Geluveld
 
Kasteeldomein Keingiaert de Gheluvelt (1813)





Op deze tekening uit 1813 van Séraphin Vermote is het Kasteeldomein Keingiaert de Gheluvelt te zien. Het kasteel bevindt zich in het tot de West-Vlaamse gemeente Zonnebeke behorende dorp Geluveld en is gelegen aan de Kasteelstraat 1-3.

Het kasteel was gedurende vele jaren de eigendom van de familie Keingiaert de Gheluvelt.

In het verre verleden ging de heerlijkheid Geluveld af van het Hof van Ingelmunster. In de 12de eeuw zijn er reeds vermeldingen van de heren van Geluveld. Vanaf de 14de eeuw duiken meerdere leden van de familie Keingiaert op als burgers te Ieper. De familie bestaande uit schepenen, geestelijken, ontvangers en militairen, had zijn eigen wapenschild.

Pas op het einde van de 18de eeuw wordt voor het eerst een Keingiaert te Geluveld vermeld, met name Louis-Bruno. Hij was uit Oudezele afkomstig en gewezen kapitein in het Spaanse leger. In 1788 werd Louis-Bruno tot de adelstand verheven onder de naam “Keingiaert de Gheluvelt”.

Vanaf het moment dat de boerenwoonst van de heerlijkheid omgevormd werd tot een herenwoonst, werd er gesproken over het kasteel van Geluveld. Het was dicht bij de kerk gelegen. De volgende eigenaar Bruno, werd burgemeester van Geluveld, die op zijn beurt opgevolgd werd door zijn broer François-Bruno die 34 jaar burgemeester geweest is. De laatste mannelijke afstammeling uit de familie Bruno-Gustave-François-Adolphe, geboren in 1856, was gehuwd met Aline Catteaux. Zij hadden samen een dochter Léonie. De kerk die in 1888 volledig afbrandde werd op zijn kosten heropgebouwd. In 1903 stierf Bruno. Zijn echtgenote hertrouwde met Henri Caignart de Sausey.

Het kasteel werd waarschijnlijk tussen 1735 en 1745 gebouwd. Het stond op een omwalde site van waaruit een rechte toegangsdreef vertrok naar de kerk op de markplaats.

Deze tekening van Séraphin Vermote is één van de oudste documenten waarop het kasteel is te zien.

In 1813 ziet het kasteel er uit als een rechthoekige herenwoonst, met 7 traveeën en twee bouwlagen, bekroond met een schilddak.

Daarnaast zijn er twee vierkante torens met een piramidaal dak te zien. De middentravee, waar de ingang zich bevindt, is in risaliet gebouwd en bekroond door een fronton (een risaliet is een over de hele hoogte, vooruitspringend gedeelte van de gevel). 

De onmiddellijke omgeving was nagenoeg allemaal eigendom van de familie Keingiaert de Gheluvelt. Zo waren de gemeentezaal, alle woningen rond het marktplein, vier hoeves in de omgeving en drie bossen (het Carruebos, het
Proosdijbos en het Vijverbos) eigendom van deze familie.

Het kasteelpark besloeg zes hectaren met in het midden het kasteel. De vijver werd gevoed met water uit de Scherriabeek.

Dit park werd gedurende de 19de, begin 20ste eeuw herschikt in een nieuwe esthetiek, namelijk de landschappelijke stijl.

Het park werd in Engelse stijl aangelegd, met loofbomen, grasperken en restanten van de omwalling uitgewerkt tot de vijver.

Er bevond zich ook een staande wip in het westelijke parkdeel. De wip behoorde jaren tot de plaatselijke schuttersgilde Sint-Sebastiaan die in 1836 werd gesticht.

Hierbij wordt in de hoogte naar een doel gemikt bij het kruis- of handboogschieten.

Ten noorden van het kasteel bevond zich een conciërgewoning met koetshuis en stal.

Aan de rand van het park stond ook een kasteelmolen. De familie Keingiaert de Gheluvelt was gedurende de periode 1737-1966 eigenaar van deze molen.

Het was een banmolen die eigendom was van de heer van de heerlijkheid. Hij alleen had het recht een molen op te richten. Iedere bewoner was verplicht het koren te laten malen door de molenaar van de heerlijkheid.

Het 18e-eeuwse classicistische kasteel werd verwoest tijdens de Eerste Slag om Ieper (einde 1914). Ook de molen werd volledig vernield.

De laatste telg van de familie was Léonie Keingiaert de Gheluvelt (geboren 03/08/1885).

