De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
BLANKENBERGE - PANORAMA
(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)
Deze panoramische prent van Sanderus geeft ons een zicht op Blankenberge (provincie West-Vlaanderen) in het begin van de 17e eeuw. Deze afbeelding is ongetwijfeld één van de voornaamste iconografische bronnen van Blankenberge uit het Ancien Régime. Naast deze prent zijn immers van Blankenberge maar weinig oudere afbeeldingen bekend.
Deze mooie prent biedt een panoramazicht vanuit het zuiden, omstreeks 1640 en was voor ons een aanzet om dieper te graven in de geschiedenis van deze badplaats.
In het midden van de 11e eeuw vestigden zich een aantal vissers in de nabijheid van de zee. Zij vormden de eerste bewoningskern van het latere "Blankenberge".
Gegevens over het ontstaan, de groei en de ontwikkeling van deze eerste bevolkingskern zijn niet voorhanden.
In de 9e en 10e eeuw werd een groot deel van dit gebied veilig gesteld van overstromingen door de aanleg van de Gentele of Blankenbergse Dijk.
Slechts een klein deel van het grondgebied van de gemeente Blankenberge was gelegen in dit zogenaamde Oudland. Het grootste deel was gelegen in het zogenaamde Middelland. Op de Gentele werd later een boogvormige dijk, de "Dulle Weg", aangelegd. Zo werd de woonterp waarop ook de kerk van Uitkerke was gelegen veilig gesteld.
Dit dijksysteem bouwde men verder uit in westelijke richting. Het grondgebied buiten het bedijkte gebied, waaronder Blankenberge, bleef schorrenland, maar geraakte bevolkt met herders en schapenkuddes die tijdens hoge vloed beschermd werden door opgeworpen terpen of vluchtheuvels.
In 948 werd op een zandstrook tussen zee en duinen, zogenaamd "Scarphout", een kapel ingewijd, opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw van Scarphout. De vesting werd omringd door houten palen met bovenaan een scherpe punt, om zich te beschermen tegen de invallen van onder meer Noormannen. De zandstrook zelf was nog onbewoond. De hutten van de vissers lagen meer landinwaarts om zo beter beschut te zijn tegen de stormen.
In het midden van de 11e eeuw wierp men op ongeveer 500 meter ten noorden van de eerste Evendijk een nieuwe zeewering op. Ten oosten ervan won men een kleine schorre door de aanleg van een dijk vanuit de Gentele in zeewaartse richting. Tussen de twee dijken in, later "Westdijk" en "Oostdijk" genoemd, vestigden zich een aantal vissers in de nabijheid van de zee.
Zij vormden de eerste bewoningskern van het latere "Blankenberge". Gegevens over ontstaan, groei, ontwikkeling van deze eerste bevolkingskern zijn niet voorhanden.
Tussen 1100 en 1134 werd een preventief dijksysteem aangelegd vanaf de Gentele in Uitkerke, in de richting van Heist (tweede Evendijk). Kort na de aanleg van deze dijk overstroomde het oostelijk kustgebied. De hoogste vloeden sloegen op verschillende plaatsen bressen. Toch bleef het grootste deel van de kustvlakte gespaard van overstromingen.
In het midden van de 12e eeuw werden de schorren buiten de Tweede Evendijk in gebruik genomen als schaapsweide. De grond van de schorre werd strooksgewijs ingepolderd.
De eerste vermelding van Blankenberge gebeurde in een oorkonde van 1270 1270, waarin het ging over de rechten van Jan van Uitkerke. Daaruit kan afgeleid worden dat het vissersdorp door Margaretha van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, verheven werd tot "stede en port".
Vermoedelijk heeft zij het Blankenbergse grondgebied afgescheiden van de Heerlijkheid Uitkerke en er stedelijke voorrechten aan gegeven. Daarvoor vormde Blankenberge slechts een wijk binnen Uitkerke. Blankenberge werd zowel op territoriaal als op parochiaal vlak van Uitkerke afgesneden. Dit betekende dat de grens tussen beide vanaf dan niet enkel een parochiegrens was, maar eveneens de afbakening tussen twee rechtsgebieden: het Brugse Vrije en het stadsgebied Blankenberge, waar eigen burgemeesters en schepenen voor de rechtspraak instonden.
