGE  -  PANORAMA


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)




Op deze prent van Sanderus is de stad Brugge te zien omstreeks 1640.

Deze prent van Sanderus toont ons de overduidelijke stadsomwalling rondom de binnenstad, de zogenaamde Vesten.

We spitsen onze aandacht bij deze historiek bij deze prent daarom toe op de zogenaamde Vesten en de verschillende stadspoorten en proberen een en ander te duiden in een beknopte historiek van Brugge (in de huidige provincie West-Vlaanderen).

Alhoewel, een "beknopte" historiek van de stad Brugge weergeven is helemaal geen sinecure. De geschiedenis van Brugge strekt zich immers uit over bijna tweeduizend jaar. Brugge kent bovendien een zeer bewogen geschiedenis. Vooral in de middeleeuwen groeide Brugge uit tot één van de handelsmetropolen van West-Europa.

De betekenis van 'Brugge' is waarschijnlijk eenvoudig te herleiden tot het woord 'brug'. Die eerste (houten) brug werd waarschijnlijk door het Romeinse leger gebouwd en lag ter hoogte van de moderne Molenbrug (die de Langestraat met de Hoogstraat verbindt). Die brug lag op de Romeinse militaire bevoorradingsweg die hun kamp in Oudenburg met hun kamp in Aardenburg verbond. Brugge was toen een getijdenhaven, verbonden met de zee, die alleen bij hoogtij kon worden bereikt.

Deze getijdenhaven verzandde regelmatig verzandde. Nochtans werd het dorp snel rijk tussen 800 en 1000 na Chr. Die periode valt samen met de hoogdagen van de Vikingen. Men vermoedt dat de Vikingen Brugge gebruikten als helershaven, waar geen vragen gesteld werden en waar ze met gestolen geld luxeproducten konden kopen, zoals het Vlaamse Laken.

Reeds in de 2e eeuw bestond er reeds een bescheiden Gallo-Romeinse nederzetting. Het zeewater vormde toen een geul waardoor het zeewater stuwde tot in de buurt van het huidige Brugge. Hierdoor werd het mogelijk om handel te drijven met Engeland en verschillende plaatsen in Gallië.

Naarmate de getijdengeul verzandde, verschoven de bewoningskernen meer noordwaarts.

Circa 270 drongen de Germanen van over zee het kustgebied binnen. Dit, en het opnieuw overspoelen van de kustvlakte, leidde vermoedelijk tot het verdwijnen van de eerste nederzetting.

Omdat de zee zich terugtrok zou ook de aanlegplaats zich in de loop van de 9e eeuw naar het noorden verplaatsen.

Onder Karel de Grote (768-814) werd een kustverdediging tegen de Noormannen uitgebouwd. Zijn opvolger, Lodewijk de Vrome (814-840), zette deze politiek verder. Brugge was een uitgelezen doelwit voor de Noormannen omwille van de strategische ligging en zijn functie als gouwhoofdplaats, waar de vertegenwoordiger van het centrale gezag zetelde.

Daarom werd in de loop van de eerste helft van de 9e eeuw, dus nog vóór het aantreden van de eerste met name bekende graaf van Vlaanderen, Boudewijn I (862-879), ter hoogte van het huidige Burgplein een versterkte burcht met aarden wallen en paalwerk gebouwd.

Op de linkeroever van de Reie, ten noorden van de Gouden-Handrei, ontwikkelde zich een nederzetting waar tot en met de 11e eeuw de belangrijkste havenactiviteiten zouden plaatsvinden. Vanaf 1134 verschoven deze geleidelijk naar de Spiegel- en de Kraanrei.

Arnulf I (918-965) bouwde de Brugse burcht uit tot een machtscentrum met keizerlijke allures. Een gebied van 1,5 ha werd omsloten met een stenen muur, doorbroken door 4 poorten.

De stadspoorten van Brugge werden gebouwd in drie fasen: de eerste maal in deze periode tijdens de eerste helft van de 9e eeuw, bij de versterking van de huidige Burg, de tweede maal in 1127-1128, tijdens de aanleg van de eerste stadsomwalling rond Brugge (met onder andere de huidige binnenreien) en de derde maal in 1297, bij de aanleg van de
tweede en grotere omwalling rond de stad.

