De prenten van Antonius Sanderus (17e eeuw)




AALST  -  KARMELIETENKLOOSTER


(Antonius Sanderus – Flandria Illustrata 1641)





Op het detail van de panoramische prent van de stad Aalst uit de Flandria Illustrata van Sanderus hebben we ingezoomd op het Karmelietenklooster of Onze-Lieve-Vrouwebroedersklooster.

De kloosterkerk van dit klooster was de Onze-Lieve-Vrouwebroederskerk.

Sanderus benoemde het klooster in de legende bij het stadsplan als “Vrouwebroeders”.

Het klooster situeerde zich aan de Hopmarkt (“Hoppemart”) in Aalst.

De oudste benaming en functie van de Hopmarkt is eigenlijk "veemarckt" (1400), later ook wel zogenaamd "Vlas ende Gaeremarct" (einde 16e eeuw), “Hoppemart” in de 17e eeuw zoals op deze prent van 1641 aangeduid en "Olie- en Garenmarkt" in de 18e eeuw.

Deze markt lag in feite tussen het klein Vleeshuis palend aan de Nieuwstraat en geflankeerd door twee toegangsstraatjes (ten noorden) en op het einde van de 15e eeuw gestichte Karmelietenklooster waarvan de kerk de zuidwand vormde, ongeveer halverwege van het huidige plein; op deze markt waren onder meer ook de stadswaag en talrijke herbergen en afspanningen gevestigd.

De orde van de geschoeide karmelieten ontstond begin 13e eeuw en verspreidde zich in de loop van die eeuw over Vlaanderen.

De karmelietenorde kent geen echte stichter. Ze is ontstaan op de berg Karmel in Palestina, die sinds mensenheugenis verbonden is met de profeet Elia. Deze Elia wekte in de loop der tijden de geestdrift op van talrijke kluizenaars, die in zijn navolging op of rond de Karmel een aan God toegewijd leven gingen leiden. Aanleiding hiervoor was de ontevredenheid over het te ingewikkelde en te omvangrijke kloosterleven zoals het in het Westen beleefd werd. Als gevolg hiervan sloten in het midden van de 12e eeuw, na de tweede kruistocht, heel wat westerse immigranten zich aan bij de heremieten die de uitgehakte grotten in de wand van de berg Karmel al bevolkten. Aanvankelijk kwamen deze heremieten nog uit kloosters, maar met de tijd gingen ook meer en meer leken zich vestigen als kluizenaar. Dit laatste werd ook bevorderd door de vele pelgrimstochten naar het Heilig Land. Heel wat bedevaarders besloten om er na hun aankomst te blijven. De Broeders van Onze-Lieve-Vrouw van de berg Karmel verkregen rond 1206-1214 de leefregels van Albertus van Avogadro, de patriarch van Jeruzalem.

Niet alleen Elia, maar ook Maria drukte vanaf het begin haar stempel op de orde. Na de ineenstorting van het Latijnse koninkrijk van Jeruzalem en de dreiging van de Islamitische heersers migreerden de karmelieten naar het Westen en kregen de toelating om zich daar te vestigen.

De karmelieten hebben echter het einde van hun orde in het Oosten niet afgewacht om naar het Westen te trekken en zich daar te verspreiden. In de 13e  eeuw waren er in de Zuidelijke Nederlanden reeds heel wat vroege stichtingen zoals bijvoorbeld in Brussel, Brugge en Gent.

De orde van Karmel werd in 1229 door de paus toegelaten en in 1247 werden een reeks pauselijke maatregelen uitgevaardigd die ervoor moesten zorgen dat de orde in Europa kon blijven bestaan. Er konden bijvoorbeeld huizen opgericht worden binnen de muren van grote en kleine steden. In plaats van als kluizenaars te leven, gingen ze vanaf dat ogenblik in gemeenschap wonen.

Omstreeks het midden van de 13e eeuw richtten de heren van Gavere en Liedekerke een kapel op in het bos van Liedekerke als dank voor hun wonderbaarlijke redding tijdens de kruistocht waaraan ze deelgenomen hadden. De bidplaats kreeg als naam kapel van Onze-Lieve-Vrouw-Ter Muilen of Muylem. Door de stichters werd aan de kapel ook een broederschap verbonden ter verheerlijking van haar patroonheilige.

