De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




ARDOOIE  -  KASTEEL VAN AUTVIJVER


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)



Op deze prent van Sanderus is het Kasteel van Autvijver te zien. Het kasteel bevond zich langs de huidige Autvijverstraat in Ardooie (provincie West-Vlaanderen).

Antonius Sanderus kon in Ardooie moeilijk het dorpscentrum afbeelden, want de kerk was in 1638 afgebrand en lag nog steeds in puin. Het verlaten kasteel van de vroegere heren van het dorp, iets ten zuiden van de kerk, was onbewoond, zwaar vervallen en zou enkele decennia later eenvoudig afgebroken worden.

Daarom ondermeer was het dat hij in Ardooie het kasteel van Autvyver portretteerde.


Het toponiem "Autvyver" duidt naar alle waarschijnlijkheid op de aanwezigheid van een vroegere vijver op deze plaats.

Door de talrijke vermeldingen in het archief, o.m. door de juiste beschrijving in het landboek van Ardooie uit 1688, kennen we precies de ligging van Autvyver, namelijk ten zuidoosten van het dorpscentrum.

Vermoedelijk is het kasteel opgericht op één van de talrijke vijvers die het Ardooie-Veld toen nog telde en die behoorden aan de dorpsheren.

In 1419 was het kasteel eigendom van Jacob van Lichtervelde, toenmalig heer van Ardooie en soeverein-baljuw van Vlaanderen.

Op het einde van de 16de eeuw werd het kasteel tijdens de godsdiensttroebelen zwaar beschadigd.

In 1621 was het kasteel van Autvyver eigendom van de heer van der Burgh. Daarom werd het ook wel "t Casteelken ter Burght” genoemd.

Het landgoed stond aan de rand van het verlaten en uitgestrekte Ardooie-Veld, toen nog een onbewoond gebied bestaande uit heide, struikgewas en visvijvers.

Het kasteel met de hoeve met circa 34 bunder landerijen werd in 1630 gekocht door Jeronimo Nypho van de kinderen van der Burgh.

Antonius Sanderus, die in zijn groots opgezette Flandria Illustrata prenten en teksten publiceerde van vele localiteiten en monumentale gebouwen in Vlaanderen, kon in Ardooie moeilijk het dorpscentrum afbeelden, want de kerk was in 1638 afgebrand en lag nog steeds in puin. Het verlaten kasteel van de vroegere heren van het dorp, iets ten zuiden van de kerk, was onbewoond, zwaar vervallen en zou enkele decennia later eenvoudig afgebroken worden.

Daarom ondermeer was het dat hij in Ardooie het kasteeltje van Autvyver portretteerde. Dit landgoed stond zo een 2,5 km ten zuidoosten van de kerk, aan de rand van het verlaten en uitgestrekte Ardooie-Veld, dat toen nog veel heide en struikgewas bevatte en een groot aantal visvijvers telde. Heel dit gebied was onbewoond.

Sanderus kon een groot aantal medewerkers rond zich scharen, die stipt, trouw en gedienstig hun akkoorden naleefden en borg stonden dat het hele opzet uiteindelijk met glans en luister voltooid werd.

En hier vallen de namen van Lowys de Bersacques, Vaast du Plouich, Arrasius, Louis du Tielt en nog meer landmeters, etsers, tekenaars en drukkers.

En één van die medewerkers was ook Jeronimo Nypho, de bewoner en eigenaar van het kasteel van Autvyver in Ardooie.

Nypho was beroepshalve een Italiaanse militair, waarvan de familie afkomstig was uit de omgeving van Napels, in dienst van de Spaanse koning, en in zijn vrije tijd een verdienstelijk amateur tekenaar en kunstschilder. Hij was gehuwd met een Noord-Nederlandse adellijke dame Maria de Haen, geboren in het stadje Grave aan de Maas. Haar vader werd in 1623 door de aartshertogen Albrecht en Isabella in de adelstand verheven.

In 1635 verkreeg kapitein Nypho een promotie tot sergeant-majoor van Vlaanderen, maar voorlopig bleef hij in Ardooie wonen op zijn kasteel van Autvyver. Nadien (vermoedelijk na 1650) is hij definitief vertrokken naar Brussel, waar hij een functie toegewezen kreeg aan het Hof van Leopold-Willem, gouverneur-generaal van de Nederlanden. Hij stierf te Brussel in 1658 en werd begraven in de kerk van de dominicanen in Brussel.