Bij de omwalling van de Burg in de 9e eeuw waren er de Westpoort, bij de Hofbrug over de Reie in de huidige Breidelstraat; de Oostpoort bij de Hoogstraat; de Zuidpoort bij de huidige Blinde-Ezelstraat en de Noordpoort, waarschijnlijk te situeren bij de Philipstockstraat.

Binnen deze versterking werd in het noorden de burchtkerk opgetrokken, toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Donaas. Later werd het bijhorend kapittel van kanunniken gesticht. Hieraan ontleende de burcht haar tweeledige functie: de zuidelijke helft had een burgerlijke en de noordelijke helft een kerkelijke functie.

De stad ontwikkelde zich in concentrische kringen rondom de burcht. Het eigenlijke zwaartepunt van de bewoning en de locatie van handelaars was te situeren ten westen van de Burg, aan de andere kant van de Reie tussen de Dijver en de Steenstraat, gelegen op de belangrijkste zandrug. Het huidige stratenpatroon van dit stadsdeel met smalle straatjes en percelen weerspiegelt nog de vroegere situatie.

In 1089 benoemde graaf Robrecht II de proost van het Brugse Sint-Donaaskapittel tot erfelijk kanselier van Vlaanderen en hoofd van de administratie van de grafelijke domeinen.

De moord op Karel de Goede op 2 maart 1127 in de Sint-Donaaskerk was het gevolg van een conflict met Bertulf, de proost van Sint-Donaas. Dit illustreerde een confrontatie tussen de grafelijke macht en het opkomende patriciaat. Onder Willem Clito, de nieuwe graaf, werden de wolaanvoer en de handel met Engeland ernstig belemmerd. Dit leidde tot een opstand die escaleerde tot een burgeroorlog. Willem Clito werd in 1128 opgevolgd door Diederik van de Elzas, een kandidaat van de tegenpartij, Engeland.

Naar aanleiding van de politieke gebeurtenissen van 1127 begon Brugge zich te onderscheiden van het omliggende land.

De stad beschikte voor het eerst over een eigen stadskeure en een college van schepenen dat het gewoonterecht in handen had. Door de aanleg van de eerste omwalling tekende Brugge zich af in het omliggende platteland.

Het Brugse schependom, een aanzienlijk groot gebied voor een vroeg-12e-eeuwse stad, was volledig ommuurd en toegankelijk via zes stadspoorten.

Bij de eerste stadsomwalling in 1127-1128 waren er de Noordzandpoort, aan het einde van de Noordzandstraat; de Zuidzandpoort, aan het einde van de Zuidzandstraat; de Sint-Jacobspoort, aan het einde van de Sint-Jakobsstraat; de Vlamingpoort, aan het einde van de Vlamingstraat; de Koetelwijkpoort, aan de huidige Koningsbrug over de Spiegelrei; de
Oude Molenpoort, aan het einde van de Hoogstraat en de Mariapoort, aan het einde van de Mariastraat.

Het geheel vormde een omwald gebied met palissades, houten verdedigingstorens en poorten. Vermoedelijk werd in de loop van de 12e eeuw of in het begin van de 13e eeuw de houtbouw vervangen door steenbouw.

De poortstraten vormden belangrijke in- en uitvalswegen en groeiden later uit tot belangrijke commerciële assen. Over de reien werden houten bruggen gebouwd die toegang verschaften tot de buitenwijken. Later werden die door stenen constructies vervangen.

De tweede helft van de 12e en de 13e eeuw werden door economische welvaart gekenmerkt. Door de stormvloed van oktober 1134 ontstonden er enkele geulen, waarvan de belangrijkste in zuidwestelijke richting liep tot voorbij het latere Damme. De vorming van het Zwin zorgde voor een betere toegankelijkheid via de zee. In plaats van getijdenvaart konden de grotere schepen nu tot dicht bij Brugge varen.

Op het einde van de vaargeul werd later ter beveiliging van het hinterland in opdracht van Filips van de Elzas een dwarsdam gebouwd. Achter de dam ontstond een nieuwe haven, Damme. Mits overlading in Damme op binnenschepen was Brugge dan nog steeds vlot bereikbaar.

Brugge groeide hierdoor uit tot een belangrijke West-Europese handelsmetropool en oefende een grote aantrekkingskracht uit dankzij haar gevestigde faam als exportcentrum van het Vlaamse laken.

