Kortrijk
 
Berg van Barmhartigheid (1813)





Op deze tekening van Séraphin Vermote van 1813 is centraal op de tekening de zogenaamde “Berg van Barmhartigheid” te zien.

Links is het Refugehuis van de Guldenbergabdij van Wevelgem (met het torentje) in Kortrijk te zien.

Op de voorgrond ligt de Leie, op de achtergrond prijkt de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

De positie van de tekenaar zou zich vandaag situeren op de Broelkaai in Kortrijk, aan de rechterkant van de Broeltorens, gezien in de richting van de Groeningestraat.


De Berg van Barmhartigheid

De Berg van Barmhartigheid in Kortrijk maakte deel uit van een uitgebreid netwerk. Een Berg van Barmhartigheid was een openbare kredietinstelling waar men anoniem kon lenen tegen een lage rente. In ruil moest men waardevolle voorwerpen in bewaring geven zoals bijvoorbeeld juwelen, boeken, kunstvoorwerpen of zilverwerk. De kredietinstellingen waren meestal gelegen in een gemeentelijk pandjeshuis. Sinds 1848 is deze vorm van lenen in België enkel nog toegelaten voor de Berg van Barmhartigheid.

De Bergen van Barmhartigheid zijn ontstaan in Italië in de 15e eeuw met het doel de armen te beschermen tegen woekerinteresten bij verpanding.

In 1618 werd een netwerk van Bergen van Barmhartigheid opgericht door aartshertogen Albrecht en Isabella van de Spaanse Nederlanden en de bouwmeester en ingenieur Wenzel Coberger. In 1630 opende de Berg in Kortrijk. Voordien werden de eerste twee Bergen van Barmhartigheid buiten Italië gebouwd in Ieper in 1543 en in Brugge in 1572.

In Kortrijk werden de gebouwen volgens het ontwerp van Coberger in een conservatieve, gotische stijl gebouwd. De Berg van Barmhartigheid was gelokaliseerd op de huidige Guido Gezellestraat 1 en Onze-Lieve-Vrouwestraat 45 in Kortrijk.

Daar bevond zich ook de woning van de beheerder van de Berg of intendant. In 1922 sloot de Berg wegens een gebrek aan kapitaal. De Berg van Barmhartigheid in Brussel is de laatste die nog bestaat in België.

In 1934 werd het gebouw verkocht aan de stad Kortrijk. Gedurende de periode 1937-1938 werd de Berg heringericht tot stadsbibliotheek en -archief.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw bijna volledig verwoest door een bombardement op 21 juli 1944. Twee jaar later werd enkel de bijhorende woning heropgebouwd, van de rest van de ruïnes werd een tuin gemaakt. In 1960 echter vond de wederopbouw plaats tot zijn oorspronkelijke vorm.

In 1964 werd het Rijksarchief er ondergebracht.

In 2018 werd het gebouw verkocht aan Konvert Service samen met de aanpalende panden in de Onze-Lieve-Vrouwestraat. Er werd een luxehotel gebouwd: Cobergher Hotel, verwezen naar de bouwmeester en ingenieur van de Berg van Barmhartigheid.

Het Rijksarchief blijft er verder aanwezig, het huurcontract van de stad aan het Rijksarchief loopt nog tot 2031.


De Refuge van Wevelgem

Het gebouwencomplex van de zogenaamde “Refuge van Wevelgem” was een toevluchtsoord voor de bewoners van de Guldenbergabdij van Wevelgem. 

De Guldenbergabdij, voluit Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Guldenberg genoemd, was van 1214 tot 1797 een vrouwenklooster in Wevelgem (provincie West-Vlaanderen).

De cisterciënzersabdij werd aanvankelijk in het naburige Moorsele opgericht in 1214 door Margaretha van Guines. 

De abdij stond dan wel op de grond die ze gekregen had van de kasteelvrouw van Kortrijk, door het feodale systeem van leen boven leen waren er toch steeds weer anderen die ook rechten konden laten gelden op die grond en daarvoor geld wilden ontvangen. De nonnen van Moorsele begonnen gronden te verwerven. Reeds in 1227 had de abdij stukken grond gekocht langs de Leie te Wevelgem. Abdis Sara Nieulandt had ingezien dat de ligging van haar abdij niet ideaal was en zag deze liever overgeplaatst naar de boorden van de Leie.

