De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




BRUGGE  -  LANDHUIS VAN HET BRUGSE VRIJE


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)





Op deze prent van Sanderus is het Landhuis van het Brugse Vrije te zien, door Sanderus "PRAETORIUM FRANCONATVS BRVGENSIS " genoemd. De locatie van dit gebouw situeert zich op de Burg in Brugge (provincie West-Vlaanderen).

Momenteel staat er een ander gebouw op deze plaats. Enkele achtergelegen gebouwen langs de Groenerei zijn nog bewaard gebleven.

Het Brugse Vrije was de grootste kasselrij in het graafschap Vlaanderen. Het omvatte de streek rond Brugge, begrensd door de Noordzee, de Westerschelde en de IJzer. In oorsprong was het de kasselrij van Brugge, maar later werden de stad en het Vrije als aparte gewoonterechtsgebieden beschouwd. Het Brugse Vrije was een rijk landbouwgebied. Het had een eigen burggraaf, die zetelde op de Burg in Brugge, en maakte vanaf het einde van de 14e eeuw deel uit van de Vier Leden van Vlaanderen, samen met de drie grote steden Gent, Brugge en Ieper. Het Brugse Vrije zetelde ook in de bijeenkomsten van de Staten van Vlaanderen.

De oorsprong van de kasselrij van het Brugse Vrije moet gezocht worden omstreeks het jaar 1000 in de uitbreiding van de Vlaanderengouw met de Rodenburg- en de Mepsegouw die aan de pagus Flandriensis grensden. Gouwen waren bestuurlijke gebieden uit de Frankische periode die ten oorsprong lagen van de latere kasselrijen. Het centrum van de kasselrij werd de Brugse Burg, waar zich vandaag nog steeds, naast het Brugse stadhuis en de Bloedkapel, het Landhuis van het Brugse Vrije bevindt.

De leiding van de kasselrij kwam in de 11e eeuw in handen van een burggraaf. Enkele schepenen, die samen een vierschaar vormden, gaven eveneens leiding aan het Brugse Vrije. Vanaf 1127 bewandelden de stad Brugge en het omringende platteland gescheiden wegen. Omstreeks de 12e eeuw gng het Brugse Vrije door landwinning (inpoldering en drooglegging) opnieuw een groter gebied bestrijken. Er ontstonden 8 vierscharen. Midden de 13e eeuw streefde men echter opnieuw een grotere centralisatie na en werden alle schepenbanken weer samengebracht in één grote vierschaar.

Nog in de 13e eeuw verdweent het ambt van burggraaf. Deze werd vervangen door een baljuw, waarover de graaf een groter gezag kon uitoefenen. In de 14de eeuw werd de kasselrij van het Vrije politiek en economisch een te duchten factor. Als enige plattelandskasselrij voegde het Brugse Vrije zich in 1386 bij de grote Vlaamse steden Ieper, Brugge en Gent in de Vier Leden van Vlaanderen.

Het bestuur van het Brugse Vrije was gevestigd aan de Burg, het plein waar zowel de burgerlijke als de geestelijke besturen aanwezig waren. Aanvankelijk zetelde het Vrije naast het Steen, aan de Westkant van de Burg. In de 15e eeuw verhuisde het Vrije naar de overzijde, waar het een gedeelte van de voormalige grafelijke Love kon innemen. De Bourgondische hertogen verplaatsten immers de grafelijke residentie naar het nieuwgebouwde Prinsenhof.

In 1434-1440 bouwde het Vrije een vierschaar bij aan de zuidzijde richting Groenerei.

Ten gevolge van de Opstand der Nederlanden ging het noorden zich in de 16e en 17e eeuw van de Nederlanden afscheiden om de Republiek der Verenigde Nederlanden te gaan vormen. Op die manier verloor het Brugse Vrije heel wat gebieden in het huidige Zeeuws-Vlaanderen.

In 1520-1525 werd het complex uitgebreid tot aan de rei met een nieuwe grote vierschaar, de schepenkamer en een vertrekkamer.

Aan de Burgzijde werd in 1528-1532 een galerij met rondbogen opgetrokken (vandaar de naam Love).

Naast de schepenkamer kwam in 1606-1607 nog een kapel en een wezenkamer in 1664-1666.

Daardoor kwam de nog bestaande gevelrij tot stand, kant Groenerei.

Uiteindelijk werd het gedeelte van het Landhuis dat zichtbaar is op de Burg en door de aankoop van de Love in 1555 aanzienlijk was vergroot, in 1722-1727 verbouwd in een classicistische stijl.

Het Brugse Vrije hield zelf stand tot het einde van de 18e eeuw, wanneer de Franse overheersing in 1795 een einde maakte aan de feodaliteit. Daarmee kwam een einde aan de grootste kasselrij van het graafschap Vlaanderen.

Het gebouw was van 1795 tot 1984 het Brugse gerechtsgebouw. In 1984 werd de stad Brugge eigenaar van het gebouw en werden een aantal stadsdiensten er in gevestigd.

Het gebouw kende drie grondige restauraties: eind 19e eeuw, rond 1980 en aan het begin van de 21e eeuw. Met deze laatste restauratie werd gepoogd de oorspronkelijke kleurenpracht weer te geven.

(Bronvermelding: Wikipedia)