Reeds vóór de vorming van het Zwin was er een aanzienlijke import van Engelse wol. Brugge was een verdeelcentrum van grondstoffen naar Gent, Ieper en andere textielcentra in het graafschap.

De Franse bezetting (1297-1302) maakte een einde aan deze Hanze en vanaf dat moment was de handel in handen van de Engelsen.

Het Zwin verzandde echter geleidelijk en rond de vaargeul werden verschillende havens gesticht, om mogelijk te maken dat Brugge nog steeds handel kon drijven.

Het vroegere economische zwaartepunt gericht op landhandel, namelijk de buurt van Steenstraat en het huidige Simon Stevinplein, verschoof in het laatste kwart van de 13e eeuw naar de omgeving van de Spiegelrei, die gericht was op maritieme handel. De verschuiving weerspiegelde zich in de uitbouw van een doeltreffende haveninfrastructuur en een uitgebreid goederen- en dienstenaanbod. In 1240 startte men op de Grote Markt met de bouw van het complex Belfort-Halle, mogelijk ter vervanging van een eerste houtbouw. Omwille van plaatsgebrek in de Halle werd in 1284 aan de oostzijde de Waterhalle opgetrokken. Voor de verkoop van levensmiddelen werd een Boterhal en een Westvleeshuis opgericht. De grote bevolkingstoename leidde tot het bebouwen van braakliggende terreinen.

De sterke bevolkingsaangroei leidde tot een noordoostelijke stadsuitbreiding. Buiten de eerste omwalling ontstonden meerdere nieuwe wijken. Hier vestigden zich enkele kloostergemeenschappen. In 1275 werd het stadsareaal aanzienlijk uitgebreid.

In 1297 werd gestart met de bouw van de tweede stadsomwalling. Aanvankelijk bestond ze uit een dubbele gracht, een aarden wal met houten palissade en negen stenen poorten.

Vijf namen de rol over van de poorten van de eerste omwalling. Ze gaven toegang tot de omliggende paallanden. De term "paalland" verwees naar de stenen grenspalen. Het omwalde gebied kwam overeen met het stadsareaal binnen de huidige vesten.

Bij de tweede stadsomwalling in 1297 waren er de Gentpoort, de Katelijnepoort, de Boeveriepoort, de Smedenpoort, de Ezelpoort, de Dampoort en de Kruispoort.

De Gentpoort (1) is één van de vier overgebleven Brugse stadspoorten. Deze poort bevindt zich aan het einde van de huidige Gentpoortstraat.

De Katelijnepoort (2) was gelegen aan het einde van de huidige Katelijnestraat. De naam van de poort wordt nog steeds gebruikt voor de plaats waar ze vroeger lag. Aan de Katelijnepoort ligt nu nog een draaibrug over de Ringvaart, de Katelijnepoortbrug. De Katelijnepoort was de plaats waar men Brugge verliet richting Kortrijk. De poort leidde destijds naar de Sint-Catharinaparochie, waarvan de kerk buiten de stadsmuren lag (die kerk werd echter gesloopt in 1578).

De Boeveriepoort (3) situeerde zich aan het einde van de huidige Boeveriestraat, tussen de Smedenpoort en de Poertoren. In de vroege middeleeuwen werd ze ook de Beuterbekepoort genoemd, naar de Boterbeek die door Brugge stroomde. De eerste Boeveriepoort werd pas in 1312 in gebruik genomen.

De Smedenpoort (4) situeert zich aan het einde van de Smedenstraat. Het is één van de vier overgebleven stadspoorten van Brugge.

Ook de Ezelpoort (5), aan het einde van de Ezelstraat  is één van de vier overgebleven Brugse stadspoorten.

In 1297 werd ook de Dampoort (6) gebouwd, aan het einde van de Langerei en Potterierei.

Op deze prent van Sanderus wordt in de legende de naam “Speye Poorte” gebruikt.

Vanaf de aanleg in 1297 tot bij de sloop in 1871 was dit locatie vanhet zogenaamde Dampoortcomplex. Het was een belangrijk militair en maritiem bolwerk gelegen aan de ingang van de stad, oorspronkelijk bestaande uit drie poorten. Bij de Dampoort waren er aanvankelijk eigenlijk 3 poorten: de Sint-Niklaaspoort (verbinding met Koolkerke), de Sint-Lenaartspoort (verbinding met Dudzele) en de Speipoort (verbinding met Damme).