In 1241 werd een stuk land voor de abdij gekocht, waaronder een stuk tussen de huidige Lauwestraat en de hoeve Busschaert waarop de abdij gebouwd zou worden.

In de tweede helft van de 13e eeuw moest de Guldenbergabdij veel bijdragen betalen om het dure oorlogsgeweld van destijds te helpen bekostigen. In 1458 kocht de abdij het goed Ter Veere, gelegen te Lauwe op de andere oever van de Leie tegenover het klooster. Daardoor verwierf de abdij de controle over de inkomsten uit het verkeer tussen Wevelgem en Lauwe.

Na de afbrokkeling van de kloosterdiscipline in de cisterciënzerabdijen in de 14e en 15e eeuw kwam een
reformatiebeweging op gang, die tijdens de eerste helft van de 16e eeuw ook Wevelgem zou bereiken.

In 1554 was de godsdienststrijd volop bezig. In het klooster van Wevelgem schenen de nonnen daar niet zoveel last van te ondervinden. In 1566 begon de Beeldenstorm en een groep van 300 man bereikte op 14 augustus de Guldenbergabdij.
Ze vernielden de beelden, braken altaars af, verscheurden schilderijen en vertrappelden liturgische voorwerpen en hosties.

In 1572 werd de abdij opnieuw overvallen en de zusters vluchtten in allerijl naar Kortrijk waar ze (aanvankelijk) in enkele bouwvallige huisjes in het begijnhof een tijdelijk onderkomen vonden.

In 1573 keerden de zusters terug naar Wevelgem en hervatten hun monastiek leven. De abdis zocht intussen naar een wijkhuis om zich in geval van nood binnen de relatief veilige stadsmuren van Kortrijk te kunnen terugtrekken.

In 1578 werden de parochiekerk en de abdij geplunderd. De abdij werd zodanig leeggeroofd en platgebrand dat er nauwelijks nog iets van overeind bleef. Aangezien Kortrijk bezet was, kon er geen gebruik worden gemaakt van het aldaar aangekochte refugehuis. Sommige zusters vluchtten naar Rijsel en sommigen trokken in bij familieleden en vrienden.

In 1580 werd Kortrijk heroverd en kwam weer in katholieke handen terecht. De zusters gingen toen opnieuw in wijkhuisjes wonen, maar deze bleken al snel veel te klein voor een gemeenschap van ongeveer 25 leden en daarom werd uitgekeken naar een nieuwe refuge.

Deze werd gevonden in de Groeningestraat in Kortrijk. Het betrof twee aan elkaar palende woonhuizen. Deze werden de “Refuge van Wevelgem” genoemd. De zusters leefden er in moeilijke tijden. Ze moesten constant geld lenen, subsidies aanvragen en soms de weinige ornamenten en liturgische voorwerpen die ze uit de brand hadden kunnen slepen in 1578, verkopen of wegschenken om de rente te kunnen betalen. Hun kleine inkomsten trachtten ze op te krikken door handwerk (bijvoorbeeld kussens borduren), door een schooltje te openen en door op de hulp van ouders en vrienden te rekenen.

De periode in Kortrijk zorgde ook voor veranderingen in de religieuze levenswijze. Er heerste tweespalt in de kloostergemeenschap en er waren nagenoeg geen roepingen meer. In 1594 werd een nieuwe abdis aangesteld.

Met het weinige geld liet deze enkele hoogdringende herstellingswerken uitvoeren aan de enkele nog overeind staande kloostergebouwen in Wevelgem. Het klooster kwam er financieel steeds beter bovenop en men startte in 1603 met de heropbouw van de abdij te Wevelgem. In 1613 konden de zusters naar Wevelgem terugkeren. De bouw van de abdijkerk werd in 1614 voltooid. De zusters waren er ook in geslaagd om een aantal relikwieën ongeschonden te bewaren.

