De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




BRUGGE  -  DUINENABDIJ


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)





Op deze prent van Sanderus is de Duinenabdij, ook wel gekend als het Groot Seminarie, te zien in Brugge (provincie West-Vlaanderen). Het geleidelijk aan gebouwd complex beslaat een ruime oppervlakte tussen de Peterseliestraat, de Potterierei en de Oliebaan in Brugge.

Aan deze gebouwen hangt een hele geschiedenis vast die sterk gelinkt is aan deze van de (voormalige) Duinenabdij in Koksijde, aan de kust.

Omstreeks 1107 vestigde kluizenaar Ligerius zich in de duinen bij Veurne (in de 13de eeuw de parochie Koksijde). Daar groeide vanaf 1127-1128 een religieuze gemeenschap onder de leiding van Fulco, die in 1138 de abdij onder impuls van Bernardus, abt van de Abdij van Clairvaux, aansloot bij de cisterciënzers.

Onder zijn opvolgers werd in 1175 de abdij Ter Doest als enige dochterabdij ingericht en werd omstreeks 1200 de basis gelegd voor een imposant domeinbezit in Zeeland en de Vier Ambachten, met als centrum Hof te Zande nabij Hulst in het huidige Zeeuws-Vlaanderen.

De 13e eeuw wordt beschouwd als het hoogtepunt van de Duinenabdij te Koksijde. De abten behoorden regelmatig tot de entourage van de graven van Vlaanderen en daarna de hertogen van Bourgondië en speelden een belangrijke rol op regionaal vlak.

Maar intussen kreeg de abdij ook te maken met problemen. De bezittingen in Zeeland hadden regelmatig te lijden van overstromingen en vergden grote inspanningen om drooggelegd te worden. De aantrekkingskracht van de cisterciënzerorde taande en de grote uithoven werden stilaan in pacht gegeven en opgesplitst in kleinere landbouwuitbatingen. In het Frans-Vlaamse conflict koos de abt de kant van de Fransen, en dat leidde na de Guldensporenslag tot zijn vlucht naar Parijs en zorgde voor een breuk in de relatie tot de Vlaamse graven. De nieuwe abten slaagden er in het vertrouwen te herwinnen en de abdij een nieuw elan te geven.

In de eerste helft van de 15e eeuw kende de abdij grote economische problemen. Tot driemaal toe zouden monniken elders een tijdelijk onderkomen gezocht hebben, tot er door de nieuwe abt Crabbe een economische herstelpolitiek werd doorgevoerd. Ook de 16e eeuw wordt gekenmerkt door moeilijkheden op financieel-economisch gebied. De religieuze troebelen zouden de doodsteek geven voor de abdij te Koksijde. In 1566 hield de Beeldenstorm lelijk huis in de abdij, wat leidde tot vernielingen van kunstwerken en het verlies van een groot deel van de unieke bibliotheek.

Vanaf 1578 raakte de regio steeds meer onder de invloed van het calvinisme van Gent, werden troepen gelegerd in de abdij die deels afgebroken en te gelde gemaakt werd, werden de goederen aangeslagen en moesten de Duinheren vluchten. Na de herovering van Vlaanderen voor het katholiek-Spaanse gezag vestigden de monniken zich in Brugge, om zich ca. 1590 in de refuge te Nieuwpoort te vestigen. In 1596 betrokken ze de abdijhoeve Ten Bogaerde in Veurne (thans Koksijde), waar ze een nieuwe abdij uitbouwden. Op Ten Bogaerde werd in 1593 bij invallen de grote schuur in brand gestoken.

De Duinheren organiseerden nu zelf de systematische afbraak van de oude abdijsite, die bedekt werd door oprukkend duinzand en voor de resterende gemeenschap veel te groot geworden was, om middelen te genereren voor de nieuwe abdij.

In 1624 slaagde abt Campmans er in de wegkwijnende abdij Ter Doest te bekomen van het bisdom Brugge. Dat behelsde ook de bezittingen, zoals het archief en de handschriften, de hoeven en domeinen, maar ook de refuge te Brugge.

Daar vestigde de Duinenabdij zich in 1627 en bouwde ze aan de Potterierei te Brugge een nieuw complex, namelijk de Duinenabdij (thans het Grootseminarie) van Brugge.