Het complex vormde een aaneengesloten geheel: overdekte weergangen verbonden de Sint-Niklaas- met de Sint-Lenaartspoort en laatst genoemde met de Komvest. Tussen de Speipoort en de Sint-Niklaaspoort lag een brug over de Langerei.

De Speipoort met twee zware ronde torens met weermuren en puntdaken, verbonden door een doorgang met zadeldak, had aan de stadszijde twee rechthoekige vleugels met een overwelfde doorgang en aan de waterzijde een voorpoort met een rond hoektorentje en een valpoort verbonden door middel van twee weermuren. De Sint-Niklaaspoort vertoonde, aan de stadszijde, twee ronde hoektorens met puntdaken verbonden door een zaal met doorgang en afgedekt met een schilddak, aan de waterzijde verbonden twee weermuren een lager gebouw met ronde hoektorens. De Sint-Lenaartspoort bestond uit een ronde toren met weermuren en een puntdak verbonden met een lager rechthoekig gebouw onder schilddak en met een ophaalbrug. Vanouds had deze plaats een havenfunctie met daarmee gepaard gaande activiteiten.

De Kruispoort (7), aan het einde van de Langestraat, is in Brugge nog één van de overgebleven stadspoorten.

Na de stadsuitbreding werd ook de bestuurlijke indeling aangepast. De stad kreeg een zesledige administratieve indeling, aanvankelijk enkel van toepassing binnen de eerste omwalling met eigen bestuurlijke en militaire organisatie.

De Grote Markt vormde het centrale punt met de poortstraten en waterlopen als scheidingslijnen tussen de verschillende wijken. Enkele bewaarde grenspalen, bijvoorbeeld aan het Genthof, refereren nog aan deze bestuurlijke indeling.
Brugge kende als handelscentrum haar grootste bloei tussen 1280 en 1480. In deze periode verbleef er een bont gezelschap van vreemde kooplui met meestal een eigen natiehuis en pakhuizen. 
Brugge had zich ondertussen ook ontpopt tot een internationaal kunstencentrum. Dankzij het Bourgondische hof kwamen er contacten met reizigers uit alle streken van Europa.

Niettegenstaande de bloei als Europees handelscentrum werd de 14e eeuw gekenmerkt door sociale en politieke onrust.

Met de groeiende economische macht van de Brugse handelaren kwamen ook eisen naar meer autonomie ten opzichte van het graafschap Vlaanderen naar boven.

Een van de hoogtepunten van deze strijd vond plaats in 1302: de Brugse Metten. Na dit bloedbad versloegen de Vlaamse steden, met het grootste deel van de manschappen uit Brugge en het Brugse Vrije, te Kortrijk het Franse leger in de Guldensporenslag. De Gentenaren werden door de toenmalige graaf van Vlaanderen gesust met verlaagde belastingen.

Daardoor trokken de Gentse milities niet mee op tegen het Franse ridderleger. In 1304 werd Vlaanderen echter terug tot de orde geroepen na hun nederlaag in de Slag bij Pevelenberg.

Brugge steunde ook de Vlaamse opstand van 1323-1328 tegen Frankrijk. Hierdoor werden zware geldboeten opgelegd. De stad ondervond de gevolgen van de stilgelegde woluitvoer tijdens het voorspel van de Honderdjarige Oorlog (1337-1453).

In Brugge waren diverse bevolkingscategorieën aanwezig. Naast een welstellende bevolking was er nog veel armoede. Voor de armen werden liefdadigheidsinstellingen opgericht.

De Boeveriepoort (3) werd reeds in 1366-1367 herbouwd.

In 1366 werd ook een nieuwe Kruispoort (7) opgericht.

De Smedenpoort (4) werd in 1367-1368 herbouwd. Later werd ze nog enkele keren verbouwd. Kenmerkend aan deze poort is dat ze volledig omringd is door water.

De Ezelpoort (5) werd in 1369 herbouwd.

Na de nederlaag van de Bruggelingen tegen de Gentenaren in de slag op het Beverhoutsveld in 1382 werden de Katelijnepoort (2) en de Kruispoort (7) op bevel van Filips van Artevelde gesloopt. De stad werd namelijk (tijdelijk) ingenomen door de Gentenaars.