Op deze prent zijn twee afzonderlijke gezichten van het kasteel van Autvyver weergeven. Onderaan rechts staat het “praetorium antiquum de Autvyver”, het kasteel zoals het er uitzag voorheen, vroeger, eertijds, dus bij de komst van Nypho in 1630 toen hij dit kasteel aankocht.

Deze inzet geeft een bouwwerk te zien dat zwaar beschadigd is; ruïneuze muren, de hoofdtoren en een zijtoren die ten dele afgebroken zijn, muren begroeid met gras en struikgewas. Kortom, een gebouw waarin de beschikbare woonruimte amper onbeschadigd was en dat in zijn geheel zeker om ingrijpende restauraties vroeg.

De eigenlijke prent daarentegen toont een kasteel, afgebeeld in een perfecte staat van onderhoud. Autvyver was een waterslot; zwanen of eenden zwemmen op het water. Alle gebouwen op het neerhof staan er bij als nette en verzorgde hoevegebouwen, en vooraan staat er een optrekje dat waarschijnlijk een duiventoren is. Rechtlijnige rijen bomen, allemaal praktisch van dezelfde grootte, zijn overal aangeplant. De tuin achter het kasteel is een sobere, eenvoudige renaissancetuin die met sierlijke hoektorentjes, een muur en een waterpartij afgesloten is. Het kasteelgebouw is helemaal hersteld en toegankelijk met bruggen en ophaalbruggen. Verderop, naar de horizon toe, ligt er een onbebouwde vlakte, die in rechthoekige percelen ingedeeld is. Deze moesten blijkbaar de landerijen van de kasteelhoeve verbeelden.

Men herkent in de centraal geplaatste waterburcht duidelijk hetzelfde kasteelgebouw zoals het afgebeeld is in de inzet onderaan rechts, maar nu geschetst vanuit een andere gezichtshoek. Het algemeen onderschrift onderaan de prent luidt dan ook praetorium de Autvyver in paroecia de Hardoye, met andere woorden Autvyver na zijn herstelling, in zijn volle glorie.

Toen Nypho op 24 mei 1630 het kasteel aankocht zal het inderdaad beschadigd geweest zijn. Nypho kocht bij dit kasteel ook de grote hoeve mee.

Het eigenlijke herstel van het kasteel zal jaren geduurd hebben en werd pas onderbroken door het vertrek van Nypho naar Brussel; dit zal te dateren zijn na de laatste door hem aangegane aankoop van goederen in de omgeving van zijn kasteel en zijn hoeve, dus ten vroegste in 1650.

Het is zeer waarschijnlijk ook Nypho zelf die de beide tekeningen van het kasteel heeft gemaakt. Het was een medewerker van Sanderus. Niemand anders dan Nypho zelf verkeerde zo goed in de mogelijkheid om circa 1641 Autvyver te tekenen zoals het er uitzag in 1630, toen het nog vervallen was.

Naar verluidt werd het kasteel op het einde van de 17e eeuw al afgebroken.

De hoeve op het neerhof bleef echter behouden. De nu nog bestaande hoeve Ter Burcht was vroeger het neerhof van het Kasteel van Autvyver. Deze hoeve bestaat thans uit 19de- en 20ste-eeuwse hoevegebouwen, met een duiventoren die minstens opklimt tot de 18e eeuw en een cichorei-ast uit het interbellum.

In de 18de eeuw was de hofstede eigendom van de familie Reynacx. Op de Ferrariskaart (1770-1778) wordt de hoeve (met vermelding "Cense Casteelken ter Burght") weergegeven bestaande uit drie grote volumes in U-vormige opstelling rond het erf, met een kleiner volume (duiventoren) aan de oostzijde en nog grotendeels omwald door een ruime vierkante walgracht.

Gedurende de 19de en tot het laatste kwart van de 20ste eeuw was de hoeve eigendom van de familie de Jonghe d'Ardoye. Rond 1880 werd aan de westzijde van het erf het wagenhuis opgetrokken, waardoor het oude bakhuis verdween. In 1894, 1929 en 1943 werden ingrijpende werken aan de hoevegebouwen uitgevoerd. Ook in de tweede helft van de 20e eeuw vonden diverse uitbreidingen van de gebouwen plaats in functie van de bedrijfsvoering.

(Bronvermelding:  tekst gebaseerd op: L. Van Acker, Het kasteel van Autvyver in de Flandria Illustrata, tijdschrift Biekorf, jaargang 106 (2006)– Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren; Onroerenderfgoed.be)