In 1349 richtten Hendrik van Vlaanderen, heer van Ninove, en Robrecht van Namen, heer van Ronse en Beaufort, een grotere bidplaats op in Liedekerke in hun hoedanigheid van hoofdmannen van het broederschap. Zij schonken hierbij ook een inkomen aan de kapel waarmee twee kapelanen konden onderhouden worden.

In de 14e eeuw veranderde de officiële titel van “karmelieten” ondertussen in ”Onze-Lieve-Vrouwebroeders” wegens het afnemend belang van het heremietisme en de groei van de Mariacultus. In de Nederlanden werden in de 14e en de 15e eeuw verschillende nieuwe kloosters gebouwd, waaronder in Leuven, Antwerpen, Liedekerke en Aalst.

In 1410 of 1411 werd door Arnold van Gaver, heer van Rassenghien, Lens en Liedekerke de kapelanij van Liedekerke omgevormd tot een karmelietenklooster. Tijdens het laatste kwart van de 15e eeuw had de Liedekerkse kloostergemeenschap namelijk meermaals te lijden onder plunderingen en dit verplichtte de broeders ertoe om veiliger oorden op te zoeken.

Het zuidelijke deel van de huidige Hopmarkt in Aalst was in de middeleeuwen bebouwd.

Filips de Schone, hertog van Brabant en graaf van Vlaanderen gaf in 1497 de toestemming aan de karmelieten van Liedekerke om zich binnen de muren van de stad Aalst te vestigen.

Aan de burgerlijke bewoning ten zuiden van de Hopmarkt (Veemarkt) kwam dus in 1497 een einde door de inplanting van het klooster.

De 16e-eeuwse godsdiensttroebelen in de Nederlanden brachten de orde grote schade toe. Verschillende kloosters werden vernield of afgeschaft.

Het karmelietenklooster in Aalst zou in 1576 ook grote schade opgelopen hebben door plunderingen van de Spaanse troepen van Filips II. Ten slotte was er de inname van de stad Aalst door Brusselse calvinisten in 1582, die vooral voor de religieuze instellingen rampzalig bleek, waarbij de kerken en kloosters geplunderd werden en vele priesters en kloosterlingen vermoord.

In 1591 was de kloosterkerk reeds hersteld, maar de kloostergebouwen werden pas geleidelijk aan hersteld, afhankelijk van de geldelijke steun die binnenkwam.

Het oude karmelietenklooster in Liedekerke werd eerder reeds in 1498 heropgebouwd, maar tijdens de Beeldenstorm in de tweede helft van de 16e eeuw opnieuw vernietigd. De heropbouw van de kerk en het klooster van Liedekerke geschiedde in respectievelijk 1648 en 1653.

De meest effectieve hervorming van de Karmelorde kwam in de 16e eeuw tot stand door de Spaanse karmelietes Teresia van Avila. Bezield door een sterke contemplatieve en apostolische ijver besloot ze een klooster te stichten. De grondpijlers ervan waren armoede, afzondering en gebed. Dankzij Teresia van Avila en de gelijkgezinde karmeliet Johannes van het Kruis (1542-1591) werd deze hervorming ook doorgevoerd in de mannelijke tak van de orde.

Bij de dood van Teresia in 1582 telde de tak van de ongeschoeide karmelieten al 17 kloosters voor vrouwen en 15 kloosters voor mannen. De geschoeide karmelieten bleven echter bestaan en ook zij kenden een hervorming, die echter niet leidde tot een afscheuring.

Er verschenen in de 16e en 17e eeuw op verschillende plaatsen nieuwe karmelietenkloosters.

In 1605 verwoestte een zware brand de recent herstelde karmelietenkerk in Aalst volledig. Van de vernieling van de kerk is zelfs een ooggetuigenverslag bekend van Antonius Sanderus. Hierna werd vanaf 1608 een nieuwe kerk opgetrokken op een totaal nieuw grondplan.

Na de grote kerkbrand werd blijkbaar vrij snel gestart met de bouw van een nieuwe kerk, die pas in 1628 met een nieuw dak werd afgewerkt.

Bij de afbeelding van de karmelietenkerk op het plan van Sanderus valt het op dat de westgevel aansluit op de lange westelijke gevel van de woonvleugel.