In 1334 werd een deel van de stad verwoest en overspoeld als gevolg van een hevige storm. Een groot deel van de duinen verdween in zee. Sindsdien is de waterlijn ongeveer dezelfde gebleven. De kapel van Scarphout liep zware schade op en de zandstrook Scarphout verdween voor een groot deel in de zee.
Op een stuk land genaamd "De Ghentele" werd een nieuwe kerk opgebouwd. Deze gotische kerk wordt ingewijd op 16 september 1358 en heeft als patroonheilige de Heilige Antonius Abt.
Deze Sint-Antoniuskerk stond tot aan de grenswijziging van 1788 op het grondgebied van Uitkerke.
Omstreeks 1340 werd de zeedijk van Blankenberge verbeterd.
In 1394 werd een vuurtoren geplaatst in de nabijheid van de duinen.
In de 15e
eeuw bestond het stratenpatroon van de stad reeds uit een rastervormig net, dat nog steeds in de huidige stad te herkennen is.
Een pad liep vanuit de duinen recht naar de kerk (de latere Kerkstraat).
In 1508 werd de Sint-Antoniuskerk in brand gestoken door de Hollanders.
In 1572 vielen de Watergeuzen binnen en vernielden onder meer de de Sint-Antoniuskerk. Door de aanwezigheid van de geuzen in de stad wordt het vissersbedrijf grondig verstoord en werd de bevolking in verdrukking gebracht.
In 1576 staken zeerovers driehonderd huizen in brand.
Vanaf 1581 werd de grotendeels vernielde Sint-Antoniuskerk als een protestantse bidplaats ingericht.
Het gedeelte dat niet in gebruik was voor de eredienst bleef bestaan als ruïne.
In 1583 gaf Blankenberge zich over aan Alexander Farnese. De rebellen hadden toen Oostende en Sluis nog in handen en vandaar maakten ze de streek onveilig. De bevolking was er erg aan toe.
In 1587-1588 werd in Blankenberge een fort gebouwd als een permanent bolwerk tegen de rebellen. Het verdedigingswerk lag vooruitgeschoven in de duinen bij de sluis van de Grote Ede (Blankenbergse Vaart).
Door de aanwezigheid van het fort werd de stad echter nog meer het mikpunt van aanvallen.
Eind 1590, begin 1591 werd het fort bestormd door gouverneur Sir Edward Norris. Het was zijn bedoeling om de zeedijken door te steken en het land onder water te zetten.
Farnese kon het opzet verhinderen, maar de stad werd wel in brand gestoken door de vijand.
Blankenberge werd reeds in 1591 heroverd, maar bleef toch nog een tijd lang blootgesteld aan vijandelijk gevaar.
Het fort werd hersteld door de Spanjaarden die een kapel in het fort bouwen.
Deze verzorgde een tijd lang de eredienst voor de inwoners van Blankenberge, Uitkerke en Wenduine.
Het aanhoudende oorlogsgeweld deed Blankenberge leeglopen.
De stad telde rond 1600 nauwelijks nog 120 inwoners. De grotendeels verwoeste
stad werd in de loop van de 17e eeuw heropgebouwd.
In 1611 werd een aanvang genomen met de herstellingswerken aan de Sint-Antoniuskerk. Binnen het bestaande kerkgebouw werd een kapel gebouwd.
Op de voorgrond van deze prent van Sanderus is de verwoeste Sint-Antoniuskerk te zien, waarbij het middenste deel waarschijnlijk de kapel betreft.
Vandaar vertrekt, noordwaarts richting duinen, de Kerkstraat met aan weerszijden enkele huizen. Er is het kruispunt met vermoedelijk de Langestraat.
Aan het eind van die straat ziet men het zogenaamde Spaans fort. Het is evenwel veel te veel naar rechts getekend. Het fort was in realiteit meer westwaarts gesitueerd, namelijk aan de monding van de Blankenbergse Vaart.
In 1675 werd de stad geteisterd door een hevige brand. Het grootste deel van het stedelijk archief ging in de vlammen op, net zoals het stadhuis. In 1680 werd een nieuw stadhuis gebouwd.
In 1712 werd het westelijk deel van de Sint-Antoniuskerk, dat nog altijd in ruïneuze toestand verkeerde, gesloopt.
