Harelbeke
Banmolens (1813)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
Deze tekening uit 1813 van Séraphin Vermote toont de grafelijke banmolens te Harelbeke. Rechts op de tekening is ook nog een windmolen en de Sint-Salvatorkerk te zien.
De vroegst gekende vermelding ("in molendis apud Herlebecam") van de grafelijke banmolens staat in een oorkonde van 1128. Daarin schenkt Clémence, gravin van Vlaanderen, aan de proosdij Sint-Amand te Kortrijk jaarlijks een mud graan afkomstig van de molens van Harelbeke.
In 1198 stelde graaf Boudewijn XI van Vlaanderen een nieuwe verantwoordelijke aan voor de uitbating van zijn molens op de Leie. Ook het kapittel van de Sint-Salvatorskerk kreeg inkomsten van de molens. De Harelbeekse watermolens waren banmolens. Al wie binnen deze "ban" woonde, was verplicht er zijn graan te laten malen.
Deze "ban" was een cirkelvormig gebied, waarvan de straal de zogenaamde banmijl was (ruim 5 km).
De banmolens in Harelbeke waren van strategisch en militair belang. Ze vielen wel eens ten prooi aan vernieling door vijandelijke troepen, zoals in 1382, na de Slag bij Westrozebeke, toen Franse troepen de molens en bijhorende sluizen totaal verwoestten.
In 1387 was de westmolen van de banmolens terug in werking, terwijl van de tweede molen geen sprake meer was.
Veel klachten en rechtszaken zijn bekend tegen pachters die de molens toch draaiende hielden tijdens periodes van droogte. Schippers werden slachtoffer omdat de waterstand van de Leie zo laag kwam te staan dat veel schippers tussen Menen en Harelbeke vast kwamen te zitten in het bodemslib. Bovendien stroomden bij hoog waterpeil dorpen aan de oever onder water als de sluizen waren gesloten. Om te vermijden dat pachters het waterpeil te veel in hun voordeel lieten spelen, werd een zomer- en winterpeil ingesteld, terwijl de raad van Vlaanderen en Keizer Karel een verplichting oplegden om bij bruggen en sluizen peilstenen aan te brengen. Dit was een direct gevolg van overstromingen in Wevelgem, Warneton (Waasten) en Halluin (Halewijn) in 1531. De molenaar regelde ook de doorvaart van de schepen aan de Leie en verzamelde de tol van doorgaande schepen. Zijn verantwoordelijkheid was van groot belang.
In 1564 werd ook de oostmolen van de banmolens terug in bedrijf gesteld..
In 1611 werd de oostmolen nabij de sluis omgebouwd tot een volmolen. Het was toen de enige volmolen in de kasselrij Kortrijk.
De ban van de banmolens werd vermoedelijk reeds in de 17e eeuw opgeheven. Vanaf de zeventiende eeuw doken er immers elders in Harelbeke windmolens op, wat erop wees dat de ban niet meer gold of aangepast was.
In de loop van de zeventiende en ook nog in de achttiende eeuw kregen de banmolens houten versterkingen en een wacht. De banmolens bleven immers strategisch belangrijk: vooral de sluizen erbij bepaalden het verloop van de Leie.
In 1798 werden de banmolens openbaar verkocht.
Tot het begin van de 19e eeuw hadden de banmolens het uitzicht van traditionele watermolens met hun typische waterraderen. Naast het malen van graan, dienden de molens ook voor het malen van schors (voor het leerlooien), het persen van olie en zelfs het vollen (of vilten) van stoffen.
Tussen 1830 en 1850 kregen de banmolens een industrieel karakter. Er werd sucre à paille geproduceerd, een mengsel van stro en suiker voor paarden.
Vanaf circa 1850 deed de Industriële Revolutie haar intrede. De Leiearm werd overbrugd, zoals de sluitsteen met het jaartal ‘1849' nog steeds aanwijst. Het gebouw kreeg zijn huidig uitzicht met zes bouwlagen en 13 traveeën.
In 1850 werd een eerste stoommachine geplaatst.
In 1864 werd bij de banmolens door hetzelfde bedrijf een nieuw complex gebouwd, de Oostelijke watermolens of Nieuwe Molens genaamd.
In 1870 kwam een nieuwe stoommachine in de vierkante schoorsteen van de banmolens (die nu nog steeds bestaat).
De modernisering van de banmolens, onder meer door het plaatsen van een stoommachine, hield niet in dat de waterkracht verlaten werd. In 1880 werden de waterraderen vervangen door waterturbines.
De molens waren verschillende keren het slachtoffer van brand en kregen hun huidige uitzicht na een brand in 1886.
Het bedrijf dat beide complexen van de banmolens bezat heette sinds 1880 de Maatschappij Vercruysse-Declercq-Vanneste, vanaf 1895 SA Les Frères Vercruysse en vanaf 1920 NV Watermolens. Ozonia, een merk van waspoeder werd rond 1930 geproduceerd door Boudewijn Steverlynck.
De banmolens brandden in 1942 grotendeels af, vermoedelijk door zelfontbranding. Tijdens de stilval verplaatste men de productie naar een maalderij in Gent. Kort nadien werden de banmolens heropgebouwd met modere turbines.
Het grote industriële pand (nieuwe watermolens) was in werking tot vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Na de Tweede Wereldoorlog vervaardigde het bedrijf Carpentier in de banmolens veevoeder en lijnolie.
Het bedrijf van de banmolens bleef moderniseren tot de stopzetting van activiteiten rond het jaar 2000.
Tot 2009 hebben de turbines van de banmolens nog dienst gedaan.
Van de historische watermolens, de zogenaamde banmolens, zijn nog enkele natuurstenen muurresten overgebleven. Aan de oostgevel bevindt zich een merkwaardig Mariabeeld dat mogelijk 18e-eeuws is. De vierkante schoorsteen getuigt nog van het begin van het stoomtijdperk.
Lofting Group kocht de gebouwen op en renoveerde ze tot lofts. Naast de banmolens was er gedurende verschillende jaren een tearoom – genaamd “De Banmolens” - gevestigd.
(Bronvermelding: Onroerenderfgoed.be; Molenechos.org)