Na de regeerperiode van Lodewijk van Male (1346-1384) trad onder Filips de Stoute (1384-1404) een periode van stabiliteit in, alleen verstoord door weveropstanden in 1387 en 1391. Nog tijdens het bewind van Lodewijk van Male werd op de Burg op de plaats van het grafelijke Gijzelhuis het gotische stadhuis gebouwd. Vanaf dan werd de Burg niet langer beheerst door de grafelijke maar door de stedelijke macht. De politieke rol van Brugge in Vlaanderen nam onder de Bourgondiërs af door de opkomst van de kasselrij het Brugse Vrije.

Oorspronkelijk vormde Brugge samen met Gent en Ieper "De drie leden". Het Brugse Vrije, het grootste en rijkste plattelandsdistrict, verwierf een plaats in de Vlaamse overlegstructuren.

Tijdens de Bourgondische periode heerste een ware bouwwoede. Het Prinsenhof, de grafelijke residentie, werd bijvoorbeeld sterk uitgebreid na de aankoop van verschillende aanpalende percelen.

De Gentpoort (1) werd herbouwd omstreeks 1400.

Tussen 1400 en 1406 werd een nieuwe Kruispoort (7) gebouwd. Het oorspronkelijke complex bestond uit een hoofdgebouw (twee zware ronde torens met weermuren, een voorzaal en een hoge bovenbouw), met daarbij een voorpoort, acht torens en twee bruggen.

In het begin van de 15e eeuw werd de Katelijnepoort (2) in witte natuursteen herbouwd.

Waarschijnlijk bouwden ambachten vanaf de 15e eeuw eigen huizen waar ze hun bestuursvergaderingen hielden en hun archief bewaarden. Deze huizen vormden geen gewoon verenigingslokaal, maar waren meer bedoeld als statussymbool.

Vanaf 1480 kondigde zich een crisissituatie aan. Aan de basis lagen de achteruitgang van de lakenindustrie, de strenge handelsreglementering, de concurrentie van de snelgroeiende handelsmetropool Antwerpen en de politieke omstandigheden.

Na de plotse dood van Maria van Bourgondië in 1482 en de opstand van Vlaanderen tegen Maximiliaan van Oostenrijk kreeg Brugge onder het bewind van deze laatste (1493-1519) zware klappen. Nadat Maximiliaan ruim vier maanden gevangen was gehouden door de Bruggelingen, maakte hij samen met zijn vader keizer Frederik III een einde aan de macht van Brugge.

Het Zwin was gedurende tien jaar niet meer toegankelijk door een opgelegde blokkade en de vreemde naties moesten op bevel van Maximiliaan de stad verlaten. Door de aanvoer van Spaanse wol viel de buitenlandse handel echter niet volledig stil. In 1494 vroegen de Bruggelingen aan Maximiliaan om de hoge staatsschulden te herzien. De stad kon zich toch nog enigszins in stand houden en beschikte nog steeds over enkele internationale contacten met Spanje en Engeland, was een belangrijk regionaal centrum (vooral in textiel), en bleef ook in de kunst meespelen.

Om de vroegere welvaart te herwinnen deed Brugge een beroep op keizer Karel V tijdens de regeringsjaren 1515-1555.

Nieuwe inspanningen trachtten de verzanding van het Zwin tegen te gaan na de mislukte pogingen in de 14e en 15e eeuw. Een eerste poging, de aanleg van het Kanaal van Oostburg (1500-1516), liep uit op een volledige mislukking.

Niettegenstaande de vele inspanningen viel de handel via het Zwin stil door de Opstand van de Nederlanden (1568-1648).

Hierdoor werd het laatste kwart van de 16e eeuw gekenmerkt door oorlog en economische crisis. De calvinisten slaagden erin de jonge bisschopsstad in te nemen en van 1578 tot 1584 namen ze er het kerkelijk en burgerlijk bestuur waar.

Brugge en het Brugse Vrije sloten zich in de zomer van 1579 aan bij de Unie van Utrecht. De economische doodsteek kwam in mei 1584 toen de stad zich overgaf aan de Spaanse generaal Alexander Farnese. De voorhaven in Sluis kwam later in handen van de Republiek der Verenigde Nederlanden en daarmee was Brugge zijn meest voor de hand liggende verbinding met de zee kwijt. Het vervoer van goederen op het kanaal Brugge-Sluis werd ofwel verboden ofwel aan hoge tol onderworpen. Op het einde van de 16e eeuw verkeerde Brugge in een desolate toestand. Er was grote armoede. Van een bloeiende handelsstad was nu geen sprake meer. De stadsontwikkeling viel stil.