Het gaat dus om een nieuwe kerk op een aangepast grondplan. Aan de lange zijde zijn vijf traveeën te herkennen. Noch aan de westzijde noch aan de zuidzijde is een ingang afgebeeld. Enkel de koorvorm is niet herkenbaar.

De bouw van een totaal nieuwe kerk was de start van een reeks toevoegingen aan het centrale kloosterpand.

De 18e en het begin van de 19e eeuw vormde een dieptepunt in de geschiedenis van de karmelietenorde. Na een periode van stagnatie onderging de orde in de loop van de 18e eeuw een sterke terugval. In Vlaanderen daalde het aantal geschoeide karmelieten zeer sterk. Waarschijnlijk speelde de opkomst van de ongeschoeide karmelieten hierin een rol.

Talrijke misbruiken en ontsporingen bleven voor problemen zorgen. Ook externe factoren beïnvloedden de neergang in de 18e eeuw.

Keizerin Maria-Theresia had al enige maatregelen genomen die naar de opheffing van de karmelietenorde moesten leiden.

Zo mochten de geschoeide karmelieten geen novicen meer opnemen. Keizer Jozef II besloot in 1783 tot de opheffing van de karmelietessenkloosters.

Met de Franse Revolutie werd de karmelietenorde de grootste slag toegediend. In de Nederlanden werden vanaf 1796 talrijke kloosters gesloten. Heel wat kloosterlingen werden vervolgd en, zoals te Ieper, soms terechtgesteld.

In 1796 kwam ook in Liedekerke het definitieve einde, waarbij de kloosterlingen verdreven werden en de gebouwen geconfisceerd en gesloopt werden.

Het resultaat van deze vervolgingsperiode is dramatisch geweest voor de karmelieten. In de Nederlanden verdween de geschoeide karmelietenorde vrijwel volledig (uitgezonderd de kloosters van Boxmeer en Vilvoorde).

Ook al hadden de karmelieten de veiligheid van de ommuurde stad Aalst opgezocht, toch zou het klooster in de loop van haar geschiedenis nog meermaals te lijden hebben onder belegeringen en vernielingen. Naar aanleiding hiervan werden de gebouwen telkens heropgebouwd en aangepast.

Na 300 jaar aanwezigheid in de stad werd in 1797 het karmelietenklooster afgeschaft. De gebouwen en goederen werden verkocht en een aantal gebouwen afgebroken.

Een aantal inwoners van Aalst verenigden zich en kochten voor gezamenlijke rekening de gebouwen. In 1804 werden deze eigendommen verdeeld onder de leden van de vereniging.

De stad Aalst kocht in 1808 de voormalige karmelietenkerk.

Een deel van de westelijk gelegen gronden, waar zich een kerkhof, de kloostertuinen en de boomgaard bevonden, werd in 1808 omgevormd tot een plein: de Botermarkt.

De voormalige kerk zou in de loop van haar geschiedenis ook nog dienst doen als vleeshal (1808), spinhuis, zondag- en muziekscholen (1858) om uiteindelijk omgevormd te worden tot stedelijke schouwburg. In 1935 werd deze op bevel van de burgemeester gesloten waarna de afbraak volgde in 1936.

Het kloosterpand werd opgedeeld in een tiental woonhuizen, die omstreeks 1950 werden gesloopt.

In 1872 besliste het stadsbestuur om op deze plaats een overdekte markt te plaatsen, die echter in 1953 opnieuw afgebroken werd.

In de 19e en de 20e eeuw konden vooral de ongeschoeide karmelieten zich in onze gebieden gedeeltelijk herstellen en blijven ze tot vandaag in enige steden aanwezig.

In 2004 startten in Aalst door het Agentschap Onroerend Erfgoed en de stad Aalst grote opgravingswerken aan de Hopmarkt. Bij dit onderzoek kwam een schat aan gegevens over de geschiedenis van deze site aan het licht.

(Bronvermelding: deze tekst is grotendeels gebaseerd op: DE GROOTE K., DE MAEYER W., MOENS J., QUINTELIER K., VAN CLEVEN F., VANDEN BERGHE I. & VERNAEVE W. 2011: Het karmelietenklooster van Aalst (prov. Oost-Vlaanderen) (1497-1797): het gebouwenbestand, de begravingen en het fysisch-antropologische onderzoek, Relicta 8, 83-250 (geraadpleegd via Researchgate.net); Onroerenderfgoed.be)