De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
ANDERLECHT - KARTUIZERKLOOSTER VAN SCHEUT
(Antonius Sanderus – Chorographia Sacra Brabantiae 1659 - Herwerkte editie 1726-1727)
Op deze prent van Sanderus is de herwerkte versie te zien van een prent van het Kartuizerklooster van Scheut in Brussel.
Deze prent werd gepubliceerd in de heruitgave in 1726-1727 van de Chorographia Sacra Brabantiae van Sanderus (1659).
Scheut is een wijk van de gemeente Anderlecht in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het klooster Onze Lieve Vrouw van Genade (Latijn: Domus beatae Mariae de Gratia), ook Kartuizerklooster Onze-Lieve-Vrouw Ter Scheut genoemd, was een kartuizerklooster in Scheut dat bestond van 1456 tot 1783. Het klooster omvatte een twintigtal cellen waar de monniken een leven van stilte leidden.
Ruim honderd jaar lang werd Het Kartuizerklooster van Scheut vorstelijke begunstigd.
Het mirakel van Scheut begon met schaapherder Peter van Assche, die rond 1445 een Mariabeeldje kocht en het opstelde langs de weg naar Ninove. Voorbijgangers die het lemen huisje aandeden, zagen het beeld op pinksternacht 1449 baden in een wonderbaarlijk licht. Het gerucht verspreidde zich snel en weldra waren de pelgrims zo talrijk dat er een waar tentenkamp groeide. Een vrome vrouw vernam in een droom dat Maria er aanbeden wilde worden als Onze Lieve Vrouw van Genade. Daarop zorgde een andere gelovige voor een schilderijtje waarop de tekst Godshuys van Onser Vrouwen van Gratiën prijkte.
De bevoegde bisschop, Jan IV van Kamerijk, stond zeer sceptisch tegenover deze afgoderij. Vreemd genoeg namen de stedelijke en hertogelijke autoriteiten daarop het initiatief om toch een kapel te bouwen. Wellicht wilden ze de volksdevotie naar veilige wateren leiden (het waren godsdienstig woelige tijden).
Dit verklaart echter niet waarom Karel van Charolais, de latere hertog, persoonlijk de eerste steen kwam leggen op 21 februari 1450. Ook amman Jan van Edingen-Kestergat ontpopte zich tot een drijvende kracht. Samen met het stadsbestuur was hij al een tijdje aan het nadenken over de nood aan een kartuizerklooster om de hoofdstedelijke ambities van Brussel waar te maken. Isabella van Portugal, de vrome echtgenote van hertog Filips de Goede, stond bekend als een fervent aanhangster van deze strenge orde. De bouw van de kapel geschiedde onder leiding van Gillis Joos.
Het duurde dan ook niet lang vooraleer de kapel het gezelschap kreeg van een klooster. De locatie net buiten de stadswallen was geschikt om de kartuizers toch enige rust te gunnen. In zijn eerste incarnatie werd de constructie bekostigd door de stad en hergebruikte men middelen van de verdwenen zakbroeders. Het resultaat was een tien voet hoge muur met daarbinnen een bescheiden klooster (een halve kapel, een eetruimte en zeven lemen cellen).
Het monastieke leven ging van start in 1456 onder leiding van prior Hendrik van Loen (1406-1481). Aanvankelijk werd de kapel nog gedeeld met de bedevaarders. Vanwege het rumoer bekwamen de kartuizers vrij vlug een scheiding.
De hoge bescherming van het klooster bleek nogmaals in 1456. Hertogin Isabella schonk vier (stenen) cellen. Cel per cel zou het klooster zo verder worden uitgebouwd dankzij mecenassen. De bouw van de verbindende pandgang duurde van 1472 tot 1515.
In 1469 liet Karel de Stoute een oratorium bouwen en legde hertog Jan I van Kleef de eerste steen van de kloosterkerk. In 1520-30 volgde nog een kerk door tussenkomst van Mercurino de Gattinara. Uiteindelijk vermeldt de beschrijving van 1562 negentien cellen en diverse bijgebouwen. Scheut was een fors en zeer gerenommeerd kartuizerklooster.
In juli 1576 zakten 1600 muitende Spanjaarden af naar Brussel. De stad was verdedigd maar de omgeving ontsnapte niet aan grondige plundering. Het Kartuizerklooster van Scheut was in november aan de beurt. Drie jaar later volgde de Brusselse republiek en zorgden de calvinisten ervoor dat het plunderwerk afgemaakt werd. Na het einde van de republiek zochten de monniken een veilig onderkomen binnen de stadsmuren en bouwden ze een nieuw klooster uit aan de huidige Kartuizerstraat (1585). Ze keerden niet meer terug naar Scheut.
Het nog altijd prestigieuze Scheut raakte stilaan in verval.
Op deze prent van Sanderus wordt het “Cartusia Bruxellensis” weergegeven. Aan de horizon zijn Anderlecht en Scheut zelf te zien; vooraan de kerk en kapel en op het middenplan de pandgang waarrond de cellen geschikt waren.
Net als andere vestigingen van de orde was het Kartuizerklooster van Scheut literair ingesteld. Ze beschikte over een actief scriptorium en een uitgebreide bibliotheek.
Het Kartuizerklooster van Scheut was één van de 600 "onnutte kloosters" die keizer Jozef II bij edict van 17 maart 1783 ophief. Op 5 mei verlieten de kloosterlingen hun Brusselse convent (Scheut zelf was al eeuwen verlaten). Frederik Romberg bracht er in 1786 een katoendrukkerij onder. Jaren later ondernamen sommige verdreven kartuizers nog pogingen om terug te keren, maar die waren geen lang leven beschoren. In 1795 werden ook de kapel en de kloosterhoeve (Scheuthof) verkocht als nationaal goed.
In de 19e eeuw streek een nieuwe congregatie neer op de plek, de Scheutisten. Ze integreerden het laatste restant, de Mariakapel waarmee alles begonnen was, in hun kerk. In 1974 werd ze alsnog gesloopt om plaats te maken voor een supermarkt.
(Bronvermelding: Wikipedia)