De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
BRUGGE - EEKHOUTABDIJ
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Op deze prent is de Eekhoutabdij te zien in Brugge (provincie West-Vlaanderen).
De Eekhoutabdij, ook Sint-Bartholomeusabdij genoemd, was een middeleeuwse religieuze instelling in Brugge. De plaats waar de abdij was gevestigd bevond zich aan de huidige Eekhoutstraat.
Bij de opheffing in 1796 bestond de abdij, toegankelijk via de nu zogenaamde Eekhoutpoort, onder meer uit de kerk vermoedelijk teruggaand tot de 13e tot 15e eeuw met een rijzige toren van 1662-1663 met een aanpalende kloostergang en -gebouwen en nam ze verschillende gronden in achter de Eekhoutstraat en de Garenmarkt.
In 1130 is het eerste schriftelijke bewijs voor deze vestiging terug te vinden. In dat jaar werd een heropgebouwde kapel ingewijd, ten dienste van enkele broeders en zusters die er onder leiding van een prior woonden. Ze werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw, aan Sint-Bartholomeus en aan Sint-Willibrord.
In 1146 sloten de monniken zich aan bij de orde van Arrouaise, waardoor ze als reguliere kanunniken de regel van Sint-Augustinus volgden. Ze werden tot abdij gepromoveerd en er werd hen een abt gestuurd. De regel van Arrouaise schreef voor dat de vrouwelijke leden van de abdij afzonderlijk moeten wonen. Het hof van Odegem (Steenbrugge), dat toebehoorde aan de Sint-Maartenabdij te Doornik, werd vanaf 1149 de nieuwe woonplaats van de zusters. Bij het hof te Odegem behoorde een kerkje, toegewijd aan Sint-Trudo. Om deze reden aanvaardden de zusters Sint-Trudo als hun patroonheilige. Het Sint-Trudoklooster werd een priorij die afhankelijk bleef van de Eekhoutabdij.
Pas in 1180 kreeg de abdij de pauselijke bevestiging; in de oorkonde was er voor het eerst sprake van reguliere kanunniken die leven volgens de regel van Augustinus. Stilaan ontstonden er moeilijkheden tussen de Eekhoutabdij en het Sint-Trudoklooster, die gaandeweg leidden tot een breuk tussen de twee gemeenschappen.
In 1248 werd de scheiding uitgesproken tussen de Sint-Trudozusters en de kanunniken van de Eekhoutabdij.
In de 14e en 15e eeuw werden de gebouwen van de Eekhoutabdij geconsolideerd en uitgebreid. Er werd een ruime tweebeukige kerk gebouwd, namelijk de Sint-Bartolomeuskerk, evenals een nachtkwartier, een refter en een kapittelzaal.
Nadat in Brugge een zelfstandig bisdom werd opgericht (1559), hing de Eekhoutabdij van de bisschop af. Tijdens de 16e eeuw bleken de gebouwen veel te ruim bemeten.
Rond 1550 waren er minder dan tien monniken en was er weinig of geen vooruitzicht op novicen. Tijdens de calvinistische republiek (1578-1584) werden de monniken gedwongen te vertrekken en de gebouwen leden onder plunderingen. De monniken keerden omstreeks 1590 terug en voerden de nodige herstellingen uit.
De 17e eeuw, met de contrareformatie, bracht een hoopvolle heropleving tot stand. In een sfeer van optimisme kon aan de abdijkerk in 1662-1663 een sierlijke toren worden toegevoegd en werd het houten dormitorium vervangen door een stenen gebouw.
Op het moment dat de prent van Sanderus werd getekend was de toren van de kerk nog niet gebouwd.
De abdij kende tijdens de 18e eeuw opnieuw een eerder sluimerend bestaan. Onder de Franse Revolutie werd ze in 1796 opgeheven en het jaar daarop als nationaal goed openbaar verkocht aan een Franse opkoper genaamd Rousseau.
Vanaf 1798 ging Rousseau over tot de volledige sloping van de gebouwen. Ook de sierlijke kerktoren verdween mee met de rest van de abdij.
De sloping was volbracht ten laatste in 1802. Alleen de bescheiden toegangspoort in de Eekhoutstraat bleef overeind, tot op heden.
Rousseau ging vervolgens over tot het verkavelen en verkopen van de eigendom.
Enkele kavels werden later gekocht door de familie Du Jardin, die op de Garenmarkt woonde en de tuin wilde uitbreiden.
Na het faillissement van de Bank Du Jardin in 1874 kwam de eigendom in het bezit van de Zusters van Sint-Andreas, die er scholen bouwden.
In de Eekhoutstraat ontstond de voormalige Sint-Andreasnormaalschool, die later overging in Hogeschool VIVES. In 1974 ontstond er het Eekhoutcentrum als aparte organisatie met als doel het aanbieden van professionalisering aan opvoeders, leraren en directeurs. Het centrum vestigde zich in de gebouwen van de normaalschool en nam de naam van de straat en dus van de eeuwenoude abdij over.
Ondertussen werd het Eekhoutcentrum herdoopt tot Eekhout Academy en verhuisde naar de campus van KU Leuven in Kortrijk. De Eekhout Academy ontwikkelde zich verder tot een nationale en internationale organsiatie voor de professionalisering voor onderwijs. Ze wil de doelen van de stichters van de abdij blijven realiseren door een kwaliteitsvol aanbod van professionaliseringsactiviteiten aan te bieden, en met een knipoog kijken ze terug naar de 'Abdij van Eekhoute' die een centrum was van kennis en kunde.
Een gedeelte van de abdijgronden werd eigendom van de stad Brugge, die er in het begin van de 20e eeuw het Groeningemuseum bouwde.
(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)