Omwille van het brandgevaar werden in de loop van de 17e eeuw houten gevels systematisch vervangen door stenen gevels.

Na de godsdiensttroebelen kende de Kerk een heropbloei met de Contrareformatie. De kerken en kloosters werden na de Beeldenstorm in ere hersteld en in een eigentijdse barokstijl gestoffeerd. Een aantal religieuze instellingen zocht bescherming binnen de eerste of minstens de tweede omwalling.

In de 17e eeuw werden opnieuw verschillende ambachtshuizen opgetrokken. Op initiatief van enkele gilden en corporaties of van kapitaalkrachtige burgers werden ook een aantal godshuizen gesticht of bestaande uitgebreid. Ze lagen voornamelijk buiten de eerste omwalling, omdat hier nog goedkope gronden beschikbaar waren.

Vanaf 1614 werd de tweede omwalling tijdens het Twaalfjarig Bestand omgevormd tot een gebastioneerde vesting.

De Ezelpoort (5) werd in verschillende fasen (1615, 1632 en 1677) ingrijpend verbouwd.

In 1665 werd buiten de eerste omwalling, bij de Dampoort, aan het begin van het kanaal naar Oostende, de Handelskom uitgegraven, waar zeeschepen konden aanleggen. Het nieuwe havendok was voorzien van een aangepaste haveninfrastructuur. Deze nieuwe impuls bracht een bevolkingstoename met zich mee.

In de 17e eeuw ontwikkelde zich in Brugge de kantindustrie. Kantklossen was daarvoor vooral een bezigheid van de rijkere adellijke dames, maar geleidelijk verdienden vele vrouwen in Vlaanderen een extraatje met het kantklossen.
In de periode van de Oostenrijkse Nederlanden kende de stad een economische heropbloei. Een aantal belangrijke infrastructuurwerken die invloed hadden op het middeleeuwse handelscentrum binnen de eerste omwalling werden in deze periode uitgevoerd.

Het graven van de Coupure in 1751-1753 maakte een verbinding mogelijk met het kanaal naar Gent. Dit leidde tot een verschuiving van het commercieel centrum van de omgeving van de Grote Markt en de Spiegelrei naar de Coupure. De haveninfrastructuur binnen de eerste omwalling raakte in onbruik. De Sint-Jansbrug en de Waterhalle verdwenen en de Kraanrei werd tot aan de Grote Markt in twee fasen overwelfd.

De voorpoort van der Katelijnepoort (2) werd in 1753 herbouwd.

In 1760 werd de voorpoort van de Kruispoort (7) gesloopt en niet meer herbouwd. Ter hoogte van de Kruispoort liepen twee Kruispoortbruggen over de Ringvaart.

In plaats van de houten kraan op de hoek Vlamingstraat en Kraanplein werd circa 1771-1772 een vleeshal in classicistische stijl gebouwd.

In 1782 werd de binnenpoort van de Katelijnepoort (2) afgebroken.

Een classicistisch complex op de Grote Markt verving vanaf 1787-1791 de Waterhalle.

Als tegenhanger van dit project werd aan de noordelijke zijde van de Grote Markt ter hoogte van de in 1786 verdwenen Sint-Christoffelkerk een laatclassicistische eenheidsbebouwing opgericht in 1792.

Op initiatief van keizer Jozef II werden in 1784 de kerkhoven in de steden afgeschaft. Er werden ook een aantal kloosters afgeschaft, zoals het jezuïetenklooster in 1773 en het kartuizerinnenklooster in 1783.

Onder het Franse bewind werd Brugge hoofdplaats van het Leiedepartement. De prefect kreeg een residentie in het nieuw opgetrokken laatclassicistisch project aan de oostelijke zijde van de Grote Markt.

De sekwestratie van religieuze goederen verliep op diverse wijze. Sommige bedehuizen werden hergebruikt, andere werden gesloopt, zoals de Sint-Donaaskathedraal op de Burg.

De vrijgekomen gronden werden aangelegd als nieuwe pleinen of gebruikt voor het invoegen van gebouwen met nieuwe functies.

Bij keizerlijk decreet van 1806 werden de stadsvestingen terug aan de stad verkocht. Van dan af werden ze ontmanteld en als wandelweg ingericht. Dit sloot aan bij een in de 19e eeuw ontstane promenade-traditie.