In 1719 woedde opnieuw een hevige brand, waardoor een groot deel van de bevolking dakloos werd.
In 1723 werd de Brugse Steenweg aangelegd. De oostelijke kant van het kerkhof verdween door de aanleg.
Tussen 1740 en 1766 kende de Sint-Antoniuskerk een nieuwe reeks restauraties.
Vanaf het midden van de 18de eeuw begon de stad zich langzamerhand om te vormen tot een toeristisch oord.
Vanaf 1778 verschenen de strandcabines, opgebouwd in hout.
In 1788 kwam de Sint-Antoniuskerk door een grenswijziging op het grondgebied van Blankenberge te liggen.
Vanaf 1830 evolueerde Blankenberge van een vissersdorp naar een toeristische badplaats. Er was een grote bevolkingsaangroei en de stad werd dan ook sterk uitgebouwd. De aanleg van nieuwe straten, de uitvoering van stedelijke infrastructuur en openbare gebouwen, en de bouw van speciaal op het toerisme gerichte gebouwen, vormde een constante doorheen de hele 19de eeuw.
Tussen 1860 en 1865 werd de vissershaven aangelegd, ten westen van de stad.
Omstreeks dezelfde periode bouwde men ook een eerste station in Blankenberge.
In 1884 werd de Sint-Rochuskerk gebouwd en in 1886 werd het casino-kursaal gebouwd. De pier van Blankenberge werd gebouwd in 1894.
In 1860, werd de Blankenbergse Vaart gegraven en het staketsel gebouwd. In 1862 werd de havengeul gegraven, in 1863 de havenkom aangelegd en in 1865 was de haven compleet.
Het Spaans Fort in Blankenberge werd volledig afgebroken in 1910.
We merken hierbij op dat het Spaans fort reeds in de 17e eeuw goed in verval moet zijn geraakt want in
1680 werd bij de bouw van het nieuwe stadhuis van Blankenberge sloopmateriaal van het Spaans Fort gebruikt.
Het fort, dat oorspronkelijk werd gebouwd in de 16e eeuw om de kust van Vlaanderen te verdedigen tegen invallen, werd later overbodig als verdedigingswerk. Tegen het begin van de 20e eeuw raakte het in verval en werd het uiteindelijk gesloopt om plaats te maken voor verdere stadsontwikkeling en de aanleg van de haven.
Het fort had een belangrijke rol gespeeld in de regio, maar met de opkomst van modernere verdedigingssystemen verloor het zijn strategische betekenis.
De stad Blankenberge bleef redelijk gespaard van het oorlogsgeweld van de Eerste Wereldoorlog. Enkel de pier werd in 1915 door de Duitsers in brand gestoken, terwijl de belangrijkste hotels door de Duitse bezetter werden gebruikt.
In 1920 werd de Sint-Antoniuskerk gerestaureerd. In 1931 werd de pier heropgebouwd. In 1934 werd een nieuw casino gebouwd. In 1937 werd een nieuw treinstation opgetrokken.
In de Tweede Wereldoorlog werd Blankenberge zwaarder beschadigd dan tijdens de vorige. De Zeedijk en de Grote Markt werden gebombardeerd. De zogenaamde "Atlantikwal" met vestingen en bunkers liep door Blankenberge. De gebouwen langs de Zeedijk werden ontmanteld, het staketsel werd afgebroken en de kaaimuren werden verwijderd.
Bij de heropbouw werden talrijke villa's, hotels en huizen langs de Zeedijk vervangen door appartementsgebouwen, een trend die werd verder gezet in de loop van de tweede helft van de 20ste eeuw en duidelijk nog niet is gestopt in deze eeuw.
De Sint-Rochuskerk, het staketsel en de pier werden hersteld. In 1954 werd een nieuwe vuurtoren in gebruik genomen.
De vissershaven werd in 1955 omgevormd tot jachthaven.
Het bevolkingscijfer en het (massa)toerisme in Blankenberge blijven ook in de 21e eeuw nog toenemen.
(Bronvermelding: deze tekst is deels gebaseerd op het artikel “Blankenberge in de Flandria Illustrata”, gepubliceerd in Nieuwsbrief nummer 6, november 2012, pag. 15, van Vriendenkring Stadsgidsen Blankenberge vzw en op de historische schets van Blankenberge volgens Onroerenderfgoed.be)