Binnenvallende Franse troepen veroverden Menen in 1645 en Kortrijk in 1646. De Spanjaarden verjoegen hen weer uit Menen in 1646 en uit Kortrijk in 1648. Deze militaire excessen veroorzaakten enorme schade in de streek. De abdij scheen echter weinig schade te hebben geleden. De zusters trokken zich terug in hun vluchtoord te Kortrijk, terwijl de abdij zelf van het oorlogsgeweld gespaard bleef.

In 1658 waren de Fransen terug. De bevolking vluchtte, en kostbare beelden en schilderijen werden in veiligheid gebracht.

In 1659 werd de Vrede van de Pyreneeën ondertekend, waarbij het zeggenschap van Menen aan Spanje werd teruggegeven. Niet veel later vielen Franse troepen opnieuw binnen, en Kortrijk en Menen vielen weer in Franse handen.

Tijdens de bezetting van Kortrijk werd de molen van het klooster vernield.

De Fransen schonken Kortrijk terug aan Spanje, maar behielden Menen. Wevelgem kwam daardoor op de grens te liggen tussen Frankrijk en de Spaanse Nederlanden.

Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) leed de bevolking van het zuiden van West-Vlaanderen onder plunderingen en gruweldaden van de rondtrekkende legers. Soldaten werden gehuisvest in Wevelgem en er vonden strooptochten plaats van de Fransen en hun bondgenoten. Hoe verder de stukken grond verwijderd waren van de abdij, hoe moeilijker het was om inkomsten te kunnen innen. Vandaar dat de abdij af en toe pogingen deed om verafgelegen stukken land te verkopen en met dat geld dichter gelegen stukken grond te kopen.

In het begin van de 18e eeuw waren de Zuid-Nederlandse gewesten in handen van de Nederlanders, Engelsen en Oostenrijkers. Zij hadden een voorlopig bewind ingesteld. Tot 1713 woedde er een oorlog en leed de abdij veel schade door voortdurend doortrekkende legers. Daardoor werden oogsten vernield en bleven akkers braak liggen. In de periode van 1710-1714 heerste hongersnood.

De Oostenrijkse Successieoorlog bracht een Franse invasie in Vlaanderen. De bezetting duurde tot aan de Vrede van Aken in 1748.

Bij de dood van Marie de Preudhomme d'Hailly, eigenares van de heerlijkheid Wevelgem en weduwe van Antoine de Robbes in 1740 ontstonden moeilijkheden. Op 11 maart 1758 verkocht de familie de Brais de heerlijkheid wegens enorme schulden aan de Guldenbergabdij, hierdoor werd de abdis van de Guldenbergabdij, Augistina Peuterman, de "Vrouwe van Wevelghem". Onder haar abbatiaat kende de abdij een grote bloei.

In 1780 stierf Maria Theresia en haar zoon Jozef II kondigde een reeks maatregelen aan die het de kloosters almaar moeilijker maakten om nog te functioneren. Er werden 158 abdijen met een totale bevolking van ongeveer 2600 religieuzen ontbonden. De cisterciënzerinnenabdij van Wevelgem kon voortbestaan dankzij de aanwezigheid van hun school die zich richtte op behoeftige weesmeisjes. Ze leerden hen lezen en schrijven in het Frans en Vlaams, goede manieren en veel godsdienst, alsook alle mogelijke huishoudelijke taken. Ze werden als dienstmeisjes in burgerhuizen geplaatst.

In 1792 verklaarde Frankrijk aan Oostenrijk de oorlog. In 1796 werd de abdij ontruimd. De abdijgebouwen werden in de loop van 1798 gesloopt en de goederen werden in de daarop volgende jaren onder de hamer gebracht.

Al dan niet in het geheim werden voorwerpen van de eredienst en relikwieën weggeschonken aan kerken en nog bestaande abdijen. In 1857 stierf de laatste religieuze van de Guldenbergabdij van Wevelgem.

Op de plaats waar het gebouwencomplex van de Refuge van Wevelgem zich bevond, vestigde zich vanaf 1833 de kloostergemeenschap van de H. Vincentius a Paulo, in de volksmond de Zusters Paulinen ("Paulientjes").

Het torentje van het Refugehuis werd afgebroken na de aardbeving van 11 juni 1938.

Vanaf 1964 was het Instituut ten Broele op de plaats gevestigd. Nu worden er nieuwbouwappartementen opgetrokken.

(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be)