In 1807 werd de Boeveriepoort (3), die reeds zeer vervallen was en zelfs gedeeltelijk gesloopt, een laatste maal heropgebouwd.

Bestuurlijk werd Brugge in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de hoofdstad van de nieuwe Nederlandse, en vanaf de Belgische onafhankelijkheid de Belgische provincie West-Vlaanderen. Op economisch vlak echter was de 19e eeuw voor Brugge een dieptepunt. Een bescheiden industrialisatie deed pas na enige tijd moeizaam haar intrede. Buiten de eerste omwalling waren enkele textielbedrijven die gebruik maakten van stoomenergie te situeren, zoals aan de Boeverievest.

In de jaren 1840 bereikte de economische crisis haar hoogtepunt. De stad werd evenwel een aantrekkingspool voor de plattelandsbewoners getroffen door de textielcrisis. Het inwonersaantal steeg hierdoor, met een gelijklopende toename van de vraag naar woningen.

Voornamelijk buiten de eerste omwalling werden op private terreinen kleine armzalige huisjes gebouwd, zogenaamde beluiken.

Er werd geïnvesteerd om gemechaniseerde (textiel)fabrieken op te richten buiten de eerste omwalling. Een gunstig economisch klimaat liet toe dat zowel in de binnenstad als langs de vesten textiel-, katoen- en wolfabrieken en vlasspinnerijen zich voor weinig geld konden vestigen. In de periode 1850-'70 doken een tiental bedrijven op in de omgeving van de Handelskom, de Dampoort en de Smedenpoort.

In 1844 kwam er een volwaardig stationsgebouw in Brugge. Door de aanleg van verschillende spoorlijnen werd het stationsgebouw gauw te klein. Tegen 1886 stond er dan ook een nieuw, groter gebouw.

Het afschaffen van de octrooiwetten in 1860 kaderde in de algemene politiek om de stad uit haar middeleeuws keurslijf te halen. Hierdoor verdwenen de Katelijnepoort en de Boeveriepoort en kreeg de stad een open en moderner karakter.

In 1862 werd de rest van de Katelijnepoort (2) gesloopt.

In 1863 werd ook de Boeveriepoort (3) definitief gesloopt. Behalve de naam, thans gebruikt voor de plaats waar de poort vroeger lag, resten nu nog enkele funderingen in de binnengracht.

Tegen het einde van de negentiende eeuw waaide er een nieuwe economische wind door de stad. Tevens groeide opnieuw de aantrekkingskracht van Brugge op kunstenaars en andere bezoekers uit het buitenland, waardoor ook de toeristische mogelijkheden van de stad werden ingezien. Aan de basis van dit alles lag onder meer de uitbouw van Brugge-Zeehaven.

De werken voor de bouw van de haven werden uitgevoerd vanaf 1896 en duurden tot 1907.

Omwille van de verwachte snelle expansie van de stad na de aanleg van de nieuwe zeehaven werd op het eind van de 19e en aan het begin van de 20e eeuw op vrij grote schaal aan stadsuitbreiding gedaan.

Circa 1900 werden binnen de vesten boulevards aangelegd die overwegend met woningen voor gegoede burgers werden bebouwd.

In de Eerste Wereldoorlog hadden de Duitsers vanaf 1914 een belangrijke U-boot-haven in Zeebrugge. De strategische ligging aan de Noordzee was daarbij belangrijk. De materiële schade in het havengebied als gevolg van de Eerste Wereldoorlog was aanzienlijk. De Duitse troepen hadden bij hun aftocht haven en binnenhaven tot een schroothoop herleid.

Gezien Nederland na de oorlog weigerde de controle over de Westerschelde uit handen te geven, werd Zeebrugge de enige vrij toegankelijke haven in België.

De economische wereldcrisis van de jaren 1930 brak de animo: de ferrydiensten begonnen te haperen, de fabrieken en de binnenhaven zagen hun activiteiten teruglopen.

Ondertussen veranderde het economische leven in de stad nauwelijks. Tijdens de oorlog had Brugge zelf, door zijn ligging achter de frontlinie, geen noemenswaardige schade te verwerken gekregen.

De impact van het toerisme op de werkgelegenheid was weinig substantieel in deze tussenoorlogse periode. Er was nog geen sprake van massatoerisme.

