Brugge
Gruuthusehuis en Onze-Lieve-Vrouwekerk (1818)
MENU
Terug naar HOMEPAGINA
Terug naar INHOUDSOPGAVE
Hier tekende Séraphin Vermote in 1818 het Gruuthusehuis en de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Brugge (provincie West-Vlaanderen). De tekening werd gemaakt vanuit het zuiden.
Het Gruuthusehuis, ook wel genoemd Huis van de Heren van Gruuthuse, Gruuthusepaleis of Gruuthusemuseum, bevond zich vroeger langs de Reie, een rivier die doorheen Brugge liep. Thans zijn er nog verschillende kleine kanaaltjes die men de “reien” noemt.
Het Gruuthusehuis is de voormalige patriciërswoning van de heren van Gruuthuse. Ze verwierven in de 14de eeuw het gruitrecht en hadden daardoor het monopolie op het verdelen van het gruit, een kruidenmengsel dat diende als basis voor het gruitbier.
Thans is het Gruuthusemuseum, een museum voor toegepaste kunst, in het gebouw ondergebracht.
Het gebouw heeft een kern die dateert uit de 15e eeuw en werd op het einde van de 19
e
eeuw en het begin van de 20
e
eeuw grondig gerestaureerd.
Het huidige uitzicht is fasegewijs tot stand gekomen en wordt sterk gemarkeerd door de verschillende restauraties.
Vermoedelijk reeds in de 13e eeuw werd een aanvang genomen met de bouw op deze plaats van een nieuw "gruuthuis".
Omstreeks 1425 bouwde Jan IV van der Aa, de eerste heer van Gruuthuse, de Reievleugel met de traptoren. Tegen de noordkant van deze vleugel werd iets later een bottelarij gebouwd.
In de loop van de 15
e
eeuw bouwde Lodewijk van Gruuthuse, de zoon van Jan IV van der Aa de zuidvleugel. In 1472 werd een kapel gebouwd met een uitzicht op het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ongeveer in dezelfde periode werd een gebouw geplaatst op een brug over de Reie. In 1479 werden aan de noordkant van de binnenplaats de galerij, stallingen en dienstruimten opgetrokken.
Tegen het einde van de 15e eeuw werden er nog uitbreidingen toegevoegd aan de gebouwen.
In 1562 waren er 3 vleugels rond een binnenplaats, een brug over de Reie met aan de overkant een ommuurde lusttuin en op een hoek nog 2 diephuizen.
Vóór 1580 was het domein nog gesplitst in twee percelen ten oosten en westen van de Reie.
Omstreeks 1596 raakte het huis van de heren van Gruuthuse in verval en werd het verkocht aan de Spaanse koning Filips IV.
In 1623 schonk de koning het goed aan Wenceslas Cobergher, stichter van de Bergen van Barmhartigheid.
In 1628 werd de Berg van Barmhartigheid ingericht. Er gebeurden verbouwingen aan de straatvleugel. Er werd een westelijke vleugel bijgebouwd en het interieur werd gewijzigd. Omstreeks 1637 werden het oostelijk en westelijk deel opnieuw samengevoegd.
Op een prent van 1641 in de Flandria Illustrata tekende Sanderus een volledig omsloten bebouwing rond een binnenplaats, een gebouw van vijf traveeën en één bouwlaag op de brug en links een ommuurde moestuin.
In 1662 kwam er een definitieve splitsing van beide percelen, het linker deel vanaf de brug werd verkocht aan A. Vander Zijpe die er het Arentshuis bouwde.
Op het einde van de 18e eeuw worden nieuwe gebouwen opgetrokken en werden de gotische huizen op en naast de brug verbouwd.
In 1873 wenste het Oudheidkundig Genootschap het gebouw in te richten als een bewaarplaats van de verzamelingen die zich dan in de Stadshallen bevinden. In 1875 werd de site aangekocht door de Stad Brugge. Van 1883 tot 1895 gebeurde er een ingrijpende restauratie. Er werden enkele gebouwen afgebroken. De traptoren aan het water werd herbouwd en een hoektorentjes aan de binnenplaats werd herbouwd.
In 1955 kwam de oudheidkundige verzameling in handen van de Stad. De site werd ingericht als een Stedelijk Museum voor Oudheidkunde en Kunstnijverheid.
In 1993 werd nog een gevel gerestaureerd.
Op de tekening is de Onze-Lieve-Vrouwekerk mooi te zien. Deze kerk een van de oudste bidplaatsen in Brugge en een toeristische trekpleister.
Ze was tot op het einde van het ancien régime een collegiale kerk met een proost en een kapittel van kanunniken, nadien een decanale kerk.
De volledig in baksteen opgetrokken toren beheerst het Brugse stadsgezicht.
Ze is een erkende parochiekerk binnen Brugge en maakt sinds het begin van de 21e eeuw deel uit van de parochiefederatie Sint-Donatianus. Sinds de jaren 1980 fungeert ze ook als toeristische 'onthaalkerk'. Sinds 2019 is het
betalende museumgedeelte van de kerk opgenomen binnen de overkoepelende organisatie Musea Brugge.
Het eerste kerkje op deze plek, een Karolingische kapel, dateerde van circa 875. De kapel was volgens de gangbare thesis opgericht als een dochterkerk van de Sint-Maartenskerk in Sijsele, die op haar beurt in het bezit was van de Dom van Utrecht. In 1116 maakte de kapel zich los van Sijsele en werd hoofdkerk van een zelfstandige parochie. Vermoedelijk werd het bouwwerk daarom herbouwd en uitgebreid onder Karel de Goede.
Vanaf ca. 1230 werd de bouw van de huidige kerk aangevat. Het oudste deel, de middenbeuk, werd opgetrokken in Doornikse steen, in de typische Scheldegotiek. Het koorgedeelte en de apsis, gebouwd tussen 1270 en 1280, stralen de klassieke Franse gotiek uit, maar dit volledig in baksteen. In 1370 kwam de noordelijke beuk er en in 1450 de zuidelijke.
Omstreeks 1465 werd het Paradijsportaal opgetrokken in Brabantse gotiek.
De eerste toren stortte in 1163 in en er werd herbouwd tussen ongeveer 1270 en 1340; de spits werd pas in de 15e eeuw toegevoegd en in de 19e eeuw herbouwd.
(Bronvermelding: Wikipedia; Onroerenderfgoed.be; Groeningemuseum)