In 1627 verhuisden de monniken naar de Potterierei te Brugge.

Tussen 1628 en 1642 situeert zich de voornaamste bouwperiode van de nieuwe Duinenabdij in Brugge. De verschillende gebouwen worden opgetrokken achter een lange omheiningsmuur die de abdij van de Potterierei scheidt.

De oorspronkelijke kerk van de abdij van de Duinen in Brugge werd samen met de overige abdijgebouwen opgetrokken. Hiervan getuigt de prent die in 1641 verscheen in de Flandria Illustrata van Sanderus. De bouwwerken waren toen eigenlijk nog niet voltooid. Volgens de gewoonten bij de cisterciënzers werd de kerk, als kroon op het werk, als laatste gebouwd.

De kerk zelf was bescheiden, kwam slechts traag tot stand en was pas in 1661 min of meer klaar. Ze was in winkelhaakvorm, het ene deel bestemd als 'koor' voor de monniken, het andere als 'schip' voor de gelovigen.

De 18e eeuw vormde een periode van bloei en herstel. Diverse hoeves werden flink verbouwd en de ruime abdijkerk, de Heilige Maagd Mariakerk, in het noordelijke gedeelte van het complex werd tussen 1775 en 1788 afgewerkt.

In 1775, nadat de meeste schulden die de abdij bezwaarden eindelijk waren vereffend, werd beslist een definitieve kerk te bouwen.

De bouw kwam klaar in 1778 en de kerk werd onder de naam van Kerk van de Opdracht van de Heilige Maagd Maria ingewijd door bisschop Felix Brenart.

De voltooiing van de kerk werd na weinige jaren gevolgd door de eerste Franse overheersing (november 1792 - maart 1793) tijdens dewelke de abdij leegliep en door de tweede Franse overheersing, vanaf juli 1794, die meebracht dat in april 1796 de abdij werd afgeschaft, de monniken verdreven werden en de gebouwen genationaliseerd. De abdijgebouwen bleven bewaard en werden niet als nationaal goed verkocht, dankzij het gebruik dat de overheid er zelf van maakte.

De kerk werd eerst als foerageplaats gebruikt ten behoeve van de aanwezige legers, daarna als stapelplaats voor genationaliseerde goederen. Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd ze bidplaats voor de Nederlands Hervormde Kerk en in 1818 werd ze aan de katholieke eredienst teruggegeven, ten dienste van de middelbare school gehuisvest in de ernaast gelegen gebouwen.

Toen in 1833 het hele complex van de vroegere Duinenabdij aan het bisdom werd overgedragen, om er het Groot Seminarie in op te richten, was er geen beletsel om de kerk onmiddellijk voor deze nieuwe bestemming in te schakelen.

Het gebouw werd opgetrokken in baksteen, terwijl de voorgevel met blauwe hardsteen werd bekleed. De hellende daken werden met leien bekleed. De toren die boven de kerk uitkraagde was rechthoekig.

Er werden hiertoe allerlei aanpassings- en herstellingswerken uitgevoerd in de abdij: de ruime slaapzalen van de paters worden gesplitst in afzonderlijke studentenkamers; plafonds, ramen en deuren worden vernieuwd; vloeren herlegd; gangen doorgetrokken. Er werd tevens een nieuwe westelijke vleugel opgetrokken vooraan in plaats van een laag voorgebouwtje.

In 1840 werd een belvedèretorentje gebouwd op de zuidwestelijke uithoek.

In de jaren 1920 werd het belvedèretorentje opnieuw afgebroken.

Tussen 1948 en 1951 werd de bouwvallige gevel van de westelijke vleugel afgebroken en werd een pseudo-18de-eeuwse gevel opgetrokken.

In 1959 was er de oprichting van de vleugel voor de afdeling filosofie en waren er veranderingswerken in de bibliotheek.

Het gebouwencomplex behield nagenoeg zijn historisch gegroeide aanleg met de laatclassicistische kerk in het noorden aan de Potterierei. In het oosten aansluitend op het koor van de kerk ligt de grote kloostergang waarrond de verschillende vleugels uit de tweede helft van de 17de eeuw met vertrekken van de abdij zijn gegroepeerd.

(Bronvermelding: tekst grotendeels gebaseerd op Wikipedia en Onroerenderfgoed.be)