Het patrimonium van het “oude Brugge” kwam, via monumentenzorg en stadsverfraaiing, helemaal centraal te staan in het culturele beleid.

In 1930 werd langs de Dijver het stedelijk museum Groeninge opgericht.

De Tweede Wereldoorlog bracht een onderbreking maar geen einde aan de ontwikkeling van Brugge. De haven speelde in deze oorlog een eerder bescheiden rol omwille van de sabotage ervan door het verzet net voor de komst van de Duitsers.

Deze herstelden de schade en maakten van Zeebrugge een versterkte burcht die ze opnamen in hun Atlantikwall.

Tijdens de eerste naoorlogse jaren van de wederopbouw werden alle middelen aangewend om de materiële schade te herstellen en de werkloosheid te beperken.

Na de Tweede Wereldoorlog en tot in 1988 herbergde de Kruispoort (7) een bescheiden Oorlogsmuseum, terwijl ook nog een gedeelte door een huisbewaarder was bewoond. De (herboren) Brugse schermersvereniging, genaamd Sint-Michielsgilde of Hallebardiers is sinds het einde van de twintigste eeuw in de Kruispoort gevestigd.

In 1952 werd een nieuw nijverheidsdok in de binnenhaven in gebruik genomen. In de buurt ervan verrees snel een zwerm nieuwe handels- en industriële ondernemingen.

Geconfronteerd met de schaalvergroting van de schepen en de nieuwe technieken in de behandeling van stukgoederen, werden alle mogelijkheden van Zeebrugge afgetast en ontwikkeld.

In de jaren 1960 vatte de staat de graafwerken aan van een nieuw dok in de achterhaven. In 1966 werd een car-ferrydienst met Dover ingelegd en het roll-on-roll-offsysteem geïntroduceerd. Vanaf 1970 werd Zeebrugge nog meer uitgebreid. Zeebrugge werd de modernste haven van Europa.

In 1971 fusioneerde Brugge met een aantal randgemeenten. Het verhaal van het economische leven in de binnenstad is voortaan quasi zinledig geworden omdat de stad wordt opgeslorpt door het internationale havengebeuren. Het speelt zich voornamelijk af buiten de oude stadswallen, in het havengebied en op de verschillende bedrijfsterreinen die Brugge momenteel rijk is.

Ondertussen evolueerde Brugge-centrum tot een plaats waar men zich kan ontspannen, waar culturele activiteiten plaatsvinden, waar onderwijs wordt verstrekt, waar het beleid wordt vastgelegd, en waar voor animatie wordt gezorgd.

De Ezelpoort (5) werd grondig gerestaureerd in 1991-1993. Kenmerkend aan deze poort is dat ze volledig omringd is door water. Tegenwoordig wordt de poort enkel gebruikt door voetgangers en fietsers. De poort werd vroeger soms ook aangeduid als de Oostendsche Poort (Porte d'Ostende), omdat ze uitliep op de weg naar Oostende.

Binnenin de Ezelpoort (5) huist sinds 2010 de administratie van Anima Eterna Brugge, het huisorkest van het Concertgebouw.

In het poortgebouw van de Gentpoort (1) bevond zich van 2011 tot en met 2019 een museum dat de functie van een middeleeuwse stadspoort illustreert. Vanaf het terras op de tweede verdieping kreeg de bezoeker een zicht over Brugge en het ommeland. Na de herinrichting van het Gruuthusemuseum, dat de museale rol van de Gentpoort had overgenomen, werd het Gentpoortmuseum gesloten begin 2020. In 2021 nam de Koninklijke Gidsenbond er zijn intrek.
Aan de Gentpoort loopt de Gentpoortbrug over de Ringvaart.

In 2012 werd aan beide zijden van de Smedenpoort (4) een voetgangersbrug aangelegd. Dankzij deze ingreep werd het mogelijk voor voetgangers om rond de poort te lopen, en voor fietsers om de kleine poortdoorgangen te gebruiken, waardoor zij gescheiden bleven van het autoverkeer.

De Dampoort (6), de Boeveriepoort (3) en de Katelijnepoort (2) zijn dus verdwenen uit de Vesten in Brugge; resten nu dus nog enkel de Smedenpoort (4), de Ezelpoort (5), de Gentpoort (1) en de Kruispoort (7).

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)