De heropbouw van het kasteel liet lang op zich wachten niettegenstaande dat de kasteelvrouw op haar eigendom een steenbakkerij oprichtte. Er werd voorrang verleend aan de heropbouw van de huizen voor haar personeel, haar hoeves en aan de terugkerende bevolking.

In 1923 kocht de kasteeldame de oude Vandoolaeghes molen van Watou op. Deze staakmolen werd op dezelfde plaats als de voorgaande banmolen gezet en dateert vermoedelijk uit het eerste kwart van de 19de eeuw. De oude molen werd opgeknapt maar nooit volledig gerestaureerd. De molen, die maar zelden kon malen, werd uiteindelijk stilgelegd.  Nabij de kasteelmolen werd na de Eerste Wereldoorlog een monument opgericht voor de gevallen strijders.

Pas vanaf 1929 werd het kasteel herbouwd, min of meer naar het voorbeeld van het oorspronkelijke kasteel. Het werd echter wat vergroot en de hoektorens werden verhoogd. Het kasteel is gebouwd in rode baksteen en is een dubbelhuis van negen traveeën, geflankeerd door twee, iets vooruitgeschoven, hoektorens op een vierkante plattegrond. De middentravee bevat de ingang met daarboven een driehoekig fronton, getooid met het familiewapen en de spreuk: deforti, dulcedo.

Het geheel ligt in een park in Engelse landschapsstijl, waarbij ook de omgrachting weer werd aangelegd in combinatie met een vijver.

Léonie Keingiaert de Gheluvelt, bewees na de Eerste Wereldoorlog tal van goede diensten aan de terugkerende bevolking.

Ze werd de eerste vrouwelijke burgemeester in het land sedert de onafhankelijkheid. Heel wat aandacht ging uit naar het verzachten van de nood van de oorlogsslachtoffers.

Het kasteel had ook te lijden onder de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode vluchtten de kasteelbewoners, waaronder de moeder van Léonie, Aline Catteaux, naar Monaco. Daar vestigden ze zich te Monte-Carlo in de villa van de familie Keingiaert. Daar kwam Aline Catteaux te overlijden in 1940.

In de kelders van het kasteel waren er gedurende de Tweede Wereldoorlog Duitse soldaten ingekwartierd en werd het park gebruikt als parkeerplaats voor militaire voertuigen en kanonnen.

Ondanks de twee oorlogen is het kasteel samen met het park nog steeds aanwezig in het landschap.

Bij de dood van Léonie Keignaert de Gheluvelt in 1966 gingen al haar roerende en onroerende goederen die in België gelegen waren, waarschijnlijk via testament, over naar de Vereniging van de Adel van het Koninkrijk België VZW. Hierbij moest het kasteel uitgerust en ter beschikking gesteld worden aan de Belgische Adel. Op aandringen werden talrijke woonhuizen van het marktplein van Geluveld en ook enkele hoeven die eigendom waren van de kasteeldame tegen lage prijzen verkocht, meestal aan de bewoners ervan. De opbrengst hiervan werd besteed aan de verdere afwerking van het kasteel en de uitrusting van vakantieappartementen.

Bij gebrek aan een regelmatige bestemming, verkocht de Vereniging het kasteel in 2001 aan een particulier. Met de opbrengst werd een 'Fonds Keingiaert' opgericht, dat jaarlijks verschillende prijzen toekent aan leden van de Belgische adel die zich voor sociale doelstellingen inzetten.

De VZW verkocht tevens de kasteelmolen aan de provincie West-Vlaanderen, die hem vervolgens doorverkocht aan de gemeente Zonnebeke. De molen kwam tijdelijk toch in private handen terecht, maar in 2005 kocht de gemeente Zonnebeke de molen terug op van de private eigenaar. Het doel van de gemeente was de molen op hun grondgebied terug op te bouwen en maalvaardig te laten herstellen. De standaardmolen werd gebouwd op hoge bakstenen teerlingen en was gelegen op een molenwal begroeid met bomen en struiken. De torenvoet was ingemetseld. De molen was in verticale plankenbeschieting bekist. De Geluveldmolen beschikte over een maalzolder en een steenzolder met twee maalstoelen. De molen is nog niet hersteld. Een vervanging van onderdelen en een heropbouw wordt voorzien voor 2025-2030.

De conciërgewoning werd intussen verbouwd tot een private villa.

(Bronvermelding: Priem, V. (1996, 1998) Kastelen en landhuizen in Groot-Ieper en Kastelen en landhuizen in de Westhoek - Ieper – Boussemaere; Onroerenderfgoed.be)